Conclusie
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod”, 6. “
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”, 9. “
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II”, 10. “
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”, 11. “
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III” en 12 en 13. “
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Ten slotte heeft het hof een inbeslaggenomen maar nog niet teruggegeven Volvo, zoals nader in het arrest omschreven, verbeurd verklaard.
eerstemiddel komt op tegen de verwerping van het verweer, inhoudende dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk diende te worden verklaard.
27.Op 15 juni 2015 deelde de advocaat-generaal mij het volgende mee:
‘Mijn voornemen was om de niet-ontvankelijkheid van het OM te vorderen. Ik heb het Hof daarvan op de hoogte gesteld. U weet dat de Hoge Raad geen voorstander is van niet-ontvankelijkheid in geval van onredelijke vertraging in strafzaken. Het kan wel, maar dan moet er meer aan de hand zijn dan alleen de vertraging. Dat valt is in deze zaak ook wel uit te leggen. Ik weet ook dat het in deze strafzaak hoogstwaarschijnlijk niet tot cassatieberoepen zal komen. Toch lijkt het mij (achteraf) verstandiger als door u een verzoek beëindiging van de strafzaak wordt ingediend. (...) Mocht u daaromtrent geen contact met uw cliënt kunnen krijgen, dan zal ik -uiteraard- in plaats van toewijzing van het verzoek 36 Sv alsnog de niet-ontvankelijkheid van het OM vorderen. Maar ik meen dat de weg via 36 Sv beter is (ook ivm. precedentwerking van een eventuele wat moeizame ontvankelijkheidsbeslissing). Graag reken ik op uw medewerking.’
28.Ik heb daarop namens cliënt laten weten, op 17 juni 2015:
30.Op 6 juli 2015 liet de advocaat-generaal het volgende weten:
nummer [0006] . Boven dit nummer stond de naam ' [betrokkene 4] ' geschreven.
die respectievelijk grijsbruin, oranjebruin, donkerbruin, bruin of lichtbruin poeder bevatten.
tweedemiddel klaagt dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv heeft verzuimd (in het bijzonder) de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, inhoudend dat de verklaringen van de onder codenummers B1002, B1040, A1274 en A1275 bekende opsporingsambtenaren dienen te worden uitgesloten van het bewijs wegens schending van art. 6 EVRM Pro.
Verzoek om bewijsuitsluiting van de verklaringen van de informanten .
NJ1999/88 m.nt. Reijntjes. In dat arrest heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat het zich laat denken ‘dat aan de wijze van totstandkoming of aan de inhoud van een door de rechter ingevolge art. 226a en/of 226b Sv ten aanzien van een getuige gegeven bevel dat ter gelegenheid van het verhoor van die getuige diens identiteit verborgen wordt gehouden zodanige fundamentele gebreken kleven dat gebruikmaking door de zittingsrechter van de resultaten van het nadien op de voet van art. 226d Sv afgenomen verhoor van deze getuige, zou indruisen tegen het recht van de verdachte op een eerlijk proces’. [8] Het hof heeft dit arrest (zij het onder verwijzing naar een verkeerde vindplaats) vermeld in de overweging waar het middel zich tegen keert. Maar de toelichting op het middel stelt terecht vast dat het hof heeft nagelaten met zoveel woorden te beslissen dat aan de bevelen tot het ter gelegenheid van het verhoor van de bedreigde getuigen verborgen houden van hun identiteit niet zodanige fundamentele gebreken kleefden dat gebruikmaking door de zittingsrechter van de resultaten van het nadien afgenomen verhoor zou indruisen tegen het recht van de verdachte op een eerlijk proces. Het hof heeft vaststellingen gedaan in verband met de wijze waarop het verhoor heeft plaatsgevonden, niet ten aanzien van de wijze van totstandkoming of inhoud van de bevelen die door de rechter ingevolge art. 226a en/of art. 226b Sv zijn gegeven.
NJ1999/88 heeft geformuleerd, kunnen tegen deze achtergrond worden benaderd als een aanvulling op dan wel invulling van de rechtsregels inzake de toepassing van art. 359a Sv die de Hoge Raad (later) heeft geformuleerd in HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533,
NJ2004/376 m.nt. Buruma en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321,
NJ2013/308.
NJ1999/88 zich ook goed in die systematiek inpassen. De Hoge Raad stelt voorop dat de wetgever de vraag of de rechter-commissaris een getuige als een bedreigde getuige heeft aangemerkt, heeft willen onttrekken aan het oordeel van de zittingsrechter. En dat het hof terecht heeft geoordeeld dat een hernieuwde toetsing aan de voorwaarden tot het verlenen van de status van bedreigde getuige door de zittingsrechter in strijd is met de wettelijke regeling. Deze beperking van de mogelijkheden van de zittingsrechter om de rechtmatigheid van beslissingen in het voorbereidend onderzoek te toetsen, kan worden aangemerkt als een uitvloeisel van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Dat de Hoge Raad uit het concept van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen beperkingen van de reikwijdte van de toetsing als bedoeld in art. 359a Sv afleidt, blijkt met zoveel woorden uit HR 30 maart 2004,
NJ2004/376, rov. 3.4.2. Dat de Hoge Raad vervolgens toch een uitzondering maakt voor het geval waarin aan de wijze van totstandkoming of inhoud van het bevel ‘fundamentele gebreken’ kleven, past goed bij het onderscheid tussen verschillende ‘redenen’ waarom de rechter gebruik kan maken van de bevoegdheid tot bewijsuitsluiting dat in HR 19 februari 2013,
NJ2013/308 wordt gemaakt. ‘Toepassing van bewijsuitsluiting kan noodzakelijk zijn ter verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces’, stelt Uw Raad daarin voorop (rov. 2.4.4). Dat rechtvaardigt zelfs dat de mogelijkheid van een inbreuk op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen open wordt gehouden.
NJ2004/376, rov. 3.7). Bij schending van het consultatierecht geldt een uitzondering op deze regel (HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1233). Maar de Hoge Raad heeft verweren die strekken tot bewijsuitsluiting en die een beroep doen op schending van art. 6 EVRM Pro niet generiek van deze stelplicht uitgezonderd. [11]
solely or to a decisive degreegebaseerd is op verklaringen van een getuige die de verdediging niet heeft kunnen ondervragen (rov. 42). Over bewijsuitsluiting wordt niet gerept. [12]
derde middelklaagt dat het hof de bewezenverklaring van feit 1 heeft doen steunen op de onder codenummer B1040, B1002, A1275 en A1274 afgelegde verklaringen van opsporingsambtenaren, zonder daarvan in het bijzonder de redenen op te geven.
beperkt anonieme getuigen.Uit het arrest wordt niet meteen duidelijk welke getuigen als beperkt anonieme getuigen zijn gehoord en welke getuigen als
bedreigde(en derhalve anonieme) getuigen zijn gehoord. Daarom heb ik het strafdossier geraadpleegd. Daarin bevinden zich de processen-verbaal van verhoor van getuigen bij de rechter-commissaris alsmede een daaraan voorafgaande beschikking waaruit blijkt dat de opsporingsambtenaren A1274 en A1275 door de rechter-commissaris zijn aangemerkt als
bedreigdegetuige als bedoeld in art. 226a Sv, terwijl B1002 en B1040 op basis van art. 190, tweede lid, Sv zijn gehoord als
beperkt anonieme getuige. Dientengevolge gaat het bij de achttien bewijsmiddelen die in de toelichting onder 1.2 worden genoemd slechts in vier gevallen om processen-verbaal van bevindingen van beperkt anonieme getuigen. [13] Ik zal mij in het navolgende eerst richten op deze vier bewijsmiddelen. Daarna zal ik bekijken of voor de processen-verbaal van opsporingsambtenaren die later als bedreigde getuige zijn gehoord vergelijkbare motiveringseisen gelden.
beperkt anoniemzijn gehoord zijn in de door hen opgemaakte en tot het bewijs gebezigde processen-verbaal niet bij naam, maar bij codenummer (B) aangeduid. Uit de tekst van art. 360 Sv Pro volgt niet dat de rechter ‘in het bijzonder reden’ behoeft op te geven van het gebruik van deze processen-verbaal als bewijsmiddel. Om ‘schriftelijke bescheiden als bedoeld in art. 344a, derde lid’, Sv gaat het niet. Van een ‘persoon wiens identiteit niet blijkt’ is namelijk geen sprake als vaststaat dat deze persoon zodanig kan worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst zijn verhoor als getuige door de rechter-commissaris of ter terechtzitting kan verzoeken. [14] Uit het in de toelichting op het middel genoemde HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:230,
NJ2014/362 m.nt. Reijntjes kan evenwel worden afgeleid dat de omstandigheid dat een onder codenummer verbaliserende opsporingsambtenaar naderhand door de rechter-commissaris op de voet van art. 190, derde lid, Sv is verhoord, meebrengt dat het motiveringsvoorschrift van art. 360, eerste lid, Sv ook van toepassing is op de processen-verbaal die deze persoon eerder heeft opgemaakt.
begeleiders” van de betrokken informanten. Hieruit volgt m.i. genoegzaam dat het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de reden voor de beperkte anonimiteit van de getuigen voortvloeit uit de functie van een onder codenummer aangeduide opsporingsambtenaar die leiding geeft aan een politieel infiltratieteam.
NJ2014/362, waar de Hoge Raad uit de overweging van het hof afleidde dat het ‘kennelijk en niet onbegrijpelijk (heeft) geoordeeld dat de reden voor de beperkte anonimiteit (van de getuige) voortvloeit uit de functie van een onder codenummer aangeduide opsporingsambtenaar die deel uitmaakt van een politieel infiltratieteam. Het hof had in die zaak expliciet overwogen dat en waarom het de processen-verbaal die waren opgemaakt door de later als beperkt anonieme getuige gehoorde opsporingsambtenaar als betrouwbaar had aangemerkt. Aan de reden voor het toekennen van beperkte anonimiteit was niet een expliciete overweging gewijd. Dat ook bij leidinggevenden bij een politieel infiltratieteam de functie een toereikende rechtvaardiging vormt voor het toekennen van beperkte anonimiteit komt mij zo vanzelfsprekend voor dat het niet uitgeschreven behoeft te worden.
bedreigdegetuige zijn gehoord vergelijkbare motiveringseisen gelden als voor de processen-verbaal van opsporingsambtenaren die later beperkt anoniem gehoord zijn. Mij komt het voor dat dat niet het geval is. Bij de bedreigde getuige vloeit, zo heeft Uw Raad geoordeeld, uit art. 360 Sv Pro voort ‘dat de rechter in zijn uitspraak in het bijzonder de reden opgeeft waarom de desbetreffende verklaring naar zijn oordeel betrouwbaar is, alsmede dat is voldaan aan de (..) in art. 344a, tweede lid, Sv gestelde voorwaarden voor het gebruik voor het bewijs van een dergelijke verklaring’ (HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5471,
NJ2007/38 m.nt. Schalken). Indien en in zoverre uit de ambtshalve motiveringsplicht bij bedreigde getuigen consequenties voortvloeien voor processen-verbaal die deze getuigen eerder hebben opgemaakt, zou het in de rede liggen te eisen dat ambtshalve aandacht wordt besteed aan de betrouwbaarheid van deze processen-verbaal. Want de bewijskracht van deze processen-verbaal wordt door de wet niet beperkt op vergelijkbare wijze als de bewijskracht van ‘een proces-verbaal van een verhoor bij de rechter-commissaris, houdende de verklaring van een persoon die als bedreigde getuige is aangemerkt’.
NJ2015/61 (rov. 2.6) heeft aanvaard dat de nietigheid die het vierde lid van art. 360 Sv Pro stelt op het verzuim de in het eerste lid bedoelde motivering te geven, onder omstandigheden buiten toepassing kan blijven ten aanzien van de getuige bedoeld in art. 216a, tweede lid, Sv. Nu de betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebezigde verklaring niet gemotiveerd was betwist, was voor nietigheid van de bestreden uitspraak naar het oordeel van Uw Raad onvoldoende aanleiding. Daarmee werd het verschil in benadering van een verklaring die door een getuige jonger dan zestien jaar wordt afgelegd tegenover de rechter-commissaris respectievelijk de politie verminderd door het contradictoire aspect in de toepassing van art. 360 Sv Pro te verdisconteren. In het geval Uw Raad de ambtshalve motiveringsplicht van art. 360 Sv Pro zou willen doortrekken naar processen-verbaal die onder code zijn opgemaakt door opsporingsambtenaren die later als bedreigde getuige gehoord zijn, zou het mijn voorkeur hebben dat bij de benadering van dit arrest wordt aangesloten, zodat slechts een ambtshalve motivering wordt geëist als het gebruik van de processen-verbaal voor het bewijs is betwist.
vierde middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, op de grond dat het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.
tezamen en in vereniging met een ander of anderen” het stroomstootwapen voorhanden heeft gehad. Voor de op het feit gestelde straf maakt het evenwel geen verschil of van plegen of van medeplegen sprake is (vgl. art. 55 WWM Pro). En de landelijke oriëntatiepunten merken het medeplegen van het onderhavige delict niet als een strafvermeerderende factor aan. Tegen die achtergrond heeft de verdachte onvoldoende belang bij het middel. [17]
vijfde middelklaagt over een overschrijding van de inzendtermijn in de cassatiefase, op de grond dat de stukken van het geding niet tijdig naar de griffie van de Hoge Raad zijn gezonden.