Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte het verweer heeft verworpen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, althans dat de verwerping van dit verweer onbegrijpelijk is, dan wel ontoereikend is gemotiveerd.
in elk gevalvan beroeps- of bedrijfsmatig handelen sprake is indien de verdachte van de winst voor een groot deel in zijn levensonderhoud kan voorzien, terwijl daarvoor als
indicatiewordt gezien dat de verdachte een omzet heeft van duizend euro of meer per maand. [9]