AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Onrechtmatige daad door verzwijging omvang huwelijksvermogen bij verdeling gemeenschap van goederen
De zaak betreft een geschil tussen een man en vrouw die in 1967 in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd en in 1993 zijn gescheiden. De vrouw vordert schadevergoeding omdat de man bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap heeft verzwegen dat hij beschikte over een aanzienlijk vermogen dat in de gemeenschap viel.
De rechtbank wees de vordering af, maar het hof verwierp het beroep van de man op verjaring en oordeelde dat de man onrechtmatig had gehandeld door de vrouw niet volledig te informeren over de omvang van het huwelijksvermogen. Het hof stelde vast dat de vrouw daardoor aanzienlijk minder had ontvangen dan haar rechtens toekwam en veroordeelde de man tot schadevergoeding.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat de man onrechtmatig heeft gehandeld en wijst het cassatieberoep van de man af. Het hof mocht bewijsaanbiedingen van de man passeren omdat deze betrekking hadden op reeds bindend vastgestelde feiten. De verdeling bij helfte blijft uitgangspunt, ondanks dat de vrouw mogelijk met minder genoegen had genomen als zij volledig was geïnformeerd.
De zaak benadrukt het belang van volledige en waarheidsgetrouwe informatieverstrekking bij de verdeling van huwelijksgoederen en bevestigt dat een onrechtmatige daad kan worden aangenomen bij verzwijging van de juiste vermogensomvang.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen; hij is onrechtmatig jegens de vrouw gehandeld en moet schadevergoeding betalen.
Voetnoten
1.HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1488, NJ 2007/62; het arrest is besproken door K.J.O. Jansen in MvV 2007-2, p. 40-42. 2.Vgl. rov. 4.4.5 van het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 1 maart 2005.
3.De woning te [plaats] en de Volkswagen Polo.
4.In het convenant is het maandelijks te betalen bedrag aangeduid als ‘alimentatie’ , met een niet-wijzigingsbeding; zie rov. 2.7 van het tussenarrest van 23 maart 2010, waar het hof de tekst van het convenant weergeeft, en rov. 2.9 en 2.10 van dat tussenarrest voor de partijstandpunten.
5.Met ‘het verzoek’ bedoelt het hof kennelijk: het verzoek van de man om terug te komen van overwegingen in het tussenarrest van 1 juli 2014 over het karakter van de maandelijkse betalingsverplichting van de man; vgl. rov. 2.1 van het eindarrest.
6.Het subonderdeel verwijst in dit verband naar de volgende passage in de brief:
7.Het subonderdeel verwijst naar de woorden
8.Het subonderdeel verwijst naar de antwoordakte na comparitie (van 3 maart 2015), onder 8. Aldaar heeft de man opgemerkt dat de vrouw de mededeling (dat de maandelijkse betaling voor haar een vormgeving van boedelscheiding was en niets met alimentatie van doen had) bewust en vrijwillig heeft gedaan, zonder dat hiertoe aanleiding was.
9.In de antwoordakte na comparitie (van 3 maart 2015) onder 10 heeft de man zijn bewijsaanbod herhaald.
10.De man verwijst hierbij naar een aantal specifieke stellingen, aangeduid met a t/m f.
11.Vgl. HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005/270 m.nt. W.D.H. Asser; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein en Wesseling-van Gent 4 2012/209. 12.Zie in deze zin: de s.t. namens de vrouw, onder 2.25.
13.Vgl. in dit verband HR 8 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1224, NJ 2016/218 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.7.2: “(…) Indien een geïntimeerde voor het eerst een verweer voert nadat de grenzen van de rechtsstrijd in de memories van grieven en van antwoord in beginsel zijn afgebakend en het hof op basis daarvan een bindende eindbeslissing omtrent een geschilpunt heeft gegeven, terwijl hij dat verweer eerder had kunnen en moeten voeren en het mede ertoe strekt dat het hof terugkomt van die eindbeslissing, handelt hij in strijd met de eisen van een goede procesorde en met het daarin besloten liggende beginsel van concentratie van het processuele debat, tot uitdrukking komend in de tweeconclusieregel. Dit geldt ook voor een geval als het onderhavige, waarin dat verweer niet kan worden aangemerkt als een nieuwe grief (…)”. 14.Vgl. omtrent het prognoseverbod o.m. HR 13 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2579, NJ 1999/560 m.nt. H.J. Snijders, alsmede Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/214. 15.Vgl. de conclusie van de plaatsvervangend P-G De Vries Lentsch-Kostense, ECLI:NL:PHR:2013:792, onder 11, 16 en 17. 16.Het subonderdeel zoekt steun in de brief van notaris Tijssen van 14 september 2004, waarin deze had opgemerkt
17.Het subonderdeel verwijst in dit kader naar de antwoordakte na comparitie, onder 20.
18.Het subonderdeel verwijst naar bijlage 1 bij het deskundigenbericht van mevrouw Briggeman d.d. 18 januari 2013 (nr. 60A in het aan de Hoge Raad overgelegde partijdossier B).