Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primair– te bepalen dat de woning geen deel uitmaakt van de gemeenschap van goederen en –
subsidiair– de woning aan hem toe te delen en te bepalen dat hij in het kader daarvan aan de vrouw een bedrag ter grootte van de helft van ¼ deel van de waarde ad € 350.000 (ofwel € 43.750, A-G) dient te betalen. [5]
Gemeld kwijtgescholden bedrag, zomede de inkomsten en wederbeleggingen daarvan zal nimmer vallen in enige vermogensrechtelijke gemeenschap waarin de verkrijger is of ooit zullen zijn gehuwd en zal evenmin deel uitmaken van enige verrekening krachtens huwelijksvoorwaarden of samenlevingsovereenkomst.”
2.Beoordeling van het cassatieberoep
(t)en aanzien van deze kwijtschelding”, de bedoeling van partijen in de notariële akte c.q. die van de moeder (als schenker) ten onrechte en in het licht van de stellingen van de man onbegrijpelijk (beperkt) heeft uitgelegd aldus dat de uitsluitingsclausule uitsluitend en alleen was bedoeld zich uit te strekken tot “
het kwijtgescholden bedrag, zomede de inkomsten en wederbeleggingen daarvan”. Deze algemene rechts- en motiveringsklacht wordt uitgewerkt in drie subonderdelen.
subonderdelen 1.2 en 1.3klagen dat het hof bij zijn uitleg van de uitsluitingsclausule ten onrechte niet, dan wel op een uit de gegeven motivering niet voldoende kenbare wijze, heeft betrokken de als essentieel aan te merken stelling van de man, samengevat, dat de moeder als schenker van het uitkoopbedrag met de in de notariële akte vermelde samenhangende handelingen ook heeft beoogd haar ¾ aandeel in de woning buiten de toekomstige huwelijksgemeenschap te laten vallen.
Ten aanzien van deze kwijtschelding” kennelijk en niet onbegrijpelijk op de omstandigheid dat de aangehaalde clausule in de akte is opgenomen onder het kopje “Kwijtschelding”. Een uitleg van de bepaling valt daarin niet te lezen.
het geschil [...] zich derhalve toe[spitst] op (de uitleg van) voormelde uitsluitingsclausule”, in rov. 5.3 (aangehaald hiervoor onder 1.7) geoordeeld dat de woning niet is verkregen onder uitsluitingsclausule en daarom voor het geheel tot de huwelijksgemeenschap behoort, en wel “
reeds hierom” dat – kort samengevat – art. 3:186 lid 2 BW Pro daaraan in de weg staat. Mijns inziens dient het oordeel van het hof in rov. 5.3 aldus te worden verstaan dat – wat ook de bedoeling van de moeder met de in de notariële akte van verdeling opgenomen uitsluitingsclausule is geweest – een dergelijke uitsluitingsclausule niet van toepassing kan zijn geworden op de (door de werking van art. 3:186 lid 2 BW Pro als zodanig geldende)
erfrechtelijkeverkrijging van de woning door de man. De moeder kan in die gedachtegang immers niet
alsnogeen uitsluitingsclausule van toepassing verklaren op een erfrechtelijke verkrijging waarop de erflater een dergelijke clausule
nietvan toepassing had verklaard. In dat geval is dus niet (alleen) bepalend wat de bedoeling van de (schenkende) moeder met haar uitsluitingsclausule is geweest, maar (ook) of aan de verkrijging wel een uitsluitingsclausule
kanworden verbonden en of dat kan worden gedaan
door de persoon die dat beoogt te doen.
‘voor het geheel’tot de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen is gaan behoren, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans een onbegrijpelijk (gemotiveerd) oordeel heeft gegeven. Deze algemene klacht wordt uitgewerkt in vijf subonderdelen.
subonderdeel 2.2, dat het onder subonderdeel 2.1 bedoelde samenstel van gelijktijdig verrichte rechtshandelingen tot gevolg heeft gehad dat, naar analogische toepassing van het bepaalde in art. 1:124 lid 2 oud Pro BW (thans art. 1:95 BW Pro), de woning c.a. onder de gegeven omstandigheden als gevolg van zaaksvervanging buiten de huwelijksgoederengemeenschap van partijen is gebleven, nu de moeder het door de man voor haar ¾ aandeel in de woning c.a. verschuldigde bedrag als ‘uitkoopsom’ (compensatie van zijn overbedelingsschuld, omgezet in een leenschuld) geheel onder de in deze notariële akte van verdeling opgenomen uitsluitingsclausule heeft kwijtgescholden c.q. bij wijze van ‘gift’ heeft geschonken, waaronder de man en zijn moeder volgens de toen heersende leer mede begrepen de vruchten en inkomsten van de schenking (art. 1:124 lid 1 oud Pro BW). Aangezien het hof in zijn beschikkingen in het midden liet dat, zoals de man in deze procedure betoogde, de woning c.a. (met de in de notariële akte van verdeling van 1 oktober 1992 bedoelde rechtshandelingen) “
voor driekwart met privévermogen gefinancierd” is, kan de juistheid van deze stelling in cassatie – bij wijze van hypothetisch feitelijke grondslag – veronderstellenderwijs tot uitgangspunt worden genomen. Aldus kan/moet het ervoor worden gehouden dat de moeder en de man bedoelden het overgedragen ¾ aandeel in de woning c.a. buiten elke huwelijksgoederengemeenschap (tussen de man en een ander) te houden nu diens tegenprestatie voor meer dan de helft ten laste van zijn privévermogen was gekomen. Zoals in HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1199, NJ 2015/378 uitgemaakt, kan (en mag) in de gegeven omstandigheden in gevallen als het onderhavige ervan worden uitgegaan dat de in 1992 geldende regeling van art. 1:124 lid 2 oud Pro BW, naar algemeen aangenomen, analogisch moe(s)t worden toegepast op de gemeenschap van goederen met als (rechts-)gevolg dat die goederen buiten de gemeenschap blijven voor zover deze voor meer dan 50% zijn gefinancierd uit het privévermogen van de degene die, met het samenstel van in de notariële akte gelijktijdig verrichte rechtshandelingen, de goederen in eigendom verkreeg (de man) van degene die de koopsom, c.q. overbedelingsschuld c.q. ‘geconverteerde’ leenschuld, aan hem (de man) heeft kwijtgescholden (de moeder). Het hof heeft het voorgaande miskend c.q. ten onrechte niet in zijn oordelen betrokken.
subonderdeel 2.3in rov. 5.3 e.v. blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen c.q. ervan uit te gaan dat de verdeling tussen de man en zijn moeder en hetgeen te dien aanzien tussen hem en zijn moeder is overeengekomen, op grond van het bepaalde in art. 3:186 lid 2 BW Pro onverlet liet dat ook na de verdeling de man de woning c.a. hield ten titel van erfrecht zonder dat daarop een uitsluitingsclausule van toepassing is, waardoor de woning c.a. niet is verkregen onder uitsluitingsclausule en daarom “
voor het geheel” is gaan behoren tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen. Aldus miskende het hof dat door de dood van zijn vader de man krachtens erfrecht slechts gerechtigd was tot ¼ gedeelte van de door het overlijden ontbonden huwelijksgemeenschap van zijn ouders, zoals de rechtbank in haar beschikking (blz. 4) terecht heeft geoordeeld, welk oordeel in hoger beroep onbestreden is gebleven. Anders dan het hof in rov. 5.3 van zijn tussenbeschikking kennelijk en ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen, heeft de man de woning c.a. niet “
voor het geheel” krachtens erfrecht verkregen maar verkreeg hij slechts ¼ aandeel daarvan en heeft hij met de notariële akte van verdeling van 1 oktober 1992 uit hoofde van koop en/of schenking van de moeder haar ¾ aandeel in de woning c.a. overgedragen en geleverd gekregen (onder de uitsluitingsclausule; zie onder subonderdeel 2.1 en 2.2). Ten onrechte oordeelde het hof dan ook, en ging het verder ervan uit, dat de man het – in het kader van de verdeling door zijn moeder hem ten titel van koop of gift/ schenking overgedragen – ¾ aandeel in de woning c.a. ingevolge art. 3:186 lid 2 BW Pro ‘krachtens erfrecht’ heeft verkregen en “
[o]ok na de verdeling (...) derhalve de woning ten titel van erfrecht” hield (zonder dat daarop een uitsluitingsclausule van toepassing is); de moeder had, in ieder geval, de helft niet van de vader ‘krachtens erfrecht’ verkregen nu zij daarvan vóór diens dood al rechthebbende was. ’s Hofs oordeel, samengevat, dat art. 3:186 lid 2 BW Pro meebrengt dat – kennelijk bij wijze van ‘absorptie’ – na de verdeling tussen de moeder en de man haar ¾ aandeel in de woning c.a. moet worden geacht door de man “
voor het geheel” te zijn verkregen “
krachtens erfrecht” en “
ten titel van erfrecht” gelijk het door hem verkregen ¼ aandeel, getuigt dan ook (of althans) in zoverre van een onjuiste rechtsopvatting.
onder bgerangschikte, aansluitende alinea wordt nog geklaagd dat indien ’s hofs hier bestreden oordelen niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, deze oordelen althans feitelijke grondslag ontberen c.q. in het licht van de tussen partijen vaststaande feiten onbegrijpelijk zijn nu het hof in rov. 5.1 en 5.3 had vastgesteld dat de desbetreffende woning en landbouwgrond vóór het overlijden van de vader van de man toebehoorde aan zijn ouders die in gemeenschap van goederen waren gehuwd, de ouders derhalve als toenmalige echtgenoten mede-eigenaar waren en zij aldus ieder voor de helft gerechtigd waren tot de woning en de landbouwgrond. Tegen de achtergrond van deze vaststaande feiten is onbegrijpelijk dat het hof in rov. 5.3 van zijn tussenbeschikking heeft kunnen komen tot zijn (eind)oordeel dat door het overlijden van de vader “
de man tezamen met zijn moeder gerechtigd[zijn]
geworden tot die onverdeelde ontbonden[huwelijks]
gemeenschap[van de ouders]
en de daartoe behorende nalatenschap van zijn vader” waarmee, voor het geheel van de woning c.a., “
de titel van verkrijging van het aandeel van de man en dat van zijn moeder daarin er een krachtens erfrecht[is]”. Immers, het hof zag hier eraan voorbij dat voor wat betreft het aandeel van de moeder de titel van verkrijging voor haar ¾ gedeelte van de woning c.a. er niet één (van rechtsopvolging onder algemene titel) krachtens erfrecht is geweest, nu op grond van het versterferfrecht de moeder net als de man “
ieder voor een gelijk deel” ¼ onverdeeld aandeel in de woning c.a. had verkregen uit de nalatenschap van de vader; d.i. de helft van zijn mede-eigendom onder het geldende huwelijksgoederenregime. Door dit laatste in (rov. 5.3 e.v. van) zijn tussenbeschikking en daarop voortbouwende eindbeschikking verder niet tot uitgangspunt te nemen, getuigen deze beschikkingen van het hof dan ook (of althans) in zoverre van een onjuiste rechtsopvatting.
subonderdeel 2.1);
kwijtscheldingverbonden) uitsluitingsclausule? Althans geldt daarbij dat ‘door de constructie heen kan worden gekeken’ in die zin dat in feite sprake is of kan worden uitgegaan van de (gedeeltelijke) financiering van de woning met door de ouder(s) verschafte privégelden, zoals in de beschikking van 1 mei 2015 [14] aan de orde was? (
subonderdelen 2.1 en 2.2);
subonderdeel 2.2);
subonderdeel 2.3);
a)de situatie waarin de woning bij de (althans in theorie) vóórafgaande verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap aan de nalatenschap van de vader wordt toegedeeld, om vervolgens aan de man te worden toegedeeld bij de verdeling van de nalatenschap, en
b)de situatie waarin de woning aan de (helft van de huwelijksgoederengemeenschap van de) moeder wordt toegedeeld en derhalve buiten de nalatenschap valt, om vervolgens door haar aan de man te worden overgedragen? (
subonderdeel 2.4).
subonderdeel 2.1dat het arrest Erven Bal ook hier van toepassing is,
subonderdeel 2.2dat ook de beschikking van 1 mei 2015 hier van toepassing is, en
subonderdeel 2.3dat art. 3:186 lid 2 BW Pro daarin geen verschil brengt en/of door het hof onjuist is toegepast.
Onder bbevat het onderdeel nog een op subonderdeel 2.3 aansluitende motiveringsklacht.
Subonderdeel 2.4klaagt in het verlengde van die klachten over het oordeel dat het arrest Erven Bal (slechts) van toepassing zou (kunnen) zijn als de man en zijn moeder eerst de door de dood van zijn vader ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van de ouders zouden hebben verdeeld en daarbij de woning c.a. zouden hebben toegedeeld aan de moeder die deze vervolgens (bij gift) onder uitsluitingsclausule zou hebben toegedeeld aan de man, en
subonderdeel 2.5bevat een veegklacht.
volledigetegenprestatie. Daarbij lijkt, althans in de laatste uitspraak, voor Uw Raad van belang te zijn dat de rechtshandelingen die het samenstel van rechtshandelingen vormen alle op dezelfde dag zijn verricht. [18] Ook spelen de bedoelingen van de ouder(s) met deze constructie, en de (erfrechtelijke) motieven die aan de vormgeving ervan ten grondslag hebben gelegen, een belangrijke rol.
zomede de inkomsten en de wederbeleggingen daarvan” [21] en stelt hij dat “
nu uit bedoelde akte al blijkt dat het kwijtgescholden bedrag reeds belegd is in het aan de man overgedragen huis en perceel grond, kan worden vastgesteld dat als gevolg daarvan de uitsluitingsclausule ook betrekking heeft op de woning”. [22] Voorts baseert hij zich op het arrest Erven Bal ter ondersteuning van zijn betoog dat “
de overdracht aan de man van de onverdeelde helft van het verdeelde aandeel in de genoemde woning en perceel grond met gelijktijdige kwijtschelding van de koopsom moet worden aangemerkt als een schenking van (het aandeel in) het pand zelf, waarop de uitsluitingsclausule zoals opgenomen in de schenkingsakte van toepassing is” en dat “
dit (…) met zich mee[brengt]
dat de uitsluitingsclausule welke opgenomen is in de akte betrekking heeft op de eigendomsoverdracht aan de man van het onverdeelde aandeel in de woning en grond, zodat dit onverdeelde aandeel geen deel uitmaakt van de huwelijksgoederengemeenschap waarin de man in een later stadium is gehuwd”. [23] Ook in hoger beroep stelt de man dat hij “
slechts ¼ van de woning [heeft] ingebracht in de gemeenschap van goederen van partijen”. [24] Hij verzoekt daarbij te bepalen dat aan de man wordt toebedeeld het in de gemeenschap vallend aandeel van de woning en dat hij ter zake daarvan nog aan de vrouw dient te betalen een bedrag gelijk aan de helft van één vierde deel van de waarde van de woning. [25]
primairstelt dat het huis en de grond géén deel uitmaken van de gemeenschap en
subsidiairdat de man aan de vrouw moet betalen zoals in het appelschrift verwoord. [26] Deze wijziging van het verzochte is door het hof gehonoreerd (tussenbeschikking rov. 4.2), waarbij het hof vaststelt dat de man zich
primairop het standpunt stelt dat de woning nimmer tot de gemeenschap van partijen heeft behoord, nu de verdeling tussen hem en zijn moeder en de direct daarop volgende kwijtschelding van de koopsom als één geheel dienen te worden beschouwd, wat op grond van vaste rechtspraak meebrengt dat de uitsluitingsclausule zich uitstrekt over (het toegedeelde aandeel in) de woning en de grond, en
subsidiairstelt dat de beleggingsleer geldt en dat een/vierde deel van de (waarde van de) woning in de gemeenschap is gevallen en de rest van de (waarde van de) woning door hem onder uitsluitingsclausule is verkregen (rov. 5.2). Tegen deze vaststelling wordt in cassatie niet opgekomen.
en toekomstigegemeenschap te houden waarin de begiftigde is
of zaltrouwen. Dat blijkt ook duidelijk uit de formulering van de uitsluitingsclausule in de onderhavige zaak, waarin wordt gesproken van “
enige vermogensrechtelijke gemeenschap waarin de verkrijger is of ooit zullen[zal, A-G]
zijn gehuwd”. Ook de (analoge) toepassing van art. 1:124 lid 2 oud Pro BW/1:95 lid 1 BW betreft vervolgens zowel de uitsluitingsclausule die zijn werking doet gelden ten aanzien van een bestaande gemeenschap als de clausule die dat doet ten aanzien van een toekomstige gemeenschap. De onder uitsluitingsclausule verkregen goederen verkrijgen immers, indien en zolang er nog geen gemeenschap bestaat waarin zij zouden
kunnenvallen, reeds een zekere status als ‘uitgesloten’ goederen die niet in toekomstige gemeenschappen zullen vallen. Niet valt in te zien dat deze status gedurende deze periode niet ‘overdraagbaar’ zou zijn op de goederen die voor meer dan de helft met behulp van de in eerste instantie ‘uitgesloten’ goederen zijn verkregen. [31]
op grond van het samenstel van rechtshandelingenslechts een onverdeeld (¾) aandeel in de woning onder uitsluitingsclausule is verkregen. Hier was, anders dan in het tot Uw beschikking van 2015 leidende geval, geen sprake van de verkrijging van de
gehelewoning door het samenstel van rechtshandelingen, onder kwijtschelding van een
gedeelte(van meer dan de helft) van de tegenprestatie, maar er was sprake van de verkrijging van een
gedeeltevan de woning door het samenstel van rechtshandelingen, onder kwijtschelding van de
geheletegenprestatie (waarbij dat laatste in ieder geval geen verschil uitmaakt [32] ). Aantekening verdient echter dat hier het andere (¼) onverdeelde aandeel van de woning – door het enkele feit van het overlijden van zijn vader – óók reeds door de man was verkregen, wat tot gevolg heeft dat hier niet de vraag voorligt of (slechts) een onverdeeld aandeel in de woning (al dan niet) in de gemeenschap is gevallen, maar ook hier derhalve nog altijd de vraag aan de orde is of dat gebeurd is met de
gehele– bij de verdeling (in zijn geheel) aan de man toegedeelde – woning. De precieze verkrijging uit een nalatenschap (van welke goederen etc.) krijgt immers pas haar definitieve beslag bij de verdeling van die nalatenschap, en dus werd pas met die verdeling duidelijk dat de man de gehele woning in eigendom zou verkrijgen (en verkreeg hij de – gehele – woning ook pas door de uitvoering van die verdeling op grond van art. 3:186 lid 1 BW Pro). [33] De vraag of ook een onverdeeld aandeel in een woning als een ‘goed’ in de zin van art. 1:95 BW Pro is aan te merken, behoeft daarbij mijns inziens dus niet te worden beantwoord (al neig ik naar een bevestigende beantwoording [34] ).
erflaterverkreeg (vaak een bijzondere titel [40] ) van belang te zijn en niet zozeer de titel waaronder de deelgenoten van de huwelijksgoederengemeenschap c.q. nalatenschap tezamen vóór de verdeling hadden verkregen (in dit geval krachtens huwelijksvermogensrecht/boedelmenging en krachtens erfrecht; beide een algemene titel). [41] Het is echter niet te ontkennen dat er tussen het moment van erfopvolging en dat van verkrijging door een erfgenaam van de hem in een verdeling toegedeelde goederen wel degelijk het een en ander heeft en/of kan hebben plaatsgevonden, en dat die gebeurtenissen of handelingen ook gevolgen met zich (kunnen) brengen. Het is dan ook minstgenomen twijfelachtig of art. 3:186 lid 2 BW Pro het gevolg moet hebben dat het hof in de nu voorliggende zaak eraan heeft verbonden, en of het derhalve in de weg zou staan aan de werking van de door de moeder bij haar gift ter gelegenheid van de verdeling opgenomen uitsluitingsclausule, op de grond dat de man hetgeen hij bij de verdeling verkrijgt (de woning) geacht wordt geheel ten titel van erfrecht te hebben verkregen.
testamentaireuitsluitingsclausule, ten aanzien waarvan werd geoordeeld dat die na de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en nalatenschap (mede) op grond van art. 1129 oud Pro BW doorwerkte over de als gevolg van die verdeling door een erfgename in haar hoedanigheid van erfgename verkregen goederen in hun geheel, nu zij geacht moest worden deze goederen geheel uit de nalatenschap te hebben verkregen. [43] Dat resultaat ligt (ook nu nog) voor de hand, nu (naar huidig recht) art. 3:186 lid 2 BW Pro in algemene zin nu juist als doel heeft om – in het kader van de verdeling van een nalatenschapsgemeenschap – de na overlijden van de erflater door de daarop gevolgde erfopvolging reeds bestaande situatie niet door de
enkeleverdeling van de (huwelijksgoederengemeenschap en) nalatenschap en de daarvoor vereiste levering te doen veranderen.
aanvullendsamenstel van rechtshandelingen geweest waarbij de moeder in het kader van de verdeling in feite om niet over haar aandeel in (de woning in) de huwelijksgoederengemeenschap en nalatenschap beschikte, maar nam zij daarbij
óókeen (
aan deze gift verbonden) uitsluitingsclausule op, en vooral dat laatste brengt zijn eigen gevolgen met zich.
Diegevolgen beoogt art. 3:186 lid 2 BW Pro mijns inziens
niette blokkeren. Ik zie daarvoor ook geen rechtvaardiging. Logisch komt mij – in ieder geval na het Vier huizen-arrest – immers voor dat een door de erflater gemaakte uitsluitingsclausule ook zijn werking heeft op hetgeen de erfgenamen bij de verdeling van de nalatenschap
daadwerkelijkverkrijgen (en dat een eventuele gift van de langstlevende echtgenoot bij de verdeling van de nalatenschap alsmede een eventueel van de wil van de erflater afwijkende bedoeling van die echtgenoot daaraan niet in de weg kunnen staan). Logisch komt mij echter (daarmee nog) niet voor dat als een erflater géén uitsluitingsclausule heeft gemaakt, er dan ook geen enkele uitsluitingsclausule van toepassing kan worden op hetgeen de erfgenamen bij de verdeling van de nalatenschap verkrijgen, óók niet als die verdeling gepaard gaat met een gift onder uitsluitingsclausule van de ene deelgenoot aan de andere. Dit geldt mijns inziens temeer als die gift niet (alleen) nalatenschapsvermogen omvat, maar (ook) vermogen dat (voor een onverdeeld aandeel) tevoren reeds aan één van de deelgenoten toebehoorde op grond van het huwelijksvermogensrecht (in dit geval ¼ respectievelijk ½ onverdeeld aandeel van de huwelijksgoederengemeenschap). Ook in het feit dat dit laatstgenoemde vermogen krachtens huwelijksvermogensrecht werd gehouden, verandert door de enkele verdeling op grond van art. 3:186 lid 2 BW Pro immers niets. [44]
buiteneen gemeenschap en/of verrekening tussen de begiftigde (of krachtens erfrecht verkrijgende) en zijn echtgenoot wil houden. [46] Voorts strookt een en ander met het belang dat Uw Raad getuige de hiervoor besproken jurisprudentie aan de bedoelingen van de schenker hecht. [47] [48]
an sichals in de daartoe behorende nalatenschap [50] ). Een andere opvatting leidt naar mijn idee tot een onnodig formalistische benadering.
subonderdeel 3.1miskent het hof aldus dat op grond van het bepaalde in art. 1:94 lid 1 oud Pro (1:94 lid 2, onderdeel a, en art. 134) BW de ‘bij de gift’ bepaalde uitsluiting van de gemeenschap van goederen omvat de aan het geschonken goed verbonden materiële bevoordeling, als gevolg waarvan de vermogenswaarde van het onder uitsluitingsclausule verkregen voordeel dient toe te komen aan de verkrijgende echtgenoot in privé voor zover het betreffende goed in de huwelijksgoederengemeenschap valt. Volgens de door de man ingeroepen beleggingsleer (rov. 5.2 tussenbeschikking hof) kwam hem op grond van het hier toepasselijke, vóór 1 januari 2012 geldende recht dan ook een vergoedingsrecht toe, c.q. heeft de man recht op teruggave van, ten minste en in ieder geval, het nominale bedrag dat de moeder van de man bij notariële akte van verdeling van 1 oktober 1992 aan de man als (geconverteerde) leenschuld had kwijtgescholden, welk kwijtgescholden bedrag dient te worden vermeerderd met de waardestijging(en) van het door de moeder aan hem overgedragen ¾ aandeel in de woning c.a.
nominalevergoedingsvordering op de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen. [54] Bijzondere omstandigheden op grond waarvan hier van die nominaliteit zou moeten worden afgeweken, lijken in de onderhavige casus niet te zijn aangevoerd, althans wordt daarnaar in cassatie niet verwezen.
datgevolg van het samenstel van rechtshandelingen dat in deze zaak is verricht, kan mijns inziens niet worden veronachtzaamd op de enkele grond dat de man vanwege de werking van art. 3:186 lid 2 BW Pro moet worden geacht de woning in haar geheel krachtens erfrecht te hebben verkregen. Hoogstens kan dan gezegd worden dat de moeder haar hier tegenover staande vordering uit onderbedeling eveneens krachtens erfrecht heeft verkregen, en ook de schuld van de man krachtens erfrecht is verkregen en derhalve in de tussen partijen later ontstane gemeenschap van goederen kon vallen. De hierop volgende en separate kwijtschelding door de moeder van het bedrag van ’s mans in een lening omgezette overbedelingsschuld kan echter niet óók als verkrijging door de man krachtens erfrecht worden aangemerkt; daarvoor was toch echt méér vereist dan de
enkeleverdeling in de zin van art. 3:186 lid 2 BW Pro.
nietkonden gaan behoren, zoals bedoeld in art. 1:95 lid 2 oud Pro BW (het huidige art. 1:96 lid 3 BW Pro). Met het aangaan van het huwelijk viel, in het in dit onderdeel behandelde geval, de
woningin de gemeenschap, omdat daarop de uitsluitingsclausule niet van toepassing is. Op het bij de toedeling van de woning als kwijtgescholden bedrag gedane
giftwas de clausule wél van toepassing; dat bedrag zou met het aangaan van het huwelijk dus buiten de gemeenschap zijn gebleven. Dat daarmee de – net als de woning niet van de (toen nog toekomstige) gemeenschap uitgesloten – schuld uit overbedeling c.q. lening was voldaan, heeft dan echter als gevolg dat niet zozeer het bedrag zelf buiten de daarna ontstane gemeenschap blijft, maar dat bij het ontstaan van die gemeenschap een vergoedingsrecht ontstaat als hierboven beschreven. [55]
nominaalvergoedingsrecht, niet voor zover het bepleit dat het vergoedingsrecht moet worden gerelateerd aan de waardestijging van de woning.