Conclusie
1.De feiten
nu andere schade is gesteld noch aannemelijk geworden”. Omdat ten tijde van het wijzen van het vonnis van 27 augustus 2008 nog niet bekend was of (gedeeltelijke) voldoening van dit bedrag uit de boedel van [A] kon/zou plaatsvinden, heeft de rechtbank in dat vonnis geoordeeld dat nog niet vast stond welk deel van voornoemd bedrag [eisers] gehouden is te voldoen, waarna verwijzing naar de schadestaat volgde.
2.Het procesverloop
ookde tweede teeltvergoedingstermijn van € 63.420,53 te vorderen (rov. 4.2). Over hetgeen door het hof in het arrest uit 2012 is overwogen, oordeelt de rechtbank (eveneens rov. 4.2):
3.De bespreking van het cassatiemiddel
afzonderlijk gedingin de zin van art. 236 lid 1 Rv Pro (die bepaling is immers niet vermeld in art. 615a Rv). Het gezag van gewijsde vormt in de schadestaatprocedure daarom geen beletsel. Wel kan door toepassing van de leer van de bindende eindbeslissing hetzelfde effect worden verwezenlijkt. [10] Als een (bindende) eindbeslissing is genomen in de hoofdzaak, bindt dit in beginsel de rechter in de schadestaatprocedure. Als een dergelijke beslissing betrekking heeft op toe- of afwijzing van schade, kan die beslissing niet met een daaropvolgende schadestaatprocedure opzij worden gezet. [11]
als eindbeslissinginhoudt dat de zaak zoals [verweerder] ook heeft gevorderd – voor begroting van de schade
naar de schadestaat is verwezen. Voor zover wordt geklaagd dat de rechtbank de vordering van [verweerder] op € 126.861,06 heeft bepaald, falen de grieven omdat zij op een verkeerde lezing van het arrest berusten, aldus het hof. Vervolgens oordeelt het hof in rov. 3.9 en 3.10 zoals onder 1.11 is weergegeven.
eerste termijnvan € 63.430,53 zonder meer vaststaat, vanwege de vermelding in het proces-verbaal en het daaraan door de wet toegekende gevolg dat sprake is van erkenning, en dat dit voor de
tweede termijnniet geldt, zodat daarover nog debat in deze schadestaatprocedure mogelijk is.
“moet worden aangenomen dat de vordering van [verweerder] in het faillissement van [A] is erkend tot het bedrag van € 63.430,53. Die vordering kan dus ook jegens [eisers] tot maximaal dat bedrag als vaststaand worden beschouwd”en (ten aanzien van de tweede termijn) dat hieraan niet afdoet dat “
uit andere gedingstukken – die niet de kracht van een authentieke akte hebben – valt af te leiden dat [verweerder] meent recht te hebben op tweemaal dat bedrag.”Daarbij komt (ten aanzien van de tweede termijn) dat uit de tekst van art. 615 Rv Pro volgt dat de eiser vrij is om in de schadestaatprocedure nieuwe schadeposten op te voeren [16] , en in de hoofdprocedure als eindbeslissing (slechts) naar de schadestaat is verwezen.
Opmerking verdient dat [verweerder] zich met succes op het in dit arrest overwogene zullen kunnen beroepen in geval [eisers] in de schadestaatprocedure toch nog staande zou willen houden dat de door [eisers] te vergoeden schade ten hoogste het in de overwegingen van de rechtbank genoemde bedrag kan belopen”), is in het licht van (i) het oordeel van het hof in rov. 3.9 en (ii) het feit dat het [verweerder] in de schadestaatprocedure vrij staat nieuwe schadeposten aan te voeren, ook niet onbegrijpelijk. Nu de vraag hoe het oordeel van het hof in de hoofdprocedure moet worden uitgelegd onderwerp is geweest van debat tussen partijen in de schadestaatprocedure [17] , is van het buiten de grenzen van de rechtsstrijd treden c.q. het geven van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing evenmin sprake.
Subonderdeel 2.1voert aan dat ’s hofs oordeel zoals besloten in deze rechtsoverwegingen onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, is in het licht van hetgeen [eisers] heeft gesteld, dan wel dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door te hoge eisen te stellen aan de stelplicht van [eisers] wat betreft de lagere schade dan wel voordeelstoerekening.
Grief 4, (bedrog!)