Conclusie
1.Feiten
preferred supplierrelatie aangingen waarbij BAM het voornemen heeft geuit om aanvragen voor een aanbieding zoveel mogelijk bij JMV te doen. Het raamcontract luidt onder meer als volgt:
Artikel 3. Verplichting Opdrachtnemer
A-G)omvatten onder meer:
2.Procesverloop
Let op juiste stand van de wissels." De werktreinbegeleider is meegereden in de cabine van de werktrein. Voor de cabine bevond zich een bak van tien à twaalf meter lang. Om vanuit de cabine het spoor te bekijken moest men dus over die bak heen kijken. Op een bepaald moment naderde de trein de betreffende wissel. De trein reed stapvoets. De eveneens in de cabine aanwezige machinist en de gereedschapsmachinist dachten dat de wissel goed stond, wat zij tegen de werktreinbegeleider hebben gezegd. De werktreinbegeleider heeft als laatste de wissel beoordeeld. Omdat hij dacht [dat] de wissel goed stond, heeft hij de machinist opdracht gegeven door te rijden. De wissel is vervolgens open gereden.
“let op de juiste stand van de wissels.” In tegenstelling tot hetgeen Zurich heeft gesteld is de rechtbank van oordeel dat de werktreinbegeleider hieruit niet kon afleiden dat hij moest uitstappen. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat [betrokkene 4], die in dienst was van BAM en die nacht instructies heeft gegeven, de werktreinbegeleider heeft geïnstrueerd uit te stappen. Eerst na het onderhavige voorval, per 4 maart 2008, heeft BAM een veiligheidsbericht uitgebracht waarin is vermeld dat de werktreinbegeleider bij iedere meerdelige wissel uitstapt en zich ervan overtuigt dat zowel het puntstuk als de tongen in de juiste stand liggen (productie 1 conclusie van antwoord). De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de werktreinbegeleider heeft gehandeld conform de op 19/20 februari 2008 geldende normen en instructies. Achteraf kan geconcludeerd worden dat de werktreinbegeleider de situatie niet goed heeft ingeschat en dat hij beter had kunnen uitstappen. Dit betekent echter nog niet dat sprake is van een fout in de hiervoor bedoelde zin. Dat in de A.I.O.V. onder meer is bepaald dat het werk moet worden uitgevoerd door voldoende vakbekwame werknemers en volgens de tekeningen en specificaties leidt evenmin tot een ander oordeel. Immers, niet is gebleken dat de werktreinbegeleider onvoldoende vakbekwaam was en evenmin dat hij zich niet aan de tekeningen en specificaties heeft gehouden. Zurich heeft ook overigens geen dan wel onvoldoende feiten gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat hij een andere keuze had moeten maken. Uit het rapport van het veiligheidsonderzoek dat BAM heeft uitgevoerd volgt weliswaar dat er die nacht mistflarden waren en dat het zicht 50 à 100 meter was (productie 5 dagvaarding), maar de werktreinbegeleider heeft in zijn verklaring vermeld dat het op het moment van het beoordelen van de bettreffende wissel niet mistig was en gesteld noch gebleken is - anders dan met een “achteraf” redenering - dat het zicht onvoldoende was om te mogen inschatten dat de wissel goed zichtbaar was vanaf de locomotief. Uit de verklaring van de gereedschapsmachinist volgt evenmin dat het zicht zo slecht was dat de wissel onvoldoende kon worden beoordeeld. Daarnaast is op het formulier genaamd melding bijzonder voorval (bijlage 1 bij het expertiserapport overgelegd bij dagvaarding) bij weersomstandigheden het vakje “
droog” aangekruist, terwijl het vakje “
mistig” niet is aangekruist.
steedsbij het controleren van een (iedere) wissel werd afgestapt, zoals nadien door BAM is voorgeschreven, maar wel staat vast dat de WTB-er moest afstappen wanneer niet goed kon worden gezien/beoordeeld of de wissel goed lag. [betrokkene 1] heeft dit ter comparitie ook verklaard, en heeft tevens verklaard dat op hem als WTB-er op de werktrein (waar hij vergezeld werd door de machinist Van Wijmeren en gereedschapsmachinist [betrokkene 3]) de (eind)verantwoordelijkheid rustte voor de beslissing of wel of niet over een wissel kon worden gereden omdat deze op grond van zijn (visuele) controle goed lag. Het schadevoorval vond plaats in de nacht, met hier en daar mistflarden. Volgens [betrokkene 1] was bij de onderhavige wissel geen mist maar wel veel vocht in de lucht en was het zicht 50 - 100 meter. Zoveel vorst als die nacht had [betrokkene 1] volgens zijn verklaring nog niet eerder meegemaakt. De spoorstaven waren door de vorst wit uitgeslagen. De trein reed langzaam als gevolg van de waarschuwing van [betrokkene 1] dat er een wissel aankwam. De trein was aan de voorzijde (voor de cabine waarin [betrokkene 1] zich bevond) voorzien van een lange bak (foto 2, blz 7 prod. 5 eerste aanleg, verklaring [betrokkene 1] ter cvp 1e aanleg). [betrokkene 1] heeft over deze bak heen gekeken naar de wissel en meende te kunnen zien dat deze goed lag. BAM heeft niet (concreet) geïnstrueerd dat hij moest afstappen, maar in de vorm van een Werktreininstructie (WTI), vooraf door de (eveneens van JMV/[A] afkomstige) Leider Werkplek Beveiliging verstrekte algemene instructies gegeven. Op de WTI stond “
let goed op de stand van de wissels". [betrokkene 1] wist, aldus zijn (onbetwiste) verklaring, dat hij een eigen taak en (eind)verantwoordelijkheid had voor de controle en als niet goed kon worden gezien of de wissel goed stond, moest worden gestopt en afgestapt voor de controle. Hoewel [betrokkene 1] zich hiervan bewust was, meende hij - naar is gebleken: ten onrechte - toch (voldoende) te kunnen zien dat de wissel goed lag en niet behoefde te worden afgestapt en gestopt.
3.Inleidende opmerkingen
RVS/Scheldebouw [5] uitdrukkelijk bevestigd dat een verzekeraar in een dergelijk geval subrogeert in rechten van de verzekerde op de voet van 6:10 BW. Het hof lijkt de vordering van Zurich ook op deze grondslag te hebben toegewezen. Het hof heeft geoordeeld dat JMV aansprakelijk is voor de ontstane schade op grond van art. 6:170 BW Pro, nu sprake is van een fout van een ondergeschikte van JMV ([betrokkene 1]) en ook sprake is van functioneel verband tussen de schade en de werkzaamheden van JMV. Daarna heeft het hof de onderlinge draagplicht tussen BAM en JMV vastgesteld. Het hof heeft in dat kader overwogen dat de schade in de interne verhouding (eveneens) door JMV dient te worden gedragen wanneer ook BAM op grond van art. 6:170 lid 1 BW Pro aansprakelijk is jegens Pro Rail (rov. 5.7). Tot slot heeft het hof overwogen dat de andere, contractuele, grondslag van de vordering van Zurich geen behandeling behoeft (rov. 5.8).
Rotterdamse politieagentvoldoende dat de formele werkgever (de gemeente) algemene bevoegdheden tot straffen, schorsing en ontslag toekwam. [20] Slechts in uitzonderlijke gevallen kan de formele werkgever zich met succes op grond van het zeggenschapscriterium tegen aansprakelijkheid verzetten (hierna 3.19 e.v.).
[...]/Gemeente Utrecht, waarbij aansprakelijkheid van de werkgever werd aangenomen voor letselschade ontstaan nadat de ene collega onverwacht de andere in de pauze in een soort houdgreep nam en deze probeerde los te komen. [26] Ook in de feitenrechtspraak wordt functioneel verband snel aangenomen. [27] Dit wordt in de regel in verband gebracht met (een of meer van de) ratio(nes) van art. 6:170 BW Pro (hiervoor 3.10), waarbij het belang van de getroffen derde(n) veel nadruk krijgt. [28] Opmerking verdient dat het functioneel verband-vereiste van art. 6:170 BW Pro ruimer wordt uitgelegd dan dat van art. 6:171 en Pro 6:172 BW, de aansprakelijkheden voor fouten van niet-ondergeschikten respectievelijk vertegenwoordigers, die beide eerder restrictief worden toegepast. [29]
Nieuw Rotterdam/Kruk en Goktas. [34] In die zaak was een werknemer, Goktas, door Kruk voor langere tijd uitgeleend aan Hoogovens. Hoogovens had Goktas opdracht gegeven tot het kapot branden van schroot, hetgeen tot schade leidde bij Nieuw Rotterdam. Deze sprak hiervoor Kruk als formele werkgever aan. Uw Raad stelde voorop dat de strekking van de voorloper van art. 6:170 BW Pro, art. 1403 BW Pro (oud), meebrengt dat de formele werkgever in beginsel niet van aansprakelijkheid wordt ontheven. De inlener, de derde die tijdelijk over de arbeid van de ondergeschikte kan beschikken kan wel mede aansprakelijk zijn voor schade ontstaan door fouten van die ondergeschikte (rov. 3.3):
geen enkelezeggenschap had over de gedragingen waarin de eventuele fout was gelegen. Of dat zo is, zal moeten worden afgeleid uit de contractuele verhouding tussen de inlener en de uitlener en de wijze waarop daaraan uitvoering wordt gegeven, alsmede de overige omstandigheden van het geval. [36] In latere rechtspraak heeft Uw Raad in dezelfde zin beslist. [37] Uit de feitenrechtspraak blijkt dat een formele werkgever niet snel aan aansprakelijkheid kan ontsnappen en dat het verweer dat iedere zeggenschap over de betrokken gedragingen ontbreekt, meestal niet slaagt. [38]
NJ-annotatie betoogd dat de mogelijkheden voor de gelaedeerde om zijn schade te verhalen hiermee afhankelijk zijn geworden van de contractuele verhouding tussen de formele en de materiële werkgever en de wijze waarop daaraan uitvoering wordt gegeven. Dat is volgens hem niet te verenigen met art. 6:170 BW Pro, dat er juist toe strekt de schadelijdende derde, die buiten deze contractuele verhouding staat en daarop geen zicht heeft, te beschermen. In dit verband wijst hij erop dat het begrip ‘zeggenschap’ uit art. 6:170 BW Pro breder is dan het door Uw Raad in dit arrest gehanteerde: het zeggenschapsbegrip uit art. 6:170 BW Pro is niet beperkt tot zeggenschap over de werkzaamheden die tot de schade hebben geleid. Klaassen [39] en Oldenhuis [40] hebben zich bij zijn kritiek aangesloten. Brunner meent dat het meer in overeenstemming is met de strekking van art. 6:170 BW Pro om uit te gaan van de regel dat de formele werkgever steeds aansprakelijk is en de derde (inlener) met hem, indien deze enige zeggenschap had verkregen en uitgeoefend over de gedragingen van de werknemer waarin de fout was gelegen. [41] Aan dit criterium van zeggenschap van de materiële werkgever zal volgens Brunner spoedig voldaan zijn. Een zekere organisatorische bevoegdheid lijkt in de regel voldoende te zijn.
Groot Kievitsdal [43] en
[...]/Gemeente Utrecht [44] al besproken. In het arrest
Daalimpex/Heeringawordt ook een ruime uitleg gegeven aan art. 6:170 BW Pro. In die zaak ging het om het volgende. Heeringa was in dienst bij Norder en ter beschikking gesteld aan Daalimpex. Hij was tijdens het werk, het lossen van een zeeschip, terecht gekomen onder een vorkheftruck die uit het ruim werd getakeld maar, zo bleek, niet goed was vastgemaakt. Heeringa liep door het ongeval ernstig letsel op en raakte arbeidsongeschikt. Het ongeval was het gevolg van een fout van Hooiveld. Hooiveld was in dienst bij Europa Kranen en eveneens ter beschikking gesteld aan Daalimpex. Heeringa sprak Daalimpex op grond van art. 6:170 BW Pro aan tot vergoeding van zijn (letsel-)schade als gevolg van de fout van Hooiveld. Daalimpex voerde als verweer dat zij niet de (formeel of materieel) werkgever was van Hooiveld. Het hof wees de vordering toe en nam daarbij onder meer in aanmerking dat het in de gegeven situatie, waarin ten behoeve van Daalimpex naast haar eigen werknemers ook werknemers van andere werkgevers werkzaam waren, op de weg van Daalimpex zou hebben gelegen om aan te tonen dat zij niet de bevoegdheid had Hooiveld voor deze werkzaamheden instructies te geven. Dat oordeel hield in cassatie stand. Aan de aansprakelijkheid van Daalimpex stond niet in de weg dat de werkzaamheden die tot de schade hadden geleid feitelijk werden uitgevoerd door ingeleende werknemers waarmee Daalimpex geen formele arbeidsovereenkomst had. [45] Hieruit volgt mijns inziens dat ook in (complexe) situaties van in-en uitleen een ruime toepassing van art. 6:170 BW Pro ten gunste van de schadelijdende partij in de rede ligt.
Kruk en Goktas-arrest past minder goed bij deze op slachtofferbescherming gerichte lijn. De praktische betekenis van deze ontsnappingsmogelijkheid is weliswaar beperkt, maar zij wordt incidenteel wel gehonoreerd, [46] zodat het hier niet om een puur academische kwestie gaat.
4.Bespreking van de klachten
Subonderdeel 1.1klaagt dat het hof heeft miskend dat ter beantwoording van de vraag of [betrokkene 1] onzorgvuldig en onrechtmatig heeft gehandeld, moet worden onderzocht of [betrokkene 1] ProRail aan een groter risico heeft blootgesteld dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord was, en dat daarbij alle relevante omstandigheden van het geval moeten worden betrokken. In de daaropvolgende subonderdelen wordt betoogd waarom het hof bepaalde omstandigheden ten onrechte in zijn oordeel heeft betrokken, dan wel ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. In het navolgende bespreek ik de verschillende subonderdelen. Daarbij heb ik, waar daartoe aanleiding bestond, sommige subonderdelen samengenomen.
subonderdeel 1.1merk ik het volgende op. Het hof heeft in rov. 5.2 (slot) en 5.3 onbestreden overwogen dat onderzocht moest worden of [betrokkene 1] onrechtmatig heeft gehandeld door de trein niet tot stilstand te laten brengen en af te stappen en de stand van de wissel te controleren, waardoor schade aan de wissel is ontstaan. In deze overweging ligt besloten dat het hof heeft beoordeeld of [betrokkene 1], gegeven de gevaarlijke situatie en de kans dat schade zou ontstaan, anders had moeten handelen dan hij gedaan heeft. Hieruit blijkt dat het hof onder ogen heeft gezien dat gevaarscheppend gedrag (slechts) onrechtmatig is indien de mate van waarschijnlijkheid van schade als gevolg van dat gedrag zo groot is dat de betrokkene zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden. [51] Het hof heeft bij de invulling van deze maatstaf, zoals ook hierna zal blijken (hierna 4.5-4.16), alle door partijen naar voren gebrachte omstandigheden beoordeeld, waarbij het hof van (doorslaggevende) betekenis heeft geacht dat [betrokkene 1] als WTB-er de taak had om de veiligheid te bewaken en schade te voorkomen en dat hij de daartoe vereiste kennis en opleiding bezat. Met de genoemde overwegingen heeft het hof dus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
1.4hebben alle betrekking op het oordeel van het hof dat [betrokkene 1] niet mocht vertrouwen op zijn visuele oordeel dat de wissel goed lag. Dat oordeel is blijkens rov. 5.4 onder meer gebaseerd op de omstandigheden dat het schadevoorval plaats vond in de nacht met hier en daar mistflarden, dat er veel vocht in de lucht was, dat het zicht 50 tot 100 meter was, dat er sprake was van vorst, en dat de spoorstaven wit waren uitgeslagen.
Subonderdeel 1.2klaagt dat deze weersomstandigheden op zichzelf niets zeggen over de mate waarin [betrokkene 1] in staat was de stand van de wissels vanuit de trein te beoordelen.
Subonderdeel 1.3betoogt dat het oordeel bovendien onbegrijpelijk is in het licht van omstandigheden waaruit blijkt dat het zicht niet zodanig slecht was dat dit tot uitstappen noopte, waaronder de omstandigheid dat het zicht 50 tot 100 meter was, dat [betrokkene 3] en [betrokkene 2] op de werktrein hadden gezegd dat de wissel volgens hen goed stond, en dat het destijds gebruikelijk was om, behoudens slecht zicht, de stand van de wissels vanuit de trein te controleren.
Subonderdeel 1.4betoogt dat in het licht van genoemde omstandigheden eveneens onvoldoende gemotiveerd is waarom van belang is dat [betrokkene 1], op de trein gezeten, over een vóór de trein geplaatste lange bak heen moest kijken.
subonderdeel 1.2, dat de weersomstandigheden op zichzelf niet relevant zijn voor de beoordeling althans dat nader had moeten worden gemotiveerd waarom zij dat zouden zijn, treft dus geen doel. Dat geldt ook voor
subonderdeel 1.4: de omstandigheid dat [betrokkene 1] over een lange voor de trein geplaatste bak heen moest kijken, hetgeen eveneens het zicht beperkte, mocht door het hof in zijn beoordeling worden betrokken.
Subonderdeel 1.5klaagt dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 2], dat zij op de werktrein hadden gezegd dat zij meenden dat de wissel goed lag, niet afdoen aan de eigen verantwoordelijkheid van [betrokkene 1]. Deze beide subonderdelen falen. Ten eerste is het oordeel, of het zicht op de bewuste avond wel of niet voldoende was om de stand van de wissel vanaf de trein te kunnen beoordelen, van feitelijke aard, zodat het in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. [53] Voor zover het subonderdeel bedoelt te klagen dat het oordeel dat het zicht onvoldoende was onbegrijpelijk is in het licht van de genoemde omstandigheden, geldt dat het hof deze omstandigheden in rov. 5.5 ook in zijn beoordeling heeft betrokken. Het hof is echter tot de slotsom gekomen dat [betrokkene 1] vanwege zijn eigen verantwoordelijkheid in dit geval niet met een controle vanaf de trein had mogen volstaan. Die slotsom is ook in het licht van de aangehaalde stellingen niet onbegrijpelijk. Uit deze stellingen volgt juist dat de stand van de wissel ook voor [betrokkene 2] en [betrokkene 3] vanaf de rijdende trein niet goed waarneembaar was (volgens hen lag de wissel goed, terwijl uit het voorval blijkt dat de wissel verkeerd lag). Daarom faalt de in dit subonderdeel vervatte klacht.
subonderdeel 1.9geen doel. Dit subonderdeel voert aan dat het hof niet mede aan zijn onrechtmatigheidsoordeel ten grondslag had mogen leggen dat gesteld noch gebleken is dat [betrokkene 1] door BAM is geïnstrueerd dat de inspectie vanaf de rijdende trein kon geschieden en hij bij onvoldoende zicht niet hoefde af te stappen (rov. 5.5). Het subonderdeel voert aan dat zonder nadere, hier ontbrekende, motivering niet is in te zien waarom de omstandigheid dat [betrokkene 1] niet was geïnstrueerd om op de trein te blijven zitten relevant is voor het gevaarzettende karakter van zijn handelen. Zoals besproken, heeft het hof onbestreden vooropgesteld dat [betrokkene 1] een eigen verantwoordelijkheid had om schade te voorkomen en daartoe de wissels te controleren (hiervoor 4.6 en 4.8). Het is begrijpelijk dat het hof heeft onderzocht of deze eigen verantwoordelijkheid in dit geval wellicht beperkter was, hetgeen het geval zou kunnen zijn als [betrokkene 1] expliciet was opgedragen om de stand van de wissels vanuit de trein te inspecteren. Het hof heeft echter geoordeeld dat van een dergelijke instructie geen sprake was en dat tegen de achtergrond van [betrokkene 1] eigen kennis over de juiste handelwijze, zijn specialistische opleiding en de specifieke taak van een WTB-er, waarvoor hij nu juist was ingehuurd, BAM ook niet verweten kan worden dat zij deze instructie niet nadrukkelijk heeft gegeven (rov. 5.5). Dat oordeel komt mij niet onbegrijpelijk voor en wordt bovendien als zodanig, terecht, niet bestreden.
subonderdeel 1.3). Daarom is de overweging, dat de uitdrukkelijke instructie van BAM na het schadevoorval niet afdoet aan de onzorgvuldigheid van [betrokkene 1] handelen, niet onbegrijpelijk. Daarbij komt dat het hof op goede gronden heeft overwogen dat BAM een dergelijke instructie, (mede) gezien de specialistische kennis van WTB-ers, ook niet had hoeven geven (hierna 4.15).
Subonderdeel 2.2klaagt dat uit de bevoegdheid van JMV om [betrokkene 1] al of niet op te roepen en/of uit te lenen niet volgt dat JMV een instructiebevoegdheid had.
Kruk en Goktas-arrest – niet de situatie voor dat sprake is van in-/uitleen voor een langere periode waarbij de ingeleende werknemer (eenvoudig geformuleerd) uit het zicht van de uitlener geraakt. Door onder die omstandigheden te oordelen dat in de verhouding tussen [betrokkene 1] en JMV als uitlenende werkgever aan het ondergeschiktheidsvereiste is voldaan heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan
subonderdeel 2.2betoogt, kan in het geval van (kortdurende) in-/uitleen de ondergeschiktheid van de werknemer jegens de uitlenende (materieel) werkgever voortduren wanneer deze uitlenende werkgever de instructiebevoegdheid heeft (behouden) ten aanzien van (de organisatorische aspecten van) de inzet van de werknemer. De enkele omstandigheid dat dit specifieke werk (primair) wordt uitgevoerd onder toezicht van de inlener rechtvaardigt naar mijn mening niet zonder meer de slotsom dat van ondergeschiktheid in de verhouding tussen de werknemer en de uitlenende (materieel) werkgever geen sprake meer is. Voor zover het subonderdeel betoogt dat van ondergeschiktheid slechts sprake is als de aangesprokene een (feitelijke) mogelijkheid had om instructies te geven, treft het evenmin doel; vereist is dat de bevoegdheid bestaat tot het geven van instructies, niet dat dat (steeds) daadwerkelijk mogelijk is. [60]
subonderdeel 2.3stuk. Daarin wordt betoogd dat ’s hofs oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de stellingen dat 1) JMV niet wist welke werkzaamheden de werknemers van [A] zouden gaan uitvoeren, 2) dat JMV slechts werknemers ‘leverde’ en 3) dat zij hun instructies van BAM ontvingen. Uit randnummer 4.19 hiervóór volgt dat die stellingen niet de conclusie rechtvaardigen dat van ondergeschiktheid in de verhouding met JMV als uitlenend (materieel) werkgever geen sprake meer is. De genoemde stellingen hebben in het bijzonder betrekking op de mate waarin JMV en BAM zeggenschap en instructiebevoegdheid hadden, hetgeen weliswaar relevant zou kunnen zijn voor de onderlinge draagplicht, maar voor de toepassing van de (externe) aansprakelijkheid op de voet van art. 6:170 BW Pro geen gewicht in de schaal legt. Dat [betrokkene 1] niet op grond van een arbeidsovereenkomst bij JMV werkzaam was, is evenmin voldoende om JMV van aansprakelijkheid ex art. 6:170 BW Pro te ontslaan; van ondergeschiktheid kan immers ook sprake zijn wanneer geen dienstbetrekking bestaat (hiervoor 3.11).
[...]/Gemeente Utrecht), niet gerechtvaardigd. Vast staat immers dat [betrokkene 1] als WTB-er ter beschikking is gesteld, dat hij in die hoedanigheid de taak had de veiligheid op het spoor te bewaken en dat hij daartoe, wanneer nodig door af te stappen, de stand van de wissels diende te controleren. Dat de kans op de hier gemaakte fout (te weten de onzorgvuldige controle van een wissel) door deze opdracht is vergroot, lijkt mij niet aan redelijke twijfel onderhevig. Het subonderdeel faalt dus.
restklachtvan onderdeel 3.