ECLI:NL:PHR:2017:455

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 mei 2017
Publicatiedatum
14 juni 2017
Zaaknummer
16/04959
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81.1 ROArt. 27a SrArt. 255 SrArt. 37a SrArt. 37 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor moord met voorbedachte raad en oplegging TBS met dwangverpleging

De zaak betreft de veroordeling van verdachte voor meerdere ernstige strafbare feiten, waaronder moord op haar tweede echtgenoot door het toedienen van een dodelijke combinatie van medicijnen. Het hof heeft vastgesteld dat het slachtoffer is overleden aan een dodelijke hoeveelheid medicatie, waarbij sprake was van voorbedachte raad. Diverse deskundigen en getuigenverklaringen ondersteunen deze conclusie.

Het hof heeft geoordeeld dat verdachte planmatig te werk is gegaan, onder meer door het afsluiten van een levensverzekering op naam van het slachtoffer met vervalste documenten en het voorkomen van een obductie door het tonen van een wilsverklaring. Daarnaast is verdachte veroordeeld voor het in hulpeloze toestand laten van haar eerste echtgenoot, valsheid in geschrift, oplichting en brandstichting.

De Hoge Raad verwierp alle middelen van cassatie, waaronder klachten over de bewijsmiddelen, de motivering van voorbedachte raad en de oplegging van TBS met dwangverpleging. Het hof heeft uitgebreid gemotiveerd dat verdachte een ernstige persoonlijkheidsstoornis heeft, wat samenhangt met een hoog recidivegevaar, waardoor TBS met dwangverpleging noodzakelijk is. De veroordeling tot 16 jaar gevangenisstraf met aftrek en de maatregel van terbeschikkingstelling blijven in stand.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 16 jaar gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging wegens moord met voorbedachte raad.

Conclusie

Nr. 16/04959
Zitting: 23 mei 2017
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 24 juni 2016 de verdachte in de zaak met parketnummer 18/750224-13 (zaak A) wegens 1 meer subsidiair “opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging en verzorging zij krachtens de wet verplicht is, in hulpeloze toestand laten, terwijl het de dood ten gevolge heeft”, 2 “valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, 3 “opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in art. 255, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”, 4 “oplichting” en 5 primair “moord” en in de zaak met parketnummer 18/730061-14 (zaak B) wegens “opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast met bevel tot verpleging van overheidswege. Daarnaast heeft het hof een auto en een computer verbeurdverklaard, de bewaring gelast van een inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp ten behoeve van de rechthebbende en de vordering van de benadeelde partij integraal toegewezen, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, een en ander zoals nader omschreven in het arrest.
Namens de verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.
De tenlastelegging ziet op verschillende strafbare feiten die de verdachte ten aanzien van haar toenmalige partners zou hebben gepleegd. Zo heeft het hof in zaak A bewezenverklaard dat de verdachte in 2004 haar eerste echtgenoot, [slachtoffer 1] , in hulpeloze toestand heeft gelaten ten gevolge waarvan hij is overleden. De in zaak A onder feit 5 primair bewezenverklaarde moord heeft betrekking op de tweede echtgenoot van de verdachte, [slachtoffer 2] , een zaak die in de media ook wel bekend staat als “De Franeker gifmoord”. Daarmee in verband staan de feiten 2 t/m 4 in zaak A: het kort voor het overlijden van [slachtoffer 2] buiten zijn medeweten een levensverzekering op zijn naam afsluiten met behulp van valselijk opgemaakte documenten op grond waarvan de verzekeringsmaatschappij, na het overlijden van [slachtoffer 2] , is overgegaan tot uitkering van de verzekeringspenningen ten bedrage van € 250.000,- en oplichting van die verzekeringsmaatschappij. In zaak B heeft het hof bewezenverklaard dat de verdachte in 2013 brand heeft gesticht in de woning van haar toenmalige partner.
Zowel het eerste als het tweede middel heeft betrekking op feit 5 primair (zaak A).
Het
eerste middelklaagt dat de bewezenverklaring van feit 5 primair niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, aangezien het oordeel van het hof dat buiten redelijke twijfel staat dat [slachtoffer 2] is overleden aan een dodelijke hoeveelheid medicijnen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.
Onder feit 5 primair heeft het hof ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“zij in de periode van 1 augustus 2012 tot en met 22 augustus 2012 te Franeker opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] , te weten haar, verdachtes, echtgenoot, van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte in voornoemde periode met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg [slachtoffer 2] één of meer hoeveelheden toxische stoffen, te weten Diazepam en Temazepam en Morfine en Codeïne en Paracetamol toegediend en/of doen innemen en/of anderszins handelingen verricht welke schadelijk waren voor de gezondheid van [slachtoffer 2] , ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;”
7. Aan deze bewezenverklaring heeft het hof 55 bewijsmiddelen ten grondslag gelegd, die ik hieronder eerst kort zal aanduiden om vervolgens een aantal daarvan, voor zover voor de beoordeling van de eerste twee middelen van belang, weer te geven. Het gaat samengevat om de volgende bewijsmiddelen:
- een afschrift van een huwelijksakte;
- een afschrift van de akte van overlijden;
- een afschrift van het medisch dossier van [slachtoffer 2] ;
- rapporten van het NFI inhoudende de resultaten van respectievelijk de exhumatie en de uit- en inwendige schouwing betreffende [slachtoffer 2] ;
- rapporten van het NFI en verklaringen van deskundigen over de resultaten van het toxicologisch onderzoek;
- een onderzoek aan de laptop van de verdachte, waarin internethistorie werd aangetroffen met betrekking tot (i) voorbeelden van een wilsverklaring en een wilsbeschikking, (ii) midazolam (hoe lang deze in het bloed blijft), (iii) een overdosis diazepam, (iv) novorapid (dodelijk; hoe herstel je ervan bij teveel; overlijden bij teveel; overlijden aan 2 pennen);
- verklaringen van diverse getuigen die verklaren dat [slachtoffer 2] nooit ziek was, een gelukkige indruk maakte, niet suïcidaal was en vanuit zijn geloofsovertuiging een aversie had tegen medicijnen en niet open stond voor beëindiging van het eigen leven (zelfdoding);
- verschillende geschriften en verklaringen van getuigen waaruit blijkt dat de verdachte daags voor het overlijden van [slachtoffer 2] al aan verschillende personen had verteld dat hij ernstig ziek respectievelijk stervende was;
- een aanvraagformulier overlijdensrisicoverzekering;
- een adreswijziging doorgegeven aan de levensverzekeringsmaatschappij;
- een rouwkaart;
- drie verklaringen van de verdachte.
8. De hier relevante bewijsmiddelen houden het volgende in:

“Ten aanzien van het onder 5 primair bewezen verklaarde

(…)
44. Het proces-verbaal van bevindingen van 12 december 2013 (ZD map 1, p. 761 en 762).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Het lichaam van [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] -1955, was begraven op de begraafplaats Franeker. Op 2 december 2013 werd aangevangen met de exhumatie van het lichaam. Na exhumatie werd het lichaam geplaatst in een lijkenzak en verzegeld. Op 3 december 2013 werd het lichaam overgedragen aan patholoog A. Maes, waarna werd aangevangen met de sectie.
(…)
48. Een geschrift, te weten een afschrift van
een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, getiteld ‘Toxicologisch onderzoek in lichaamsmateriaal van [slachtoffer 2] van 13 mei 2014’ opgemaakt door dr. KJ. Lusthof, toxicoloog ERT (ZD map 1, p. 985 e.v.).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Te onderzoeken materiaal

Ontvangen: 4 december 2013
Ontvangen materiaal: divers lichaamsmateriaal van [slachtoffer 2] (sectienummer 2013-325)
SIN Omschrijving
AAEC4435NL leverweefsel

Resultaten

De resultaten van het toxicologisch onderzoek in het lichaamsmateriaal van [slachtoffer 2]
Stof
Stof(groep)
Onderzocht materiaal
Resultaat
Diazepam
Benzodiazepinen
Leverweefsel [AAEC4435NL]
0,27 mg/kg
Desmethyldiazepam
Benzodiazepinen
Leverweefsel [AAEC4435NL]
aangetoond,
ong. 0,05 mg/kg
Temazepam
Benzodiazepinen
Leverweefsel [AAEC4435NL]
0,23 mg/kg
Oxazepam
Benzodiazepinen
Leverweefsel [AAEC4435NL]
aanwijzing
Morfine
Opiaten
Leverweefsel [AAEC4435NL]
0,2 mg/kg
Codeïne
Opiaten
Leverweefsel [AAEC4435NL]
aangetoond,
ong. 0,1 mg/kg
Codeïne-6-
glucuronide
Opiaten
Leverweefsel [AAEC4435NL]
aanwijzing,
ong. 0,1 mg/kg
Paracetamol
Opiaten
Leverweefsel [AAEC4435NL]
aangetoond

Conclusie

1. In het leverweefsel van [slachtoffer 2] zijn benzodiazepinen (diazepam, desmethyldiazepam, temazepam, mogelijk oxazepam), opiaten (morfine, codeïne en mogelijk codeïne-6-glucuronide) en paracetamol aangetoond.
2. Het bewustzijn/gedrag van [slachtoffer 2] kan ten tijde van het overlijden zijn beïnvloed door de aangetoonde morfine, codeïne en benzodiazepinen.
3. De gemeten waarde van (totaal) morfine in het leverweefsel van [slachtoffer 2] is lager dan gemeten in leverweefsel van personen die zijn overleden na een intraveneuze overdosering met morfine. Een fatale overdosering met opiaten lijkt daardoor minder waarschijnlijk, maar kan ook niet worden uitgesloten, gezien de gevorderde postmortale ontbinding (dit leidt tot grote onzekerheden in de interpretatie van de gemeten concentraties). De aangetoonde benzodiazepinen kunnen het dempende effect van opiaten op het centrale zenuwstelsel hebben versterkt, echter in welke mate kan niet worden geconcludeerd.
49. Een geschrift, te weten een
rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, getiteld ‘Aanvullende vragen naar aanleiding van toxicologisch onderzoek in lichaamsmateriaal van [slachtoffer 2] ’, opgemaakt door dr. M.J. Vincenten-van Maanen, apotheker, van 15 juli 2014, (los opgenomen).
Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Diazepam, temazepam en morfine worden normaal alleen verkregen op recept van een arts. Codeïne komt voor in producten die zonder recept te verkrijgen zijn en paracetamol kan ook zonder recept worden verkregen. Diazepam, temazepam, morfine en codeïne werken allen dempend op het centraal zenuwstelsel. Een combinatie van deze middelen zal onder andere leiden tot een sterkere daling van het bewustzijn en verminderde ademhaling dan afzonderlijk gebruik van deze middelen.
De effecten die op kunnen treden en de mate waarin zijn bij gebruik van morfine, codeïne, diazepam en temazepam afhankelijk van de gewenning aan het gebruik van deze middelen. Bij een niet gewende gebruiker zullen bij een zelfde concentratie effecten sterker optreden dan bij een gewende gebruiker.
Diazepam, temazepam, morfine en codeïne werken allen dempend op het centraal zenuwstelsel. Bij gecombineerd gebruik van deze stoffen zullen lagere doses nodig zijn voor het optreden van toxische effecten dan bij afzonderlijk gebruik van deze stoffen.
De concentratie van temazepam in lichaamsmateriaal is na inname van diazepam meestal vele malen lager dan de concentratie van diazepam. In dit geval is de concentratie van temazepam in het leverweefsel vergelijkbaar met de concentratie van temazepam (het hof begrijpt: diazepam). Deze resultaten passen beter bij gebruik van diazepam en temazepam dan bij gebruik van alleen diazepam.
50. De verklaring van de deskundige
M.J. Vincenten-van Maanen, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg op 29 oktober 2014.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
De periode tussen het overlijden en de sectie was dermate lang dat het slechts mogelijk was om een indicatie te geven van concentraties stoffen, omdat stoffen in de tussenliggende periode afgebroken kunnen zijn. U houdt mij voor welke concentraties stoffen zijn aangetroffen in het leverweefsel van [slachtoffer 2] en vraagt mij of het juist is dat de concentraties ten tijde van het overlijden hoger zijn geweest. Ik denk dat daar in dit geval wel sprake van is geweest. Ik denk dat de concentraties na het overlijden door de afbraak zijn afgenomen.
Met uitzondering van GHB zijn de aangetroffen stoffen geen stoffen die postmortaal worden gevormd. Temazepam is een metaboliet van diazepam. Normaliter is de concentratie van temazepam ten opzichte van diazepam vele malen lager. Uit het onderzoek in de onderhavige zaak is gebleken dat de concentraties bijna gelijk waren. Derhalve lijkt het erop dat zowel diazepam als temazepam is gebruikt dan wel ingenomen.
Morfine en diazepam geven versuffende effecten en in een combinatie versterken zij elkaar. Voornoemde stoffen verminderen ook de ademhaling, hetgeen wordt versterkt als de stoffen tegelijkertijd worden ingenomen. U houdt mij voor dat u heeft begrepen dat diazepam, temazepam, codeïne en morfine allemaal dempend werken en dat de combinatie kan leiden tot een sterkere daling van het bewustzijn. U vraagt mij of het ook kan betekenen dat het tot overlijden kan leiden. Ik kan daarop zeggen dat het inderdaad tot overlijden kan leiden, maar dat is afhankelijk van de dosis. Enkel inname van morfine kan al leiden tot de dood als de dosis maar hoog genoeg is.
De concentratie van de aangetroffen stoffen is ten tijde van het overlijden waarschijnlijk hoger geweest omdat de meeste stoffen ontleden als ze een langere periode worden bewaard, zeker na het overlijden. Als stoffen langere tijd worden bewaard in een materiaal, dan neemt de concentratie af en het is niet zo dat concentraties toenemen. Dat is hooguit mogelijk doordat organen helemaal indrogen. In dit geval was het stukje lever dat is onderzocht niet helemaal ingedroogd, dus dat lijkt minder waarschijnlijk. Het stukje lever dat is onderzocht was nog vochtig.
51. De verklaring van de deskundige
K.J. Lusthof, afgelegd ter terechtzitting in hoge, beroep op 26 mei 2016.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
In de onderhavige zaak heb ik de intake gedaan, ik heb de monsters gezien, het eerste onderzoek aangevraagd en ik heb gerapporteerd ten aanzien van [slachtoffer 2] .
Diazepam, desmethyldiazepam, temazepam en oxazepam kunnen herleid worden tot alleen de inname of toediening van diazepam, maar er kan ook temazepam en oxazepam zijn toegediend of ingenomen. Desmethyldiazepam en temazepam kunnen bij leven door omzetting in de lever zijn ontstaan uit diazepam. Dan moet er dus in ieder geval diazepam zijn toegediend of ingenomen. Ik vind het waarschijnlijk dat zowel diazepam als temazepam is ingenomen, omdat de concentratie temazepam opvallend hoger is dan de concentratie desmethyldiazepam. De aangetroffen stoffen kunnen niet postmortaal zijn gevormd, met uitzondering van GHB.
Een combinatie van benzodiazepinen en opiaten is een combinatie waaraan men dood kan gaan. Bij een overdosering met bijvoorbeeld alleen diazepam moet de dosis echt heel hoog zijn. In combinatie met bijvoorbeeld opiaten hoeft de dosis niet zo hoog te zijn.
Morfine kan in het lichaam ontstaan uit codeïne, maar de concentratie morfine in het leverweefsel is voor die verklaring echt veel te hoog. Er zal derhalve ook morfine zijn toegediend.
Er heeft verder waarschijnlijk ontleding plaatsgevonden, waardoor de morfine en de andere stoffen zijn afgebroken. Dit zien we aan de morfine en aan de glucuroniden. Die laatste stoffen zouden eigenlijk in grotere hoeveelheden moeten voorkomen dan de morfine. Dat was echter niet het geval. Die stof is dus waarschijnlijk al deels afgebroken tot morfine. Waarschijnlijk is er dus ook al morfine afgebroken, maar ik weet niet in welke mate. Dit geldt ook voor de overige stoffen. Het is derhalve heel waarschijnlijk dat de concentraties van die stoffen hoger zijn geweest ten tijde van het overlijden.
Het kan zijn dat iemand na een overdosering niet direct overlijdt, maar pas één of twee dagen later. In dat geval zijn de concentraties bij overlijden lager, omdat de stoffen worden afgebroken in het lichaam. Voor zo’n geval is symptomatisch dat de organen ‘ermee ophouden’. Het brengt schade toe aan diverse organen. Er zijn dan diverse symptomen. De persoon voelt zich niet prettig en zal verminderd bewustzijn hebben.
(…)
60. Een proces-verbaal van verhoor van de
getuige [getuige 1]van 25 januari 2016, opgemaakt door mr. M.M.H.P. Houben, raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij het gerechtshof Amsterdam.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 1] :
Ik ben de dochter van [slachtoffer 2] . Ik noem [verdachte] . Mijn zusje is vrij snel getrouwd na het overlijden van mijn vader. Dit huwelijk was al gepland vóór het overlijden van mijn vader. Mijn vader zou getuige zijn bij dit huwelijk. Hij was blij dat mijn zus ging trouwen. Hij had een eigen brocantewinkeltje. Hij was daar echt gelukkig.
Ik heb mijn vader nooit ziek meegemaakt. Ik heb hem nooit een dag in zijn bed zien liggen. Mijn vader slikte totaal geen pillen. Ik pakte nog wel eens een paracetamol. Dan zei hij zoiets als: “dat is vergif”. Mijn vader was heel gelovig en heel veel met het geloof bezig. Vanuit zijn geloofsvisie mag je niet zelf een einde aan je leven maken. Mijn vader heeft nooit met mij over zelfmoord gesproken. Als hij het had over de dood zei hij: “ik word heel oud, net als mijn opa”.
De laatste jaren was hij heel vrolijk en totaal niet depressief. Hij had zeker geen doodwens, en zeker niet voor [getuige 2] ’s bruiloft, waar hij getuige zou zijn. Ik heb nooit het woord ‘wilsbeschikking’ uit de mond van mijn vader horen komen.
De maandag vóór zijn overlijden, dus 20 augustus 2012, heb ik hem voor het laatst telefonisch gesproken. Hij zei niets over zijn gezondheid. Hij zei ook niet dat hij zich rot voelde. Ik heb toen ook nog met [verdachte] gesproken aan de telefoon.
[verdachte] zei dat mijn vader een hartstilstand had gehad toen ik vroeg naar de doodsoorzaak van mijn vader. Ik heb aan [verdachte] gevraagd of we geen sectie moesten doen want ik vond het raar dat hij in één keer dood was. [verdachte] zei ‘nee’, de huisarts had (
het hof begrijpt: volgens de verdachte) gezegd dat hij aan een hartstilstand was overleden.
Mijn zusje [getuige 2] en ik zijn na het overlijden van mijn vader naar de huisarts (
naar het hof begrijpt: van [slachtoffer 2]) geweest en hebben hem vragen gesteld. Ik vroeg aan de huisarts de doodsoorzaak van mijn vader. De huisarts zei: ‘Dat weet ik niet’. Toen zei ik tegen de huisarts: ‘ik zei toch tegen [verdachte] dat het een hartstilstand was?’ Toen zei de huisarts: ‘Als iemand dood is loopt zijn hart niet meer, dus staat zijn hart stil’. Ik vroeg aan de huisarts: ‘Was het dan een hartstilstand?’ Hij zei: ‘Nee, het kan net zo goed een hersenbloeding of iets anders zijn. Het kan van alles zijn’.
61. Een proces-verbaal van verhoor van de
getuige [getuige 1]van 6 maart 2013 (p. 1020 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van
[getuige 1]:
Toen mijn vader 50 jaar oud werd, hebben [verdachte] (
het hof begrijpt: de verdachte) en hij de Kilimanjaro beklommen. Hij schaatste één keer per twee weken. Ik had de indruk dat hij de laatste paar maanden van zijn leven gelukkiger was, hij was vrolijker, dit ook omdat hij veel voldoening haalde uit zijn antiekwinkeltje. Ik heb op 20 augustus 2012 om 13.37 uur voor het laatst met mijn vader gesproken via de telefoon. Tijdens het gesprek heeft mijn vader niets bijzonders gezegd.
62. Een proces-verbaal van verhoor van
getuige [getuige 1]van 11 maart 2014 (ZD map 1, p. 1035 en 1036).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van
[getuige 1] :
Mijn vader gebruikte helemaal geen medicijnen en al helemaal niet de medicijnen die in zijn lichaam zijn aangetroffen. Mijn vader was wars van medicijnen en het gebruik ervan. Medicijnen vond hij vergif. Ik heb nooit gezien dat mijn vader medicijnen innam.
Mijn vader heeft mij weleens verteld dat [verdachte] medicijnen van haar werk had meegenomen.
63. Een proces-verhaal van verhoor van
getuige [getuige 2]van 12 maart 2014 (ZD map 1, p. 1017 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van
[getuige 2]:
Mijn vader had een hekel aan medicijnen. Ik weet bijvoorbeeld nog dat ik als ik hoofdpijn had dan nam ik een aspirine, maar daar maakte hij opmerkingen over dat ik geen vergif in mijn lichaam moest stoppen. Ik heb mijn vader nooit medicijnen zien gebruiken. Hij ging er zo ver in dat hij bij ziekte adviseerde om naar een predikant te gaan om daar een familievloek te laten opheffen.
Mijn vader had absoluut geen suïcidale neigingen. Hij was daar vanuit zijn geloof op tegen. Hij vond dat dit niet een beslissing was die je zelf kon nemen. Hij genoot wel van het leven. Hij zag de mooie dingen van liet leven wel. Hij sprak ook opgewekt over de dingen die hij in zijn winkel deed. Hij had daar plezier in.
64 Een proces-verbaal van verhoor van
getuige [getuige 2]van 3 maart 2013 (ZD map 1, p. 1007 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van
[getuige 2]:
Mijn vader was eigenlijk nooit ziek. Ik heb hem, denk ik ook nog nooit met griep gezien.
Ik heb hem de donderdag voor zijn overlijden voor het laatst in persoon gezien. Ik heb toen geen bijzonderheden aan hem gemerkt.
Vraag verbalisanten: Je bent met je zus naar de huisarts ( [de huisarts] ) geweest. Wat hebben jullie daar allemaal besproken?
Antwoord: De dokter vertelde ons dat hij niets raars had ontdekt en dus een hartstilstand had geconstateerd.
65. Een proces-verbaal van bevindingen van 19 maart 2014 (ZD map 2. p. 1599 en 1600).
Dit proces-verbaal houdt in. voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
relaas van verbalisant [verbalisant 2]:
Op donderdag 6 maart 2014 heb ik een bezoek gebracht aan [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . Het betreft de moeder van de overleden [slachtoffer 2] en twee broers. Ik deelde mede dat [verdachte] kort na het overlijden van [slachtoffer 2] een zogenoemde ‘negatieve wilsverklaring’ had laten zien aan verschillende personen. Zowel [slachtoffer 2] moeder als ook zijn broers zeiden dat het opstellen van een dergelijke verklaring helemaal niets voor [slachtoffer 2] was. Integendeel, [slachtoffer 2] was nooit met ‘de dood’ bezig en al helemaal niet met wat daarna moest gebeuren. [slachtoffer 2] was een man die zijn geest en lichaam helemaal overgaf aan God. Die zou wel bepalen hoe een en ander zijn loop zou krijgen. De betrokkenen (
het hof begrijpt: de moeder en de broers van [slachtoffer 2]) zeiden dat [slachtoffer 2] fel tegen medicijngebruik was. Het was volgens [slachtoffer 2] het vergiftigen van je lichaam.
66. Een proces-verbaal van verhoor van
getuige [getuige 3]van 2 oktober 2013 (ZD map 1, p. 1067 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van [getuige 3]
Ik heb [slachtoffer 2] ongeveer 10 jaar geleden leren kennen. Wij trokken veel samen op. Wij deelden veel dingen samen op kerkelijk gebied. Wij wisten ook veel privé dingen van elkaar. De zaterdag voor zijn dood had ik voor het laatste contact met [slachtoffer 2] . We spraken af om deze avond samen wat te drinken. We hebben onder andere over zijn gezondheid gesproken. [slachtoffer 2] was die avond volledig normaal en gezond. Ik heb op enig moment van [slachtoffer 2] gehoord dat [verdachte] (
het hof begrijpt: de verdachte) wel eens medicijnen van haar werk mee naar huis nam.
67. Een proces-verbaal van verhoor van
getuige [getuige 3]van 11 maart 2014 (ZD map 1, p. 1071 e.v.)
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van [getuige 3] :
[slachtoffer 2] was beslist niet suïcidaal. Hij zat nog vol plannen voor het leven. We hadden kort voor zijn dood nog contact en hij vertelde over zijn plannen voor zijn winkel.
Ik weet dat hij een antipathie had tegen medicijnen. Zelfs een aspirientje zou hij niet snel nemen. Het had ook te maken met zijn geloof. Hij was ervan overtuigd dat de weg die God met je gaat belangrijker is dan de visie van de dokter.
[verdachte] werkte in de verpleging. Ik weet dat [verdachte] temazepam en oxazepam heeft meegenomen. Ik weet dit, omdat [slachtoffer 2] me dit heeft verteld.
(…).”
9. Voorts heeft het hof ten aanzien van de doodsoorzaak van [slachtoffer 2] het volgende overwogen:

Bewijsoverweging ten aanzien van het in zaak A onder 5 primair ten laste gelegde
(…)
Het oordeel van het hof
Inleiding
In de ochtenduren van 22 augustus 2012 is [slachtoffer 2] overleden. De vraag waar het hof zich voor gesteld ziet is of dit overlijden het gevolg is geweest van opzettelijke levensberoving, al dan niet met voorbedachte raad, door de verdachte.
Toxicologisch onderzoek
Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer 2] is lichaamsmateriaal veiliggesteld, onder meer leverweefsel. Dit materiaal is vervolgens toxicologisch onderzocht op de aanwezigheid van, onder meer, geneesmiddelen. De toxicoloog K.J. Lusthof en apotheker M.J. Vincenten-Van Maanen hebben onder meer het volgende gerapporteerd:
•Het onderzoek heeft de aanwezigheid in het leverweefsel van benzodiazepinen (diazepam, desmethyldiazepam, temazepam, mogelijk oxazepam), opiaten (morfine en codeïne en mogelijk codeïne- 6-glucuronide) en paracetamol aangetoond.
•Het bewustzijn van [slachtoffer 2] kan door de aangetoonde morfine, codeïne en benzodiazepinen ten tijde van het overlijden zijn beïnvloed.
•Diazepam, temazepam, morfine en codeïne werken allen dempend op het centrale zenuwstelsel. Een combinatie van deze middelen zal onder andere leiden tot een sterkere daling van het bewustzijn en verminderde ademhaling dan afzonderlijk gebruik van deze middelen. Bij een gecombineerd gebruik van deze stoffen zijn lagere doses nodig voor het optreden van toxische effecten, dan bij afzonderlijk gebruik van deze stoffen.
•De aangetoonde benzodiazepinen kunnen het dempende effect van opiaten op het centrale zenuwstelsel hebben versterkt.
•Diazepam, tempazepam en morfine kunnen normaal alleen verkregen worden op basis van een recept van een arts.
•De resultaten van het toxicologisch onderzoek passen beter bij gebruik van diazepam en temazepam dan gebruik van alleen diazepam.
•Bij een niet-gewende gebruiker van morfine, codeïne, diazepam en temazepam zullen de effecten bij eenzelfde concentratie sterker optreden dan bij een gewende gebruiker.
De beide deskundigen hebben ter zitting hun bevindingen nader uiteengezet en toegelicht. Ter terechtzitting in eerste aanleg is M.J. Vincenten-Van Maanen als deskundige gehoord. Daarbij heeft zij onder meer verklaard dat de combinatie van stoffen, die in het leverweefsel van [slachtoffer 2] is aangetroffen, afhankelijk van de dosis kan leiden tot de dood. Datzelfde geldt voor louter morfine.
Voorts heeft zij verklaard dat de concentraties van de stoffen ten tijde van het overlijden van [slachtoffer 2] waarschijnlijk hoger zullen zijn geweest dan de aangetroffen stoffen, omdat de concentraties na overlijden door afbraak afnemen en niet toenemen. Voormelde aangetoonde stoffen zijn geen stoffen die postmortaal worden gevormd. Verder is temazepam een metaboliet van diazepam. Normaliter is de concentratie van temazepam ten opzichte van diazepam vele malen lager. Uit het onderzoek in de onderhavige zaak is gebleken dat de concentraties bijna gelijk waren. Derhalve lijkt het erop dat zowel diazepam als temazepam is gebruikt dan wel ingenomen, aldus Vincenten-Van Maanen. In hoger beroep is de toxicoloog K.J. Lusthof als deskundige gehoord, waarbij ook hij heeft verklaard dat de aangetroffen stoffen afhankelijk van de dosis kunnen leiden tot de dood, hij voormelde conclusie met betrekking tot de hoogte van de concentraties heeft onderschreven en het waarschijnlijk acht dat temazepam is toegediend of ingenomen.
Nu de conclusies van Lusthof en Vincenten-van Maanen worden gedragen door hun bevindingen, maakt het hof die tot de zijne. Voor het hof staat op grond daarvan buiten redelijke twijfel dat [slachtoffer 2] de stoffen diazepam, temazepam, codeïne, morfine en paracetamol toegediend heeft gekregen dan wel heeft ingenomen.
Vast staat ook dat de verdachte via haar werk in de verpleging toegang had tot medicatie en ook medicijnen, waaronder oxazepam en temazepam, mee naar huis nam.
Laatste contact
Behoudens het contact tussen de verdachte en [slachtoffer 2] heeft [getuige 1] als laatste (telefonisch) contact gehad met haar vader en wel op 20 augustus 2012 om 13.37 uur. Daarbij heeft [slachtoffer 2] niets gezegd over zijn gezondheid of er gewag van gemaakt dat hij zich niet goed voelde.
Woonsituatie
De verdachte en [slachtoffer 2] woonden indertijd als enigen in de echtelijke woning.
Mogelijkheid natuurlijk overlijden
Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [slachtoffer 2] een goed gezonde man was die erom bekend stond nooit ziek te zijn en die niet leed aan enige potentieel levensbedreigende aandoening. Evenmin was aan hem medicatie voorgeschreven.
In het patiëntendossier van [slachtoffer 2] is ten aanzien van 22 augustus 2012 vermeld:
“Notities anamnese: gisteravond niet lekker en moe. Vanmorgen om 6 uur nog uit bed geweest en honden uitgelaten. Om 7.50 dood op bed. Verhaal van hartinfarct.
Diagnose: natuurlijke dood”. Hieruit leidt het hof af dat de huisarts die [slachtoffer 2] na zijn overlijden zag, [de huisarts] , heeft aangenomen dat laatstgenoemde een natuurlijke dood is gestorven, met als oorzaak een hartstilstand, dit laatste (mede) op grond van de mededelingen van de verdachte dat [slachtoffer 2] kort voor zijn overlijden nog uit bed was geweest.
Later heeft de huisarts tegenover [getuige 1] toegelicht dat het hart van een overleden persoon niet meer klopt, zodat sprake is van een hartstilstand en dat ‘het net zo goed iets anders kan zijn geweest’. Hiermee heeft hij, zo begrijpt het hof, willen zeggen dat een andere doodsoorzaak dan een (acute) hartstilstand ook tot de mogelijkheden behoort. Bovendien had de huisarts bij het stellen van deze diagnose, die het hof niet anders kan duiden dan als een waarschijnlijkheidsdiagnose, geen kennis van de aanwezigheid van de later bij onderzoek aangetroffen toxische stoffen.
Uit de sectie op het lichaam is gebleken dat er geen anatomische doodsoorzaak is gevonden. Uit het onderzoek dat daarbij aan het hart is gedaan, zijn geen afwijkingen gevonden op grond waarvan het overlijden verklaard kan worden. Het enkele feit dat er geen anatomische doodsoorzaak vastgesteld kan worden, staat aan een bewezenverklaring overigens niet in de weg.
Er is direct na het overlijden geen obductie verricht, (mede) omdat de verdachte na het overlijden van [slachtoffer 2] een wilsverklaring tevoorschijn heeft gehaald die moest doorgaan voor die van [slachtoffer 2] , waarin was vermeld dat hij ‘eiste’ dat er bij zijn onverwacht overlijden geen onderzoek zou worden gedaan naar de doodsoorzaak.
Anders dan de verdediging is het hof in het licht van de voorgaande overwegingen van oordeel dat er geen enkele concrete aanleiding is om aan te nemen dat [slachtoffer 2] door een natuurlijke oorzaak is overleden.
Suïcide
[slachtoffer 2] kampte niet met depressieve klachten, althans niet in een noemenswaardige mate. Van hem waren geen suïcidale neigingen bekend, terwijl uit verklaringen bovendien volgt dat zelfdoding onverenigbaar zou zijn geweest met zijn geloofsovertuiging en ook niet te rijmen met de liefde die hij had voor zijn kinderen, zijn blijdschap over het aanstaande huwelijk van zijn dochter [getuige 2] , op welk huwelijk hij als getuige aanwezig zou zijn, en de plannen die hij met zijn brocantewinkel had.
Gelet op evengenoemde omstandigheden is het hof, anders dan de verdediging, van oordeel dat de mogelijkheid van zelfdoding als oorzaak voor het overlijden van [slachtoffer 2] als buitengewoon onwaarschijnlijk terzijde kan worden geschoven.
Tussenconclusie doodsoorzaak [slachtoffer 2]
Gelet op de uitkomsten van het toxicologisch onderzoek en de verklaringen van de deskundigen ter zitting, in onderling verband en samenhang bezien en in aanmerking genomen dat voor een natuurlijke dood geen concrete aanwijzingen zijn gevonden en suïcide niet als reëel scenario kan worden beschouwd, is het hof van oordeel dat buiten redelijke twijfel staat dat [slachtoffer 2] is overleden aan een dodelijke hoeveelheid medicijnen.”
10. Ten aanzien van de doodsoorzaak van [slachtoffer 2] heeft het hof geoordeeld dat buiten redelijke twijfel staat dat het slachtoffer is overleden aan een dodelijke hoeveelheid medicijnen. Volgens de steller van het middel kan die constatering niet uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen en laten de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden onverlet dat het slachtoffer is komen te overlijden als gevolg van een niet meer te achterhalen natuurlijke doodsoorzaak.
11. Ik zie dat anders. Het hof heeft zijn oordeel over de doodsoorzaak voor een belangrijk deel gebaseerd op de resultaten van het toxicologisch onderzoek en de verklaringen die de deskundigen op ’s hofs terechtzitting hebben afgelegd over hun bevindingen ter zake van de in het leverweefsel van [slachtoffer 2] aangetroffen stoffen. Op grond daarvan staat voor het hof ook buiten redelijke twijfel dat [slachtoffer 2] diazepam, temazepam, codeïne, morfine en paracetamol toegediend heeft gekregen dan wel heeft ingenomen, waarbij het hof in aanmerking heeft genomen dat de verdachte via haar werk over oxazepam en temazepam kon beschikken en deze middelen ook mee naar huis heeft genomen. Voorts heeft het hof bij zijn oordeel betrokken (i) de verklaring van de dochter van [slachtoffer 2] dat zij als laatste (telefonisch) contact heeft gehad met haar vader op 20 augustus 2012 om 13.37 – twee dagen voor diens overlijden –, waarbij haar vader niets heeft gezegd over zijn gezondheid of er gewag van gemaakt heeft dat hij zich niet goed voelde, (ii) het ontbreken van een concrete aanleiding om aan te nemen dat het slachtoffer door een natuurlijke oorzaak is overleden en (iii) de vaststelling dat de mogelijkheid van zelfdoding als buitengewoon onwaarschijnlijk terzijde kan worden geschoven.
12. Uit de bevindingen en conclusies van de deskundigen Lusthof en Vincenten-van Maanen, die het hof tot de zijne heeft gemaakt, kan het volgende worden afgeleid. In het leverweefsel van [slachtoffer 2] zijn benzodiazepinen (diazepam, desmethyldiazepam, temazepam en mogelijk oxazepam), opiaten (morfine, codeïne en mogelijk codeïne-6-glucuronide) en paracetamol aangetoond (bewijsmiddel 48). Het bewustzijn en/of het gedrag van [slachtoffer 2] ten tijde van het overlijden kan zijn beïnvloed door de aangetoonde morfine, codeïne en benzodiazepinen (bewijsmiddel 48). Met uitzondering van GHB betreffen het geen stoffen die postmortaal worden gevormd. Afhankelijk van de dosering kunnen deze stoffen tot overlijden leiden (bewijsmiddel 50). Bij gecombineerd gebruik van de middelen zullen lagere doses nodig zijn voor het optreden van toxische effecten en zal sprake zijn van een sterkere daling van het bewustzijn en verminderde ademhaling, dan bij afzonderlijk gebruik van deze middelen (bewijsmiddel 49). Tussen het moment van begraven van het slachtoffer (27 augustus 2012) en de exhumatie (2 december 2013) heeft ruim een jaar gezeten (bewijsmiddelen 90 en 44). Ten aanzien van dit tijdsverloop heeft de deskundige Vincenten-van Maanen op het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg op 29 oktober 2014 beargumenteerd verklaard dat zij denkt dat de aangetroffen concentraties na het overlijden door afbraak zijn afgenomen (bewijsmiddel 50).
13. Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat diverse getuigen hebben verklaard dat [slachtoffer 2] geen pillen slikte en vanuit zijn geloofsovertuiging fel tegen medicijngebruik was, terwijl voorts zelfdoding onverenigbaar zou zijn geweest met diezelfde geloofsovertuiging, kon het hof oordelen dat buiten redelijke twijfel staat dat [slachtoffer 2] is overleden aan een dodelijke hoeveelheid medicijnen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
14. Voor zover het middel klaagt dat het hof de negatieve wilsverklaring redengevend heeft geacht voor de doodsoorzaak van het slachtoffer, berust de klacht op een verkeerde lezing van het arrest. Die omstandigheid heeft het hof enkel aangevoerd om aan te geven dat de verdachte daarmee heeft beoogd een obductie aan het lichaam van [slachtoffer 2] (direct na zijn het overlijden) te voorkomen. Dit onderdeel van het middel mist bij gebreke van feitelijke grondslag doel.
15. Het eerste middel faalt in al zijn onderdelen.
16. Het
tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, komt met een tweetal rechtsklachten en een motiveringsklacht op tegen de bewezenverklaring van de voorbedachte raad. Daarnaast klaagt het middel dat niet uit de bewijsmiddelen kan volgen dat de verdachte “anderszins handelingen heeft verricht” welke schadelijk waren voor de gezondheid van [slachtoffer 2] .
17. De bestreden uitspraak houdt met betrekking tot de voorbedachte raad het volgende in:

Voorbedachte raad
Het hof ziet zich vervolgens geplaatst voor de vraag of de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Het hof overweegt eerst in algemene zin dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad is vereist dat komt vast te staan dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door haar genomen besluit en dat zij tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar aan contra-indicaties kan een zwaarder gewicht worden toegekend. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift hebben plaatsgevonden, dat sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit is ontstaan. Voorbedachte raad wijst op een moment van kalm beraad en rustig overleg, van bedaard nadenken voorafgaand aan de uitvoering.
Op grond van de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende een langere periode heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit. Daarbij wijst het hof er in het bijzonder op dat [getuige 1] op 20 augustus 2012 omstreeks 13.37 uur het laatste levensteken van [slachtoffer 2] heeft ontvangen. De verdachte heeft die dag vanaf 14.58 uur op internet gezocht op voorbeelden van wilsbeschikkingen. Vanaf 18.27 uur heeft zij diverse malen op internet gespeurd naar informatie over medicijnen, in het bijzonder over de aard en de (dodelijke) werking ervan. Zij heeft die avond om 21.33 uur een e-mail met een adreswijziging in het juiste adres verzonden aan de tussenpersoon van de verzekeraar bij wie zij valselijk een overlijdensrisicoverzekering had afgesloten op het leven van [slachtoffer 2] . Ook op 21 augustus 2012 heeft de verdachte op internet op verschillende momenten naar (de werking van) die medicijnen gezocht en heeft zij even na 13.00 uur die dag gekeken naar grafstukken met zonnebloemen. Verder heeft zij, als gezegd, op 21 augustus 2012 tegenover verschillende personen uitlatingen gedaan waaruit kan worden afgeleid dat zij op die momenten al op de hoogte was van het nadere levenseinde van [slachtoffer 2] . Op 22 augustus 2012 is [slachtoffer 2] komen te overlijden.
Tot slot heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte het er op enigerlei wijze toe heeft moeten leiden dat zij over de benodigde hoeveelheid medicijnen kwam te beschikken. Contra-indicaties voor voorbedachte raad zijn gesteld noch gebleken.
Gelet op dit alles heeft de verdachte tevoren het besluit genomen om [slachtoffer 2] van het leven te beroven en heeft zij tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan ruimschoots gelegenheid gehad over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Zij is klaarblijkelijk planmatig en berekenend te werk gegaan waarbij zij aandacht heeft besteed aan diverse aspecten ten behoeve van en rondom het overlijden van [slachtoffer 2] (gelet op onder meer de zoekslag naar medicijnen, de wilsverklaring die ertoe strekte onderzoek aan het lichaam te voorkomen en de adreswijziging ten behoeve van de overlijdensrisicoverzekering). Het hof acht daarom bewezen dat zij met voorbedachte raad heeft gehandeld.”
18. In zijn arrest van 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963,
NJ2014/156 m.nt. Keulen heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, overwogen:
“3.3 Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven (vgl. HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518).
3.4
De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. (…).”
19. De eerste rechtsklacht houdt allereerst in dat het hof verzuimd heeft in de voorbereidende keten vast te stellen op welk moment de verdachte het laakbare besluit heeft genomen om het slachtoffer van het leven te beroven. Gelet op de hierboven aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad vindt een dergelijke eis geen steun in het recht. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “voorbedachte raad” moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij dus niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De bepaling van een specifiek, voor het beraad geschikt, keuzemoment [1] is daarvoor geen noodzakelijke voorwaarde; als maar sprake is van een duidelijk vooropgezet plan.
20. Voorts merk ik in dat verband nog het volgende op. De steller van het middel meent voor zijn standpunt steun te vinden in het handboek
Materieel Strafrechtvan De Hullu. Ik kan mij evenwel niet aan de indruk onttrekken dat daaruit enigszins selectief is geciteerd. De Hullu bespreekt in zijn handboek, op de pagina waarnaar de steller van het middel verwijst, namelijk (ook) de indicaties die worden onderkend vóór het bewijs van voorbedachte raad. Ik wijs op de passage: “Daarbij zou niet alleen kunnen worden gedacht aan de min of meer archetypische voorbedachte raad, bestaande [uit] een duidelijk vooropgezet plan en onmiskenbare voorbereidingshandelingen ter uitvoering van dat plan (de klassieke gifmoord bijvoorbeeld), maar ook aan de aanwijsbaarheid van echte, voor beraad geschikte keuzemomenten.” [2] Het citaat spreekt wel voor zich: keuzemomenten vormen een aanknopingspunt voor het bewijs van voorbedachte raad, maar
de klassieke gifmoordwordt, en met recht, in het verband van de voorbedachte raad als archetypisch voorbeeld genoemd.
21. Het oordeel van het hof getuigt op dit punt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
22. In het verlengde daarvan, dan wel daarmee verweven, klaagt de eerste rechtsklacht anderdeels over een tegenstrijdigheid die zich in de bewijsoverwegingen van het hof zou voordoen. De overweging van het hof dat de verdachte zich gedurende een langere periode heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit zou volgens de steller van het middel innerlijk tegenstrijdig zijn met de overweging dat de verdachte ruimschoots gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
23. De in het middel bedoelde tegenstrijdigheid zie ik werkelijk niet. Het vereiste dat er een moment van bezinning voor de verdachte moet zijn geweest over het te nemen of het genomen besluit is rechtstreeks terug te voeren op de voornoemde rechtspraak van de Hoge Raad. Het hof heeft in dat verband gewezen op de lange reflectie-tijd die de verdachte heeft gehad om na te denken en rekenschap te geven over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad en op (in mijn woorden) de geraffineerdheid waarmee de verdachte daarbij te werk is gegaan. Of die reflectietijd betrekking heeft op de periode voorafgaand of na afloop van het besluit is daarbij niet van wezenlijk belang, te minder nu, zoals ik reeds heb aangegeven, mathematische exactheid in de bepaling van het allereerste moment van besluitvorming niet is vereist. Daarnaast is de grond voor strafverzwaring hier gelegen in de omstandigheid dat de betrokkene heeft nagedacht over zijn of haar voorgenomen handelen en hij of zij zich daardoor niet heeft laten weerhouden om toch het feit te plegen. Tegen die achtergrond is het moment van bezinning (hetzij vóór, hetzij na het nemen van het besluit doch vóór de uitvoering ervan) niet relevant. [3] Bovendien lijkt de steller van het middel eraan voorbij te gaan dat het hof, en wel op deugdelijke gronden, heeft vastgesteld dat de verdachte tevoren het besluit heeft genomen om [slachtoffer 2] van het leven te beroven en dat zij tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan ruimschoots gelegenheid heeft gehad over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Daarmee komt onmiskenbaar tot uitdrukking dát het hof de reflectietijd in ieder geval heeft gekoppeld aan een toen reeds eerder genomen besluit. Ook dit deel van de eerste rechtsklacht mist doel.
24. De tweede rechtsklacht, waarvan de strekking is dat voor het bewijs van voorbedachte raad in de onderhavige zaak de gelegenheid tot beraad onvoldoende is omdat daadwerkelijk beraad is vereist, faalt evident. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “voorbedachte raad” dient (onder meer) te worden vastgesteld dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit. Die benadering sluit aan bij de objectivering die in het kader van de invulling van het begrip voorbedachte raad waarneembaar is: de verdachte moet gezegd kunnen worden tijd en gelegenheid te hebben gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn of haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Wel kan de rechter aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toekennen, bijvoorbeeld ten aanzien van het bestaan van een hevige gemoedsbeweging.
25. Het oordeel van het hof dat de verdachte de bedoelde gelegenheid heeft gehad én dat contra-indicaties voor voorbedachte raad gesteld noch gebleken zijn, getuigt gelet op het voorgaande niet van een onjuiste rechtsopvatting.
26. Tot slot bevat het middel de motiveringsklacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte “anderszins handelingen [heeft] verricht” (welke schadelijk waren voor de gezondheid van [slachtoffer 2] , ten gevolge waarvan deze is overleden).
27. Ik denk dat de steller van het middel hier een punt heeft, zij het dat het middel niettemin tevergeefs is voorgesteld. De aard en de ernst van hetgeen in zaak A onder 5 primair is bewezenverklaard wordt immers niet wezenlijk aangetast indien het gewraakte onderdeel uit de bewezenverklaring wordt weggedacht of geschrapt.
28. Het middel faalt derhalve in al zijn onderdelen.
29. Het
derde middelkeert zich met een motiveringsklacht tegen de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.
30. Het hof heeft de oplegging van deze maatregel als volgt gemotiveerd:

Het oordeel van het hof
Strafoplegging
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte, alsook haar draagkracht, dit laatste in verband met na te melden beslissing omtrent het beslag. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
In 2004 heeft de verdachte haar eerste echtgenoot [slachtoffer 1] opzettelijk in hulpeloze toestand gelaten, ten gevolge waarvan hij - op vijfenveertigjarige leeftijd - is overleden. Terwijl de lichamelijke toestand van haar man zienderogen achteruit ging, heeft zij, in de wetenschap dat hij zou sterven, nagelaten medische hulp in te schakelen, terwijl de omstandigheden daartoe dringend noopten en zij dat aan haar echtgenoot ook verplicht was. In die zin kan de dood van haar echtgenoot de verdachte dan ook worden toegerekend, waardoor zij in zoverre ook verantwoordelijk is voor het grote verdriet dat diens dood zijn nabestaanden, waaronder de kinderen die hij samen met de verdachte had, heeft berokkend. Aldus heeft zij zich schuldig gemaakt aan een misdrijf van zeer serieus te nemen ernst, hetgeen tot uitdrukking komt in de strafbedreiging van een gevangenisstraf van negen jaren.
De verdachte heeft zich in 2012 schuldig gemaakt aan de moord op haar tweede echtgenoot [slachtoffer 2] . Daarbij heeft zij hem een combinatie van medicijnen toegediend en/of andere handelingen verricht die schadelijk waren voor zijn gezondheid, ten gevolge waarvan hij het leven heeft moeten laten. Daarbij is de verdachte uiterst geraffineerd en planmatig te werk gegaan. Zij heeft deze echtgenoot het meest fundamentele recht van een mens, het recht op leven, ontnomen. Aldus heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan één van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. De nabestaanden van [slachtoffer 2] , zijn moeder, zijn dochters en broers in het bijzonder, is onnoemelijk veel en onherstelbaar leed aangedaan. Zij moeten leren leven met de wetenschap dat de verdachte hun geliefde moedwillig het leven heeft benomen. Bij dit alles komt nog dat de verdachte zich bij haar handelen kennelijk (mede) heeft laten leiden door haar zucht naar financieel gewin. Kort voor het overlijden van haar echtgenoot heeft zij immers buiten zijn medeweten een levensverzekering op zijn naam afgesloten met behulp van valselijk opgemaakte documenten die moesten doorgaan voor stukken die door haar echtgenoot waren ingevuld en ondertekend. Na zijn overlijden is de verzekeringsmaatschappij overgegaan tot uitkering van de verzekeringspenningen ten bedrage van € 250.000; de verdachte heeft zich dus ook nog schuldig gemaakt aan oplichting van de verzekeraar, met alle financiële gevolgen voor die instelling van dien.
Tot slot heeft de verdachte zich in 2013 schuldig gemaakt aan brandstichting in de woning van haar nieuwe partner. De woning en de zich daarin bevindende inboedel is daarbij goeddeels verloren gegaan. Dit heeft voor haar partner grote materiële en financiële consequenties gehad, maar tevens kan worden aangenomen dat hij hiervan nadelige psychische gevolgen heeft ondervonden, ook omdat de verdachte het in haar door hem gestelde vertrouwen in een uitzonderlijke mate heeft beschaamd.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde en op de straffen die voor soortgelijke feiten plegen te worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van zeer lange duur met zich brengt.
Het hof heeft er acht op geslagen dat de verdachte, blijkens een haar betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 mei 2016, niet eerder is veroordeeld, hoewel uit dit uittreksel wel blijkt dat zij een transactie heeft aanvaard ten aanzien van door haar gepleegde verduistering in dienstbetrekking dan wel diefstal.
Ten aanzien van de vordering tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging
Juridisch kader
Een verdachte bij wie, tijdens het begaan van een feit, een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan op last van de rechter ter beschikking worden gesteld indien het door hem begane feit een misdrijf is dat wordt genoemd in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1°, Sr en de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist. Daarbij kan worden bevolen dat die verdachte van overheidswege wordt verpleegd, indien de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen zulks vereist.
De maatregel van terbeschikkingstelling ziet enerzijds op maatschappelijke beveiliging en anderzijds op re-integratie van de ter beschikking gestelde door middel van behandeling en/of verpleging. De vraag waar het hof zich voor gesteld ziet is of oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling en het bevel tot dwangverpleging in het onderhavige geval mogelijk en aangewezen is. Het hof overweegt daaromtrent als volgt.
Persoon van de verdachte
Omtrent de persoon van de verdachte is op 19 augustus 2014 gerapporteerd door psychiater A.E. Grochowska en psycholoog P.E. Geurkink, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht (hierna: PBC). De verdachte heeft meegewerkt aan de totstandkoming van dit rapport.
Op 8 september 2015 heeft het hof bevolen dat de gedragsdeskundigen Grochowska en Geurkink een actualiserend rapport omtrent de persoon van de verdachte zouden opstellen. De verdachte heeft aan deze nadere rapportage om haar moverende redenen niet willen meewerken, zo blijkt uit een brief van deze deskundigen van 17 december 2015 en het verhandelde op de terechtzitting in hoger beroep op 30 mei 2016. Gelet hierop en op het bepaalde in artikel 37a, derde lid, jo. artikel 37, tweede en derde lid, Sv, zal het hof bij zijn beslissing omtrent het opleggen van de maatregel letten op hetgeen in het rapport van 19 augustus 2014 is vervat.
In het PBC-rapport van 19 augustus 2014 is opgenomen dat tijdens het onderzoek een goed algemeen beeld is verkregen van het functioneren van de verdachte op relevante terreinen, maar er is ook een aantal hiaten gebleven in de (controleerbare) informatie over persoonlijkheidsaspecten en de levensloop, waardoor het zicht op onder meer de vroegkinderlijke ontwikkeling en het aangaan van eerste vriendschappelijke en intieme relaties niet geheel helder is geworden. Niettemin is - onder (veel) meer - het volgende gerapporteerd.
De verdachte, een gemiddeld intelligente vrouw die te maken heeft gehad met emotionele en pedagogische verwaarlozing in de vroege jeugd, is behept met een (ernstige) persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven (NAO) met borderline, afhankelijke en vermijdende trekken. Deze stoornis was bij de verdachte aanwezig ten tijde van het plegen van (alle) ten laste gelegde feiten.
De verdachte komt, meer bepaald, uit het onderzoek naar voren als een vrouw met weinig eigen autonomie die steeds een ander (ouder, partner, autoriteit van de kerk) nodig heeft om haar identiteit vorm te geven. Deze identiteitszwakte hangt samen met haar zwak geïntegreerde (onrijpe) persoonlijkheidstructuur. Gezien de ernst en duurzaamheid van de afwijkende innerlijke ervaringen en gedragspatronen die bestaan vanaf haar adolescentie wordt er voldaan aan de criteria voor de genoemde stoornis. Door haar lage zelfwaardering en de neiging om zich te onderwerpen aan anderen, is zij relationeel kwetsbaar, omdat zij te weinig eigen is en zich aanpast aan anderen ten koste van zichzelf. Binnen een relatie met een partner die de regie heeft kan zij zich niet lang staande houden, zonder het verlies van haar autonomie. Vanuit de vroege affectieve tekorten en het actuele gevoel van tekortkoming claimt zij haar recht op verzorging. Als haar partner niet aan haar verwachtingen blijkt te kunnen voldoen, raakt zij gekwetst en teleurgesteld. Zij vindt het echter moeilijk om uit een disfunctionele relatie te stappen uit angst om alleen te zijn, althans omdat zij de ander ook echt nodig heeft om zichzelf vorm te kunnen geven.
Vanuit haar (zeer) zwakke persoonlijkheidsstructuur verdraagt zij onlust en spanning slecht en probeert zij door primitieve afweer (loochening, ontkenning en externalisering) en fragmentatie te overleven, waarbij verschillende werelden en waarheden naast elkaar bestaan die niet geïntegreerd kunnen worden, omdat dit te bedreigend is en waarschijnlijk leidt tot desintegratie of mogelijk zelfs psychose. Er kan bij haar mitsdien worden gesproken van dissociatieve fenomenen. Zij maakt als primitieve afweer ook veelvuldig gebruik van leugens en wel in die mate dat sprake is van pathologisch liegen c.q. pseudologica fantastica. Verder heeft zij een sterke aandachtsbehoefte. Zij wil graag aardig gevonden worden en zet de realiteit gemakkelijk naar haar hand om als het ware te overleven op dat moment en desintegratie te voorkomen. Daardoor heeft haar geweten vaak onvoldoende grip op haar gedrag. Zij weet bijvoorbeeld dat stelen niet mag, maar ziet het op dat moment als een middel om aan een andere situatie te ontsnappen en dus als een gerechtvaardigd middel. In haar adolescentie is haar gewetensfunctie onvoldoende geïnternaliseerd. Zij onttrok zich vanaf haar vijftiende en zestiende levensjaar steeds meer aan het toezicht van haar ouders en vertoonde disfunctioneel gedrag (liegen, stiekem dingen doen, stelen), hetgeen persisteert gedurende de daaropvolgende jaren. Haar gewetensfunctie is vanaf de volwassen leeftijd dan ook lacunair te noemen.
Oordeel hof
Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog omtrent het bestaan van genoemde gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bij de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten worden gedragen door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzittingen in eerste aanleg en hoger beroep, is gebleken, neemt het hof die conclusies over en maakt die tot de zijne. Dat haar gewetensfunctie lacunair is vindt voorts bevestiging in het feit dat verdachte heeft erkend zich in 2010 en 2011 schuldig te hebben gemaakt aan de toe-eigening van geld en medicijnen van patiënten die zij onder haar hoede had, ten aanzien waarvan zij de reeds genoemde transactie heeft voldaan.
Het hof heeft zich er rekenschap van gegeven dat de gedragsdeskundigen hebben gerapporteerd dat zij tijdens hun onderzoek onvoldoende zicht hebben gekregen op de eventuele beweegredenen, gevoelens en gedragingen van de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten om een uitspraak te kunnen doen over een eventueel verband tussen de gediagnostiseerde stoornis en de haar ten laste gelegde feiten, indien bewezen, en evenmin over de mate waarin die stoornis in haar handelen dan heeft doorgewerkt. Er zijn volgens de deskundigen daarom veel delictscenario’s mogelijk, die elk kunnen variëren in de mate waarin de geconstateerde persoonlijkheidspathologie een rol heeft gespeeld. Zo kan er bij de onder 1 en 5 ten laste gelegde feiten sprake zijn geweest van een meer financieel opportunistisch motief of juist van een sterke ongezonde relatiedynamiek, waar zij geen uitweg meer voor zag. Om die redenen is het de deskundigen ook niet mogelijk gebleken de recidivekans te bepalen en te adviseren over de eventuele (behandel)maatregelen om die kans te reduceren.
Aangezien de persoonlijkheidspathologie van de verdachte door de betrokken deskundigen als ernstig wordt betiteld en deze ten tijde van alle bewezenverklaarde feiten bestond, gaat het hof ervan uit dat deze persoonlijksheidspathologie bij de totstandkoming van met name de in zaak A onder 1 meer subsidiair en 5 primair en in zaak B bewezen verklaarde feiten een rol heeft gespeeld. Meer specifiek acht het hof aannemelijk dat de verdachte, ongeacht haar drijfveren, heeft kunnen overgaan tot het plegen van genoemde uitermate ernstige feiten, omdat haar (lacunaire) geweten haar daarvan kennelijk telkens niet heeft weerhouden. Het hof acht mitsdien een direct verband aanwezig tussen de stoornis en de bewezenverklaarde feiten. Het hof gaat er voorts van uit dat de bewezen verklaarde feiten de verdachte niet geheel kunnen worden toegerekend.
Mede in het licht daarvan is hof van oordeel dat nu
- de verdachte met de in zaak A onder 1 meer subsidiair en 5 primair en in zaak B ten laste gelegde feiten tot op heden tot driemaal toe tot het plegen van uitzonderlijk ernstige misdrijven is gekomen, telkens jegens haar partner van dat moment,
- de verdachte ook naar eigen zeggen niet goed alleen kan zijn en zich zonder partner eigenlijk niet staande kan houden en
- gebleken is dat de verdachte na het overlijden van haar eerste en haar tweede echtgenoot telkens binnen korte tot zeer korte tijd een nieuwe relatie heeft aangeknoopt,
het hof het bestaan van een ernstig recidivegevaar reëel acht, welk gevaar verband houdt met de hiervoor genoemde psychische stoornis en wel van dien aard is dat de veiligheid van anderen, meer specifiek: haar toekomstige partners, de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege eist. Anders gezegd: afgestraft en onbehandeld blijft de verdachte naar het oordeel van het hof een te groot gevaar voor de Nederlandse samenleving. Gelet op de ernst van de gepleegde feiten, de door de deskundigen vastgestelde aard en de ernst van de bij verdachte aanwezige stoornis en voornoemd wezenlijk geacht recidivegevaar, acht het hof de verpleging van overheidswege noodzakelijk en de mogelijkheid om verdachte in een alternatief, minder vergaand behandelkader te (doen) plaatsen niet aan de orde.
Slotoverwegingen
Het hof stelt samenvattend vast dat, mede gelet op de conclusies van het PBC-rapport van 19 augustus 2014 en de in zaak A onder 1 meer subsidiair en 5 bewezen verklaarde feiten, aan de wettelijke eisen als genoemd in artikel 37a Sr is voldaan. Bij de verdachte was ten tijde van het begaan van die feiten immers sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, de door de verdachte begane feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en naar het oordeel van het hof eist de algemene veiligheid van personen oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling van de verdachte.
De maatregel zal worden opgelegd wegens moord en overtreding van artikel 257 Sr Pro, misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd is.”
31. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof, nu het hof primair de veiligheid van toekomstige partners beslissend acht voor de oplegging van de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging, niet zonder nadere motivering voorbij had mogen gaan aan de statistisch afgenomen kans van een vrouw, na oplegging van de geëiste straf van 20 jaar, op 66-jarige leeftijd “een nieuwe partner aan de haak te slaan” en/of evenmin voorbij mogen gaan aan de bescherming die de bijzondere voorwaarden als bedoeld in art. 15a, derde lid, Sr ingeval van een toekomstige partner hadden kunnen bieden.
32. Laat ik mij hier beperken tot de opmerking dat een dergelijk verweer in hoger beroep niet is gevoerd en dat voorts de bijzondere voorwaarden in de zin van het derde lid van art. 15a Sr slechts tijdelijk, zolang de proeftijd loopt, van kracht zijn. Het hof heeft uitvoerig en niet onbegrijpelijk gemotiveerd waarom het van oordeel is dat de veiligheid van anderen de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege eist. De leeftijd die de verdachte bij aanvang van deze TBS zal hebben en de door de steller van het middel genoemde statistische kans voor een oudere vrouw op het vinden van een nieuwe partner doen daaraan niet af.
33. Het middel faalt.
34. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
35. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
36. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Ontleend aan J. de Hullu,
2.A.w., p. 261.
3.Zie ook de conclusie (onder 3.6) van mijn ambtgenoot Machielse voorafgaand aan HR 27 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6308,