Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
normatieve(volgens belanghebbende dus niet minimale) studieduur van één studiejaar van veertig weken van elk veertig uren studie, daaronder begrepen het praktijkgedeelte. Het Hof ziet daarbij over het hoofd dat de werknemers van belanghebbende (slechts) een deelkwalificatie volgden.
4.Afdrachtvermindering
BNB2016/82). [11]
3.registers met erkende onderwijsinstellingen
BNB2016/82 oordeelde de Hoge Raad dat niet is vereist dat een volledige beroepsopleiding is gevolgd: [21]
ief
5.Beschouwing WVA
met betrekking tot de beroepsopleidingen[cursivering toegevoegd; A-G] waarvoor eindtermen zijn vastgesteld en de examinering die door de exameninstellingen wordt verzorgd”. [32] Ik leid daaruit af dat de in het CREBO opgenomen opleidingen kwalificerende ‘beroepsopleidingen’ in de zin van artikel 7.2.2 WEB zijn, waarbij is getoetst of het praktijkdeel, bij een beroepsbegeleidende leerweg, 60% of meer van de studieduur omvat. [33] Dit blijkt mede uit de uitlatingen op de website van de Rijksoverheid en de website van DUO. [34] Artikel 6.4.1 WEB belast de minister van OCW met de aanleg en het beheer van het register. [35] Dat hierbij de eigen expertise van deze dienst van wezenlijke betekenis is, is vanzelfsprekend.
BNB2016/82 is niet vereist dat de gehele beroepsopleiding wordt gevolgd. [40] Voldoende is dat de beroepspraktijkvorming die als zodanig deel uitmaakt van de beroepsbegeleidende leerweg van een van de beroepsopleidingen, wordt gevolgd. De belastinginspecteur is in dat geval de bevoegdheid gelaten om te beoordelen of de beroepspraktijkvorming van
dieberoepsopleiding is gevolgd. De inhoudingsplichtige dient dit aannemelijk te maken.