Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onder 1.ahoudt in dat de rechtbank heeft miskend dat strikt de hand moet worden gehouden aan het voorschrift in art. 14d, lid 2, tweede volzin, Wet Bopz. De geneesheer-directeur trad hier op als een bestuursorgaan in de zin van art. 1:1 Awb Pro en is als zodanig gebonden aan de voorschriften van de Awb, waaronder art. 3:45 (vermelding rechtsmiddel), art. 3:46 en Pro art. 3:47 (bekendmaking en motivering) Awb. De rechtbank heeft volgens betrokkene miskend dat het hier gaat om een door art. 5 lid 1 EVRM Pro vereiste procedurele waarborg voor een rechtmatige vrijheidsbeneming.
onder 1.cdat de rechtbank ten onrechte niet de gevolgtrekking heeft gemaakt (i) dat de overschrijding van de termijn van vier dagen in strijd is met de wet en (ii) dat het besluit van de geneesheer-directeur, althans de gedwongen opneming in het ziekenhuis, onrechtmatig is en (iii) dat de rechtbank de beslissing van de geneesheer-directeur had dienen te vernietigen, nu dit besluit in feite pas na zes weken aan betrokkene is medegedeeld. De klachten van onderdeel 1 lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
doetde geneesheer-directeur de betrokken patiënt opnemen in het psychiatrisch ziekenhuis dat in het behandelplan daartoe is aangewezen (art. 14d Wet Bopz). Op grond van ditzelfde artikel
kande geneesheer-directeur de betrokkene in het ziekenhuis doen opnemen indien de betrokkene de bij het verlenen van de voorwaardelijke machtiging gestelde voorwaarden niet naleeft. In beide gevallen verbindt art. 14d, lid 2, tweede volzin, Wet Bopz aan de beslissing van de geneesheer-directeur tot opneming van rechtswege het gevolg dat de vigerende voorwaardelijke machtiging voor het restant van haar looptijd wordt geconverteerd in een (onvoorwaardelijke) voorlopige machtiging als bedoeld in art. 2 Wet Pro Bopz.
ex tunc): art. 5 lid 4 EVRM Pro veronderstelt dat de
habeas corpus-rechter rekening houdt met omstandigheden die pas aan het licht zijn gekomen na de initiële beslissing tot vrijheidsbeneming. Voor zover het gaat om ontneming van de vrijheid aan geesteszieken op de voet van art. 5, lid 1 onder e, EVRM is actueel medisch-psychiatrisch onderzoek vereist en kan niet worden volstaan met informatie over de toestand van de patiënt in het verleden [10] .
ex tunckunnen combineren met het door art. 5 lid 4 EVRM Pro vereiste oordeel
ex nuncover wel of niet voortzetting van de onvrijwillige opneming in een psychiatrisch ziekenhuis. Ook zou de Bopz-rechter in voorkomend geval gebruik kunnen maken van aan het bestuursprocesrecht ontleende rechtsfiguren, zoals de mogelijkheid om na een vernietiging van het besluit van het bestuursorgaan te bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven (naar analogie van art. 8:72 Awb Pro) of de mogelijkheid van een ongegrondverklaring van het beroep op de grond dat aannemelijk is dat schending van het vormvoorschrift geen nadeel heeft veroorzaakt (naar analogie van art. 6:22 Awb Pro). Vanuit bestuursrechtelijk perspectief werd naar voren gebracht dat de beslissing van de Hoge Raad van 17 februari 2006 vragen oproept over de juridische status van het besluit van de geneesheer-directeur: Indien de beslissing van de geneesheer-directeur niet kan worden vernietigd in een Awb-beroepsgang en ook niet in een Bopz-procedure, behoudt dit besluit dan rechtskracht naast de beslissing van de burgerlijke rechter als bedoeld in art. 14e Wet Bopz? [13]
enover het voortduren van die vrijheidsbeneming” (onderstreping toegevoegd). De Hoge Raad overwoog [15] :
ex nuncen
ex tunc) zonder dat de patiënt daarvoor schadevergoeding of een verklaring voor recht behoeft te vorderen. Na een herhaling van de maatstaf uit HR 17 februari 2006 overwoog de Hoge Raad op 17 oktober 2014 [16] :
Everyone who is arrested shall be informed promptly, in a language which he understands, of the reasons for his arrest and of any charge against him”. Hoewel de bewoordingen van dit artikellid doen denken aan de arrestatie van een verdachte van een strafbaar feit, geldt deze regel ook voor personen, aan wie de vrijheid wordt ontnomen op grond van art. 5, lid 1 onder e, EVRM (geestelijke stoornis e.a.) [21] . Art. 5 lid 2 schrijft Pro weliswaar voor dat de betrokkene wordt ingelicht over de gronden van zijn vrijheidsbeneming, maar stelt niet de eis dat dit
schriftelijkgebeurt. Over schending van art. 5 lid 2 EVRM Pro wordt in het cassatiemiddel niet geklaagd (vgl. art. 419 lid 1 Rv Pro).
lawful detention’, welke heeft plaatsgevonden ‘
in accordance with a procedure prescribed by law’. De bepaling in art. 14d lid 2 Wet Bopz over de kennisgeving binnen vier dagen met opgaaf van redenen is te beschouwen als een bijzondere bepaling die derogeert aan de bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht over de bekendmaking van besluiten. Art. 14d lid 2 Wet Bopz schrijft voor dat de geneesheer-directeur
uiterlijk vier dagen na zijn beslissingtot opneming de betrokkene daarvan schriftelijk in kennis stelt onder mededeling van de redenen van de beslissing. Deze informatieverstrekking kan plaatsvinden zowel vóór als na de feitelijke aanvang van de vrijheidsbeneming. Blijkens de memorie van toelichting is de wetgever ervan uitgegaan dat een gemotiveerde schriftelijke kennisgeving nodig is om het de patiënt mogelijk te maken, in rechte op te komen tegen de vrijheidsbeneming [22] . In dit geval is de schriftelijke gemotiveerde kennisgeving geschied met een overschrijding van de termijn van vier dagen. Aan het voorschrift van art. 14d lid 2 Wet Bopz is dus niet voldaan. De schriftelijke gemotiveerde kennisgeving is gedaan nadat betrokkene om een beslissing van de rechter had verzocht, maar nog vóór de mondelinge behandeling door de rechtbank. Anders dan het middelonderdeel veronderstelt, verbindt noch de nationale wet noch art. 5 EVRM Pro hieraan het rechtsgevolg dat betrokkene onmiddellijk in vrijheid moest worden gesteld of dat de beslissing van de geneesheer-directeur als bedoeld in art. 14d Wet Bopz ongedaan moet worden gemaakt. Indien nog geen motivering bekend is (omdat de mededeling van art. 14d lid 2 Wet Bopz nog niet heeft plaatsgevonden), kan een verzoek als bedoeld in art. 14e worden ingediend op nader aan te voeren gronden. Een sanctie op het niet naleven van het wettelijke vormvoorschrift ten aanzien van de wijze van bekendmaking kan ook worden gevonden in andere maatregelen dan invrijheidstelling, zoals, onder meer, het toekennen van een vergoeding voor geleden (immateriële) schade. De omstandigheid dat de geneesheer-directeur in dit verband optreedt als een bestuursorgaan in de zin van art. 1:1 Awb Pro en als zodanig gebonden is aan de voorschriften van de Awb, brengt in het voorgaande geen verandering, zodat de onderdelen 1.a en 1.b niet slagen. Onderdeel 1 faalt.
in accordance with a procedure prescribed by law” kan zijn indien de beslissing van de geneesheer-directeur niet in overeenstemming is met de nationale wet. De toelichting wijst op het vereiste van een “
lawful detention”, in art. 5 lid 1 EVRM Pro.