ECLI:NL:PHR:2017:390

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 april 2017
Publicatiedatum
6 juni 2017
Zaaknummer
16/00766
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 278 SvArt. 283 SvArt. 287 SvArt. 288 SvArt. 290 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt beperkte waarde verklaring benadeelde partij zonder beëdiging

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Amsterdam waarin verdachte is veroordeeld wegens mishandeling. De verdachte had in hoger beroep verzocht om het horen van getuigen, wat door het hof was afgewezen. Daarnaast klaagde verdachte over het gebruik van een verklaring van de benadeelde partij in de strafmotivering, terwijl deze niet als getuige was beëdigd.

De Hoge Raad overweegt dat een verklaring van de benadeelde partij die niet is beëdigd als getuige slechts van beperkte betekenis kan zijn bij de strafoplegging. Het hof had de verklaring gebruikt ter ondersteuning van de strafmotivering, maar het gewicht daarvan was zeer gering. Dit betekent dat de verdachte onvoldoende belang had bij de klacht over de niet-beëdigde verklaring.

Verder bevestigt de Hoge Raad dat beslissingen van het hof over het horen van getuigen tijdens de zitting, alsmede over de geldigheid van de dagvaarding en andere proceshandelingen, standhouden bij heropening van het onderzoek ter terechtzitting. De middelen van cassatie worden verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van verdachte wegens mishandeling met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf.

Conclusie

Nr. 16/00766
Zitting: 11 april 2017
Mr. P.C. Vegter
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 13 oktober 2015 door het hof Amsterdam wegens “mishandeling”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren alsmede tot een taakstraf van veertig uren (te vervangen door twintig dagen hechtenis) alsmede de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van €566,- met de daarbij gebruikelijke beslissingen als nader in het arrest verwoord.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middelklaagt over de motivering van de afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen.
Art. 322, vierde lid, Sv, dat ingevolge art. 415, eerste lid, Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, luidt:
“Ook in het geval het onderzoek ter terechtzitting opnieuw wordt aangevangen blijven beslissingen van de rechtbank inzake de geldigheid van de uitreiking van de dagvaarding uit hoofde van artikel 278, eerste lid, beslissingen op verweren van de verdachte uit hoofde van artikel 283, eerste lid, beslissingen op vorderingen tot wijziging van de telastlegging alsmede beslissingen inzake het horen of de oproeping van getuigen of deskundigen ter terechtzitting uit hoofde van artikel 287 of Pro artikel 288 in Pro stand."
5. In hoger beroep is de zaak van verdachte behandeld ter terechtzitting van het hof van 14 maart 2014 en in een andere samenstelling op 29 september 2015. Op verzoeken tot het horen van getuigen is beslist ter terechtzitting van 14 maart 2014. Het verzoek waarop het middel betrekking heeft is afgewezen. Het proces-verbaal van de zitting van 29 september 2015 bevat niet de vaststelling dat het onderzoek is hervat in de stand van de zitting van 14 maart 2014. De in het middel bedoelde afwijzende beslissing van het hof van 14 maart 2014 is een beslissing op de voet van de art. 328 en Pro 331, eerste lid, jo. 315 jo. 415 Sv. Daarop heeft art. 322, vierde lid, Sv geen betrekking zodat, nu het onderzoek ter terechtzitting opnieuw is aangevangen, de bestreden uitspraak niet mede berust op de in het middel bedoelde beslissing. [1]
6. Het middel is daarmee kansloos.
7. Het
tweede middelklaagt over niet inachtneming van de art. 290 jo Pro. 415 Sv, omdat de verklaring van de benadeelde partij is gebruikt bij de strafmotivering zonder dat de benadeelde partij voorafgaande aan die verklaring is aangemerkt als getuige.
8. Het proces-verbaal van de zitting van het hof van 29 september 2015 houdt als verklaring van de benadeelde partij - zakelijk en verkort weergegeven - het volgende in:
“Ik ben arbeidsongeschikt geweest na dit voorval. Ik ben ook een winter lang overspannen geweest. Door hetgeen gebeurd is ben ik nog steeds onder behandeling van een psychiater. Ik ben nog nooit in mijn leven betrokken geraakt bij een vechtpartij. Er is ook door de verdachte aangifte gedaan. Het hele gebeuren heeft me emotioneel veel gedaan. Ik heb me wederom gevoegd voor het volle bedrag en blijf bij mijn vordering van € 567,00.”
9. Het bestreden arrest bevat de volgende strafmotivering:
“Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft rijdend in zijn auto [slachtoffer] , die op een zebrapad liep, kennelijk over het hoofd gezien. Geschrokken door het gedrag van de verdachte heeft [slachtoffer] met zijn hand een tik op de auto van de verdachte gegeven. De verdachte is hierdoor in agressie ontstoken, is uit zijn auto gestapt en heeft [slachtoffer] een harde vuistslag op zijn oog gegeven. Het hof acht dit een ernstig feit. Waar het de verdachte had gepast volmondig zijn excuses te maken voor de door hem gemaakte verkeersfout en begrip op te brengen voor de geschrokken reactie van [slachtoffer] , heeft hij zich in het openbaar, terwijl zijn kinderen in zijn auto zaten, en anderen aanwezig waren, uiterst agressief gedragen. Dergelijk gedrag heeft, zoals ook in dit geval uit de verklaring van [slachtoffer] ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, nogal eens verstrekkende gevolgen voor de slachtoffers ervan en veroorzaken ook meer in het algemeen gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 16 september 2015 is de verdachte eerder ter zake van onder meer mishandeling onherroepelijk veroordeeld.
Naar het oordeel van het hof kan - ondanks het tijdsverloop - vanwege de ernst van het feit niet worden volstaan met de in eerste aanleg of de door de advocaat-generaal gevorderde straf. Toepassing van art. 9a Wetboek van Strafrecht, zoals de raadsman heeft verzocht, komt dus ook niet in aanmerking. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren van na te melden duur passend en geboden.”
10. Het middel steunt op de opvatting dat hetgeen blijkt uit de verklaring van de benadeelde partij niet ten grondslag mag worden gelegd aan de strafoplegging. Ik stel voorop dat het slachtoffer in de onderhavige zaak optrad in de hoedanigheid van benadeelde partij en in die hoedanigheid de mogelijkheid had om zijn standpunt over de vordering tot vergoeding van de volledige materiele schade tot een bedrag van €566, - toe te lichten. [2] Gelet op het eerste lid van art. 51e Sv kwam het slachtoffer het spreekrecht niet toe.
11. Een door de benadeelde partij naar aanleiding van ter terechtzitting aan hem gestelde vragen afgelegde verklaring kan van belang zijn voor de beantwoording van de in de art. 348 en Pro 350 Sv bedoelde vragen. In dat geval dient de benadeelde partij op de voet van art. 290, vierde lid, Sv alvorens de verklaring wordt afgelegd als getuige te worden beëdigd. [3] Het hof heeft in het onderhavige geval aan de verklaring van de benadeelde partij blijkens de strafmotivering betekenis toegekend voor de beantwoording van de vierde vraag van art. 350 Sv Pro, terwijl van beëdiging als getuige niet blijkt.
12. De verlening van enige betekenis aan de verklaring van de benadeelde partij voor de strafoplegging behoeft niet zonder meer tot cassatie te leiden. Indien kan worden aangenomen dat het hof aan die verklaring zeer gering gewicht heeft toegekend, moet worden geoordeeld dat de verdachte onvoldoende rechtens te respecteren belang heeft bij zijn klacht. [4] Of dat kan worden aangenomen is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
13. In aanmerking kan allereerst worden genomen dat uit het proces-verbaal van de zitting van 29 september 2015 niet blijkt dat de benadeelde partij heeft verklaard naar aanleiding van specifieke vragen, maar dat hem enkel de mogelijkheid is geboden te reageren. Het lijkt mij duidelijk dat bij verklaringen die min of meer spontaan worden afgelegd in het algemeen tevoren minder goed valt te voorzien dat deze van belang (kunnen) zijn voor de beantwoording van de vragen van de art. 348 en Pro 350 Sv. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt evenmin dat van de kant van de verdediging enig bezwaar is geopperd tegen de door de benadeelde partij afgelegde verklaring. Voorts geldt hier dat het hof de straf breed heeft gemotiveerd. Dat is ook in gevallen, zoals het onderhavige, waarin reeds een standaardstrafmotivering het arrest in cassatie onaantastbaar zou maken wat mij betreft zeker als positief te waarderen.
14. Het hof heeft een aantal factoren bij de strafmotivering betrokken. De gevolgen van feiten als het onderhavige zijn slechts één van die factoren. Het hof overweegt eerst in het algemeen dat gedrag als het bewezenverklaarde nogal eens verstrekkende gevolgen heeft voor de slachtoffers ervan en vervolgens in het bijzonder dat van dergelijke gevolgen hier sprake is. Tegen de vaststelling wordt in de toelichting op het middel niet geopponeerd, voor zover deze algemeen is, en dat algemene deel van de vaststelling vormt vooral het dragende deel van deze factor. Dat dergelijke gevolgen zich in dit geval blijkens de verklaring van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep ook daadwerkelijk hebben voorgedaan, voegt daaraan niet veel toe, doch vormt een bevestiging dat gedrag als dat van verdachte verstrekkende gevolgen kan hebben. Nog anders gezegd: het hof houdt bij de straftoemeting rekening met het beeld dat hij schetst van de gevolgen van agressief verkeergedrag en dat beeld wijzigt niet, maar wordt wel ondersteund door de verklaring van de benadeelde partij.
15. Nu de gewraakte verklaring van de benadeelde partij slechts een bevestiging vormt van een aantal bij de strafmotivering in aanmerking genomen factoren, concludeer ik mede in het licht van de overige omstandigheden dat het hof daaraan een zeer gering gewicht heeft toegekend. Gelet daarop moet worden geoordeeld dat de verdachte onvoldoende rechtens te respecteren belang heeft bij de tweede klacht.
16. De middelen falen en het eerste middel leent zich in ieder geval voor afdoening met toepassing van art. 81, eerste lid, RO, eventueel zelfs art. 80a RO. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie het overzichtsarrest inzake getuigen HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers (r.o. 2.65). Voorts Corstens/Borgers, 2014, p. 717, HR 3 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK1798, NJ 2009/553 en HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0438.
2.Tijdens de zitting in hoger beroep van 29 september 2015 is, zoals in de praktijk vaker, aan het in hoger beroep toepasselijke art. 334, derde lid, Sv in verschillende opzichten een ruime uitleg gegeven. Ik laat dat verder voor wat het is nu daarover niet afzonderlijk wordt geklaagd.
3.HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:683.
4.Vgl. bij (schriftelijke) verklaringen van slachtoffers HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:NL:2014:1695 en HR 11 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2359,