Conclusie
[betrokkene 1].
getuige [betrokkene 2]met nummer PL 1251 -2013121557-4, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina 12 e.v.
getuige [betrokkene 3]met nummer PL 1251-2013121557-6, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina 16 e.v.
getuige [getuige]met nummer PL 1251-2013121557-15, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina 19 e.v.
www.stopkinderseks.comheeft gedeeld en dat zij anderen verzoekt het bericht verder te delen. Het bericht is zichtbaar zonder vrienden te zijn met [verdachte] , dit volgt uit de tekst ‘Om te zien wat ze met haar vrienden deelt, stuur je haar een vriendschapsverzoek’ (pagina 71). Voorts is zichtbaar dat de gebruiker van deze Facebook pagina zelf de link op Facebook heeft geplaatst, dit blijkt uit de opmaak van het bericht en de tekst: ‘ [verdachte] heeft een link gedeeld’ (p. 71).”
eerste middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de in de bewezenverklaring onder het eerste gedachtestreepje vermelde uitlatingen zijn gedaan ‘met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven’, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.
tweede middelvalt uiteen in twee klachten en betreft de bewezenverklaring na het tweede gedachtestreepje. De eerste klacht luidt dat het hof ten onrechte, althans op ontoereikende gronden heeft geoordeeld sprake is van ‘telastelegging van bepaalde feiten’ als bedoeld in art. 261, eerste lid, Sr. Met de tweede klacht komt het middel op tegen het oordeel van het hof dat sprake is van ‘verspreiding door middel van een geschrift en/of afbeelding’ in de zin van art. 261, tweede lid, Sr.
social media-pagina kan worden aangemerkt als ‘verspreiding door middel van een geschrift en/of afbeelding’ als bedoeld in art. 261, tweede lid, Sr. Alvorens deze klacht inhoudelijk te bespreken, geeft de schriftuur mij aanleiding om kort stil te staan bij de verhouding tussen smaad (art. 261, eerste lid, Sr) en smaadschrift (art. 261, tweede lid, Sr).
social media-pagina aan te merken als een dergelijke vorm van verspreiding, berust de klacht dan ook op een verkeerde lezing van het arrest.
social mediaals smaad is gekwalificeerd, niet worden afgeleid dat het delen van een bericht op dergelijke websites niet (ook) onder de strafbaarstelling van het tweede lid van art. 261 Sr Pro kan vallen.
derde middelbevat de klacht dat het hof het door de verdediging gedane beroep op de exceptie van art. 261, derde lid, Sr op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden heeft verworpen.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde