Conclusie
1.COÖPERATIEVE RABOBANK MAASTRICHT E.O. U.A.,
2.COÖPERATIEVE RABOBANK ZEEUWS-VLAANDEREN U.A.,
3.COÖPERATIEVE CENTRALE RAIFEISEN-BOERENLEENBANK B.A.,
gevestigd te Amsterdam,
1.STICHTING RESTSCHULD EERLIJK DELEN,
2.[verweerder 2], tevens h.o.d.n. Uitgeverij Boektotaal,
1.Feiten
'De Verpanding’ (hierna: het boek) aan de pers gepresenteerd. Daarna is het boek verspreid. In de colofon van het boek staat vermeld dat RED de uitgever is.
“Hoe de Rabobank op de kunst van haar klanten jaagt - Kunst verdwijnt waar Rabo verschijnt”. Deze ondertitel is op de voorkant van de omslag van het boek afgedrukt.
www.keerdebank.nl(hierna: de website) aanvullend materiaal geplaatst, waaronder de onder 1.7 genoemde geluidsopname en een brief van [betrokkene 1] van 16 maart 2015 aan de directie van Rabobank.
2.Procesverloop
3.Het cassatieberoep: algemeen
Ontvankelijkheid
veronderstellenderwijs van[zal]
uitgaan dat Rabobank in deze procedure voor haar (oud-) werknemers optreedt en kan optreden’. Op grond hiervan heeft het hof Rabobank ontvankelijk geacht in haar vorderingen. Tegen deze beslissing heeft RED geen (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld. Dit brengt mee dat zij niet alsnog bij pleidooi in cassatie hiertegen een klacht kan aanvoeren. Uit art. 427 lid 2 jo Pro. art. 426a lid 2 Rv vloeit immers voort dat indien verweerder in cassatie van zijn kant klachten wenst aan te voeren, hij deze in zijn cassatieverweerschrift dient op te nemen. Daarna kunnen geen nieuwe klachten meer worden aangevoerd, behoudens bijzondere omstandigheden. [5] Niet gesteld of gebleken is dat dergelijke omstandigheden zich hier voordoen. De beslissing van het hof dat Rabobank namens haar (oud-)werknemers optreedt en kan optreden, is in cassatie dan ook niet meer aan de orde.
embedded link’ op de facebookpagina van RED is gepost, las acteur [betrokkene 3] de in het boek genoemde namen van de (oud-) medewerkers van Rabobank opzettelijk en met nadruk voor. Rabobank heeft hier in paragraaf 7 van de memorie van antwoord op gewezen. In hoger beroep is het fragment zelf echter niet getoond en evenmin is hiervan een transcriptie overgelegd. Het fragment dient bij de beoordeling in cassatie dan ook buiten beschouwing te worden gelaten.
De Verpanding, dat gaat over gestelde misstanden bij (afdelingen Bijzonder Beheer van lokale vestigingen van) Rabobank, de echte namen van individuele medewerkers van de bank mogen worden vermeld. De vorderingen van Rabobank strekken ertoe dat het boek niet met zijn oorspronkelijke inhoud – dat wil zeggen met vermelding van namen van individuele medewerkers – wordt gepubliceerd. Rabobank vordert dus géén algeheel verbod van het boek, maar slechts verwijdering van de namen van haar medewerkers uit boek en website. Voordat de cassatieklachten tegen het afwijzende oordeel van het hof zullen worden besproken, zal eerst het juridisch kader worden geschetst dat geldt voor vorderingen als hier aan de orde. [6]
public watchdog’) vervult. [7] Uitingen in de pers mogen om die reden ook schokkend, verontrustend of beledigend zijn. [8] De wijze waarop de pers te werk gaat bij de vervulling van zijn functie als ‘
public watchdog’, is in beginsel vrij (‘journalistieke vrijheid’). [9] Het EHRM neemt voorts tot uitgangspunt dat de journalistieke vrijheid, zoals beschermd in art. 10 lid 1 EVRM Pro, verder strekt dan de bescherming van een objectieve en ingetogen wijze van verslaggeving van feiten:
“(…) In addition, the Court is mindful of the fact that journalistic freedom also covers possible recourse to a degree of exaggeration, or even provocation (…)”. [10]
questions of public interest’). In dat geval bestaat weinig ruimte voor een beperking van de vrijheid van meningsuiting. [12] Bij de beoordeling van de vraag of een beroep kan worden gedaan op artikel 10 lid 2 EVRM Pro neemt de persvrijheid een bijzondere plaats in omdat de pers bij het vervullen zijn
‘vital role’van
‘public watchdog’moet kunnen spelen. [13]
[A/B]volgt dat niet alleen de pers maar ook een individu aanspraak heeft op bescherming van de vrijheid van meningsuiting als hij of zij zich tot het publiek wendt met een publicatie die het algemeen belang betreft. [14] De Hoge Raad heeft dit in het genoemde arrest gekoppeld aan het oordeel dat de betreffende publicatie - een op internet gepubliceerde open brief van publiciste Pamela Hemelrijk - op één lijn te stellen is met een perspublicatie. Annotator Dommering verzet zich tegen deze gelijkstelling, maar dit doet niet af aan het uitgangspunt dat ook een particuliere auteur als Hemelrijk zich kan beroepen op art. 10 EVRM Pro.
ethics of journalism’:
public watchdog’dient te worden beoordeeld aan de hand van de zorgvuldigheidsnorm. Het overtreden van aan de beroepsethiek ontleende normen of journalistieke codes kan worden betrokken bij de afweging of een beperking van de persvrijheid als noodzakelijk moet worden beschouwd. [16] Of een publicatie in overeenstemming is met aan de journalistieke beroepsethiek ontleende voorwaarden of normen, is dus een factor bij de beoordeling van de vraag of met succes art. 10 EVRM Pro kan worden ingeroepen. Dat betekent dat overtreding van dergelijke voorwaardes of normen niet noodzakelijkerwijs tot de conclusie leidt dat geen beroep op art. 10 EVRM Pro kan worden gedaan. Dit volgt ook het arrest
Pretium/Tros, waarin de Hoge Raad overwoog dat (overtreding van) journalistieke maatstaven (in dat geval: het gebruik van verborgen opnameapparatuur) een omstandigheid is die gewicht in de schaal zal leggen bij de door de rechter te verrichten afweging, maar daarbij niet doorslaggevend behoeft te zijn. [17] De aard en ernst van de in de media geuite beschuldigingen kunnen met zich brengen dat er hogere eisen aan deze zorgvuldige toetsing van de feiten worden gesteld:
The Court must therefore examine whether the applicants acted in good faith and complied with the ordinary journalistic obligation to verify a factual allegation. This obligation required that they should have relied on a sufficiently accurate and reliable factual basis which could be considered proportionate to the nature and degree of their allegation, given that the more serious the allegation, the more solid the factual basis has to be.” [18]
presumption in favour’ voor één van beide rechten bestaat. Het criterium is of de nationale rechter een ‘
fair balance’tussen beide rechten heeft gevonden door afweging van de bijzondere omstandigheden van het geval. [20]
Gemeenteraadslid-arrest. [21] De Hoge Raad overwoog daarin:
Bij een botsing tussen enerzijds het recht op vrijheid van meningsuiting en anderzijds het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, moet het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in het concrete geval zwaarder weegt, worden gevonden door een afweging van alle terzake dienende omstandigheden van het geval. Daarbij komt aan de positie van de pers bijzondere betekenis toe gelet op enerzijds de taak van de pers om informatie en ideeën van publiek belang te verspreiden en om zijn vitale rol van publieke waakhond te spelen, en anderzijds gelet op het recht van het publiek informatie en ideeën te ontvangen. Bij genoemde afweging geldt niet als uitgangspunt dat voorrang toekomt aan het door art. 7 Gw Pro en art. 10 EVRM Pro gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting. Voor de door art. 8 EVRM Pro beschermde rechten geldt hetzelfde. De toetsing dient in één keer te geschieden waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle terzake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van art. 10 lid 2 EVRM Pro, dan wel art. 8 lid 2 EVRM Pro.”
Gemeenteraadslid-arrestheeft de Hoge Raad een aantal in aanmerking te nemen omstandigheden genoemd:
Gemeenteraadslid-arrestis niet limitatief. [23] Zowel de rechtspraak van het EHRM als de nationale rechtspraak laten zien dat, in andere situaties dan in het
Gemeenteraadslid-arrestaan de orde, een scala aan andere omstandigheden gewicht in de schaal kan leggen. [24] Voorbeelden van mogelijk relevante omstandigheden zijn:
public figureis. Een
public figuremoet een grotere inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer tolereren dan een gewone burger. Met name politici zullen veel moeten kunnen incasseren. [25]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste klacht(sub I.2 en I.3) wordt aangevoerd dat het hof blijk gegeven heeft van een onjuiste rechtsopvatting door het gebruik van de namen in het boek niet in samenhang te lezen met de omslag, de aan het boek gekoppelde website ‘www.keerdebank.nl’ en de ondertitel
“Hoe de Rabobank op de kunst van haar klanten jaagt Kunst verdwijnt waar Rabo verschijnt.”
Salumäki/Finland, [38] waarin het EHRM oordeelde over een perspublicatie waarvan de titel een ernstige insinuatie bevatte, die vervolgens werd weggenomen door de inhoud van de publicatie. Desondanks achtte het EHRM de publicatie niet toelaatbaar. Uit deze uitspraak volgt echter niet dat een nuancering van de titel in de onderliggende tekst
nooitzou kunnen worden meegewogen. Het oordeel van het EHRM in de aangehaalde zaak moet worden gelezen in de context van die zaak. Het ging daar om een krantenartikel waarvan de titel de suggestie wekte van betrokkenheid van een met volledige naam aangeduide persoon bij moord, terwijl – zo bleek aan het slot van de inhoud van het artikel – vast stond dat van betrokkenheid in werkelijkheid geen sprake was. In die zaak had de in de titel gesuggereerde, zeer ernstige, beschuldiging rechtstreeks betrekking op de betreffende persoon en nam het EHRM aan dat die beschuldiging '
highly damaging' was voor de reputatie van betrokkene. In de onderhavige zaak hebben de beschuldigingen (die veel minder zwaar zijn dan in de Finse zaak) met name betrekking op Rabobank en niet primair op haar medewerkers, zoals het hof heeft vastgesteld. Dat de beschuldigingen op de omslag wel enigszins op de medewerkers van Rabobank afstralen, heeft het hof uitdrukkelijk in zijn oordeel betrokken, maar in zijn afweging onvoldoende zwaarwegend geacht (zie rov. 4.6).
tweede klacht(sub I.4) betoogt Rabobank dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het oordeelt dat de (door het hof vastgestelde) suggestie van diefstal, misleiding en/of intimidatie op de voorkant en de achterkant van de omslag van het boek slechts op de in het boek genoemde personen kan afstralen als die personen ook op de omslag van het boek worden genoemd.
kanafstralen. Het hof erkent juist dat de aan Rabobank gemaakte verwijten ook op de medewerkers afstralen, maar neemt daarbij in overweging dat hun goede naam daardoor slechts indirect wordt geraakt, wat de negatieve uitwerking op hun goede naam navenant minder groot maakt (rov. 4.4).
derde klacht(sub I.3, I.4 en I.6) houdt in dat het hof het aanvullend materiaal op de aan het boek gekoppelde website bij zijn oordeel had moeten betrekken en boek en website in onderlinge samenhang had moeten beoordelen. Voorts zou het hof voorbij zijn gegaan aan essentiële stellingen die tot het oordeel leiden dat het noemen van namen van de (oud)medewerkers in het boek, op de website en in de aldaar toegankelijke geluidsopnamen onrechtmatig is. Daarbij gaat het om de volgende omstandigheden:
a. De ondertitel op de voorkant van de omslag bevat een ernstige beschuldiging, evenals de achterkant van de omslag.
vierde klacht(sub I.7) wordt erop gewezen dat het hof zijn focus ten onrechte legt op beschuldigingen van (ernstige) misdrijven, terwijl andere beschuldigingen evenzeer negatief kunnen uitwerken op de goede naam van de (oud-)medewerkers van Rabobank en dat zij daarmee zelf ook in een kwaad daglicht worden gesteld.
tamelijk onwelwillend en hard is tegenover haar, door schuldenproblematiek geplaagde klanten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] is opgetreden zonder hen goed te informeren, met een focus op het eigen (bank-)belang, en met weinig oog voor de belangen van die klanten’ (rov. 4.3). Het hof stelt verder vast dat dit enigszins op de medewerkers afstraalt (rov. 4.4), maar dat hun eer en goede naam daardoor slechts indirect wordt geraakt waardoor de negatieve uitwerking op hun eer en goede naam navenant minder groot is. Het betreft hier verder een feitelijk oordeel dat niet onbegrijpelijk is en evenmin onvoldoende gemotiveerd.
vijfde klacht(sub I.7) aangevoerd dat Quote een artikel op Quotenet.nl heeft geplaatst met als titel
“Dit zijn de Rabobank-mannen die anoniem bedrijven 'kapotmaken’”met hyperlinks naar de LinkedIn-profielen van de betreffende (oud-) medewerkers. Wanneer deze omstandigheden in acht worden genomen is het oordeel van het hof (rov. 4.4) dat de negatieve uitwerking op de goede naam van de (oud-)medewerkers navenant minder groot is, onvoldoende gemotiveerd en/of is het hof voorbij gegaan aan voornoemde essentiële stellingen van Rabobank.
tweede onderdeelricht zich tegen rov. 4.5. Het hof overweegt daar het volgende:
“verklaring namens de betrokken (oud-)medewerkers van Rabobank”is opgenomen. Hierin is verklaard dat de (oud-)medewerkers ‘boos zijn dat hun goede naam zó door het slijk wordt gehaald’ en dat zij ‘gegriefd zijn door de verkeerde voorstelling van zaken’, maar over de concrete gevolgen daarvan voor hun privéleven of de uitvoering van hun werkzaamheden wordt daarin niets gezegd. Over zulke gevolgen is door Rabobank evenmin iets naar voren gebracht in het kader van haar in de punten 6 t/m 8 MvA ontvouwde stelling, dat na het in het bestreden vonnis uitgesproken verbod, de namen van de (oud-)medewerkers nog ‘even’ op internet/ sociale media te zien zijn geweest. Bij pleidooi in hoger beroep heeft Rabobank wel aangevoerd dat haar medewerkers hinder van het boek kunnen ondervinden bij het toch al lastige traject dat zij moeten doorlopen met andere cliënten die in aanraking komen met de afdeling Bijzonder Beheer. Gesteld noch gebleken is echter dat deze hinder specifiek de medewerkers treft die met naam in het boek worden genoemd en dus samenhangt met de gewraakte naamsvermelding. Daarnaast heeft Rabobank niet concreet gemaakt waaruit die hinder bestaat. Bij deze stand van zaken moet voorshands worden aangenomen dat het feit dat de medewerkers met hun namen in het boek zijn opgevoerd hen niet heeft gehinderd in hun privéleven en hooguit een beperkte hinder heeft opgeleverd bij de uitvoering van hun werkzaamheden."
mate van inbreukop het privéleven van betrokkene is. Daarbij gaat het er met name om wat de
gevolgenzijn of zijn geweest van de bewuste publicatie voor betrokkene. Zo overweegt het ERHM in de zaak
Von Hannover/Duitslanddat sprake is van ‘
a climate of continual harassment which induces in the person concerned a very strong sense of intrusion into their private life or even of persecution'. [44] Deze voortdurende, indringende schending van het privéleven van Von Hannover legt veel gewicht in de schaal bij de uiteindelijke conclusie van het Hof, dat sprake is van schending van art. 8 EVRM Pro. In andere zaken valt die afweging anders uit, omdat de gevolgen van de inbreuk op het privéleven door de publicatie niet ernstig zijn geweest. [45] Daarbij kan meewegen dat de geuite beschuldigingen niet persoonlijk zijn gericht tegen bij de name genoemde personen, [46] dat met betrekking tot de genoemde personen geen onnodig grievende woorden zijn gebruikt, [47] dat geen onnodige details over het privéleven van betrokkene zijn vermeld [48] of de schaal waarop de publicatie is verspreid. [49]
Rabobank stelt in het middelonderdeel dat zij de hinder voor de (oud-)medewerkers heeft gerelateerd aan de omstandigheid dat zij in relatief kleine gemeenten wonen en werken. In feitelijke instanties is dit echter niet aangevoerd. Uit de stukken blijkt wel dat Rabobank het hof heeft verzocht om het proces-verbaal van de zitting van 17 december 2015 aan te vullen met het standpunt dat de medewerkers als wonend en werkend in kleine gemeenten hinder hebben ondervonden, maar het hof heeft daarop geantwoord dat de raadsheren zich dat standpunt niet kunnen herinneren en dat het niet uit de aantekeningen van de griffier blijkt. [50] Aangenomen moet dan ook worden dat Rabobank dit standpunt niet ter zitting heeft aangevoerd, zodat het in cassatie geen rol kan spelen.
Ook overigens heeft Rabobank in feitelijke instanties niet geconcretiseerd of toegelicht waaruit de gestelde hinder voor haar medewerkers zou hebben bestaan, zodat het – feitelijke – oordeel van het hof dat voorshands moet worden aangenomen dat het feit dat de medewerkers met hun namen in het boek zijn opgevoerd, hen niet heeft gehinderd bij hun privéleven en hooguit een beperkte hinder heeft opgeleverd bij de uitvoering van hun werkzaamheden, niet onbegrijpelijk is.
Daarmee faalt het onderdeel.
('.. is subject to the proviso that they are acting in good faith in order to provide accurate and reliable information in accordance with the ethics of journalism’). Betoogd wordt dat het hof in dit verband ten onrechte geen betekenis heeft toegekend aan het feit dat de publicatie van het boek door RED is ingezet als drukmiddel en dat RED als belangenbehartiger van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] optreedt. Verder zou het hof hebben miskend dat RED in strijd heeft gehandeld met de Code van Bordeaux en de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek doordat het werk niet in onafhankelijkheid tot stand is gekomen. Dat blijkt ook daaruit, dat RED en [betrokkene 2] hebben laten weten dat publicatie van het boek kon worden voorkomen door betaling van een geldbedrag door Rabobank. Ten slotte wordt nog aangevoerd dat het noemen van de namen niet bijdraagt aan het aan de kaak stellen van de vermeende misstand en dat met het noemen van deze namen beoogd is om persoonlijk wraak op deze personen te nemen.
[A/B]dat het begrip perspublicatie ruim moet worden uitgelegd en dat sprake is van een perspublicatie indien de betreffende publicatie gericht is tot een breed publiek en tot doel heeft een algemeen belang te dienen. [51] Het hof heeft vastgesteld dat met het boek is beoogd om de behartiging van een algemeen belang te dienen. Het onderdeel richt zich niet tegen die vaststelling. Het hof heeft op grond daarvan vastgesteld dat sprake is van een perspublicatie. Dit is in overeenstemming met genoemd arrest van de Hoge Raad.
een factorvormt bij de beoordeling van de vraag of met succes de bescherming van art. 10 EVRM Pro kan worden ingeroepen (zie onder 4.15).
Verder heeft het hof wel degelijk meegewogen of is gehandeld in overeenstemming met aan de journalistieke beroepsethiek ontleende voorwaarden. In rov. 5.9 verwijst het hof naar
'de bij de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting behorende plichten en verantwoordelijkheden'; deze zijn volgens het hof niet veronachtzaamd. In dat kader overweegt het hof dan dat Rabobank de mogelijkheid heeft gekregen om een weerwoord te bieden, dat haar (oud-)medewerkers niet nodeloos vermeld zijn in het boek en dat van die vermelding geen ernstige gevolgen voor hen hoefden te worden verwacht. In rov. 5.5 had het hof al overwogen dat Rabobank zelf ervoor heeft gekozen geen reactie te geven, en in rov. 5.6 dat Rabobank niet, althans niet onderbouwd, heeft gesteld dat waar haar (oud-)medewerkers ten tonele zijn gebracht, dit gepaard is gegaan met feitelijke onjuistheden. Dit zijn onmiskenbaar elementen van de journalistieke beroepsethiek.
De stelling van Rabobank dat RED als belangenbehartiger van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] optreedt, is door het hof kennelijk meegewogen in rov. 5.5, waar het vaststelt dat het de lezer duidelijk is dat het boek is geschreven vanuit het perspectief van [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Daar tegenover plaatst het hof dan de omstandigheid dat Rabobank de gelegenheid is geboden om haar visie op de zaken [betrokkene 1] en [betrokkene 2] naar voren te brengen, maar dat zij niet op dat verzoek heeft willen ingaan.
De conclusie is dat ook de klachten van het derde onderdeel falen.
dat banken klanten onvoldoende informeren over wat de klant te wachten staat bij een bijzonder beheertraject en onvoldoende uitleggen hoe ze rekening houden met het belang van de klant bij het nemen van maatregelen', strookt met het verwijt aan Rabobank in het gewraakte boek, dat zij vragen vaak onbeantwoord liet. 's Hofs overweging dat de verwijten dat Rabobank zich vaak onwelwillend, hard en met weinig oog voor de belangen van de klant opstelde overeenkomen met de signalen die AFM had opgevangen en die voor haar aanleiding waren om een onderzoek in te stellen, sluit aan bij rov. 5.2. Daar overwoog het hof dat uit de aangedragen publicaties blijkt
'dat er in het algemeen een serieus probleem bestond/bestaat in de relatie tussen de afdelingen Bijzonder Beheer van banken en de klanten die met deze afdelingen werden/worden geconfronteerd', waaruit het hof concludeert dat het boek als een bijdrage aan het publieke debat kan worden gezien. Beide overwegingen zijn zeker niet onbegrijpelijk en hebben niet de door het middel veronderstelde strekking, dat in het AFM-onderzoek steun zou zijn te vinden voor verwijten die in het boek in de kwesties [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aan Rabobank worden gemaakt. Ook houden zij niet in dat de ernstige klachten op de omslag van het boek (diefstal, misleiding en intimidatie) steun vinden in het AFM-onderzoek. De omstandigheid dat de civiele rechter (met name in een door [betrokkene 1] aangespannen kort geding om de door Rabobank geëntameerde veiling tegen te houden) heeft geoordeeld dat Rabobank niet onrechtmatig handelde, doet dan ook verder niet ter zake. [54]
'fly-on-the-wall’-principe, waarmee wordt gedoeld op de verteltechniek waarbij
[de]lezer als het ware bij de gebeurtenissen aanwezig is en die er door wordt gekenmerkt dat minutieus verslag wordt gedaan van gebeurtenissen en dat personen met naam worden genoemd. Nu in
‘De Verpanding'deze in haar genre veelgebruikte en voor het uitdragen van de boodschap geschikt geachte vorm wordt gebruikt, kan niet worden gezegd dat de namen van de (oud-)medewerkers van Rabobank daarin nodeloos zijn genoemd; het vermelden daarvan vervult een functie in de gekozen en voor dit soort non-fictie uitingen als effectief aan te merken narratieve opzet."
Op het eerste gezicht zou men kunnen denken dat Rabobank hier een punt heeft en dat sprake is van een nodeloze inbreuk op de privacy van de betrokkenen. Toch meen ik, bij nadere beschouwing, dat de benadering van Rabobank niet juist is.
naastof
nabovengenoemde toets nog een afzonderlijke toets aan te leggen naar de vraag of het vermelden van de namen van de (oud-)medewerkers van Rabobank in het boek een legitiem doel diende en tevens noodzakelijk en proportioneel was. Ook is het niet juist om de vraag of de voorliggende publicatie (met namen) toelaatbaar is, te versmallen tot de vraag of het vermelden van die namen noodzakelijk en proportioneel was. Dat laatste is
onderdeelvan de uit te voeren 'totale' belangenafweging, waarbij gekeken moet worden naar de gehele context van de publicatie en alle relevante omstandigheden van het geval in acht moeten worden genomen. Eén van die omstandigheden is wat de gevolgen van de publicatie zijn voor betrokkene (zie onder 4.14). Uit de jurisprudentie van het EHRM waarnaar in het klachtonderdeel wordt verwezen, is niet iets anders af te leiden. [57] Dit brengt mee dat in de rechtspraak van het EHRM de balans soms doorslaat ten gunste van de vrijheid van meningsuiting (inclusief naamsvermelding), [58] en soms ten gunste van de bescherming van privacy, [59] afhankelijk van alle omstandigheden van het geval.
geen enkel doel dient– zou dat hebben
kunnenmeebrengen dat het vermelden van de namen achterwege had moeten blijven. [61] In het onderhavige geval wordt door het hof geoordeeld dat de namen
niet nodelooszijn genoemd, omdat '
het vermelden van de namen een functie vervult in de gekozen en voor dit soort non-fictie uitingen als effectief aan te merken narratieve opzet'. Het hof doelt daarmee op het '
fly-on-the-wall-principe' waarvan volgens RED gebruik is gemaakt bij het schrijven van het boek. [62] Het noemen van de namen was dus niet zonder reden.
Anders dan het middelonderdeel betoogt (sub IV.3) baseert het hof zijn oordeel dat de publicatie met namen toelaatbaar is, niet enkel op de vaststelling dat het noemen van de namen niet nodeloos is. Deze vaststelling is slechts één van de factoren die gewicht in de schaal legt bij de 'totale' belangenafweging, zoals deze door het hof is uitgevoerd.
Dit betekent – zoals altijd als een belangenafweging moet worden gemaakt – dat als één van de factoren in een ander geval anders moet worden gewogen, de uitkomst van de belangenafweging eveneens een andere is. Zo kan publicatie niet toelaatbaar zijn indien duidelijk is dat wél sprake zou zijn van ernstige gevolgen voor betrokkenen. Van een vrijbrief om individuele werknemers aan de publieke schandpaal te nagelen, is mijns inziens dan ook geen sprake. Daarmee moet ook het door Rabobank gestelde principiële karakter van de onderhavige zaak gerelativeerd worden.
a contrarioworden afgeleid dat personen die geen publieke bekendheid genieten, het recht hebben om niet bij naam genoemd te worden. Ook ten aanzien van deze personen dient een afweging plaats te vinden, [65] zoals het hof die heeft gemaakt. De vraag of betrokkene een
'public figure' is, is slechts een van de elementen die daarbij een rol speelt. [66]