Conclusie
1.Feiten en procesverloop
odour units) per kubieke meter bedraagt, waarmee de norm van 2,0 ou/m³ binnen de bebouwde kom aanzienlijk wordt overschreden. Wat betreft de aard van de geur, zou de genoemde geurbelasting ‘onaangenaam’ tot ‘zeer onaangenaam’ zijn conform de systematiek van NVN 2818 (rov. 2.8 – 2.9 tussenvonnis 29 februari 2012) [6] .
2.Bespreking van het cassatiemiddel
hindsight bias’: het verwijt dat het hof onvoldoende heeft onderkend dat sprake is geweest van een ontwikkeling, waarbij de normen voor stankoverlast vanuit (pluim)veehouderijen in de loop der jaren steeds verder zijn aangescherpt. Ten onrechte heeft het hof bij zijn oordeel over de (on)rechtmatigheid van de hinder zich niet georiënteerd op de objectieve normen die in de periode vóór 1 januari 2007 golden (de minimaal aan te houden afstand tot de recreatiewoningen van de woningeigenaren), maar in feite het toetsingskader van de eerst op 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) gehanteerd. Tot zover de klacht.
feitelijkeniveau van de geurhinder. Het hof heeft, ter beantwoording van de vraag of feitelijk sprake is geweest van stankoverlast waartegen de Wet milieubeheer bescherming beoogde te bieden, zich laten inspireren door de maatstaven voor geurhinder die in het rapport [A] zijn toegepast. Die maatstaven zijn geënt op de (eerst op 1 januari 2007 in werking getreden) Wet geurhinder en veehouderij. Uit het op die maatstaven gebaseerde resultaat van het onderzoek van [A] naar het niveau van de feitelijke geurhinder blijkt volgens het hof voldoende dat sprake was van een uit de inrichting komend onheil voor de woningeigenaren waartegen de Wet milieubeheer bescherming bood.
zonder meertot het oordeel leidt dat de betrokkene onrechtmatig jegens een derde handelt. Van belang is tot bescherming van wie de desbetreffende voorwaarde strekte [12] . Of, en zo ja, in hoeverre een overheidsvergunning invloed heeft op de beoordeling van de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van degene die overeenkomstig de vergunning handelt, hangt af van de aard van de vergunning en van het belang dat wordt nagestreefd met de regeling waarop de vergunning berust, één en ander in verband met de omstandigheden van het geval [13] . In het arrest van 10 maart 1972 is de Hoge Raad ingegaan op het doel van de toen geldende Hinderwet (later vervangen door de Wet milieubeheer). Hij heeft toen overwogen dat niet behoefde te worden onderzocht of de schade toebrengende partij zich aan de haar bij een Hinderwetvergunning opgelegde voorwaarden had gehouden: ook indien die voorwaarden niet zijn overtreden, kan sprake zijn van een op onrechtmatige wijze aan derden toegebrachte hinder [14] . Volgens een schrijver komt de vrijwarende werking van een vergunning in dit systeem eerst in beeld indien in het kader van de vergunningverlening dezelfde belangen zijn afgewogen als die, welke de burgerlijke rechter in aanmerking moet nemen bij de beoordeling van de vraag of de uitvoering van de vergunde activiteit rechtmatig of onrechtmatig is [15] .
feitelijkegeurhinderniveau en (b) het oordeel van [A] omtrent dat
feitelijkervaren geurhinderniveau. Onderdeel 2 faalt.