Conclusie
Op de terechtzittingen in eerste aanleg van 7 februari 2013 en 25 april 2013 heeft de verdachte verklaard dat hij “het” niet heeft gedaan. Ook op de terechtzitting in eerste aanleg van 27 juni 2013 heeft de verdachte alle ten laste gelegde feiten ontkend en heeft hij ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 een alternatief scenario naar voren gebracht, inhoudende dat hij naar parkeerplaatsen is gegaan teneinde te kijken naar staplekken voor woonwagens van kermisexploitanten. Op die terechtzitting zijn de audiovisuele beelden getoond van de politieverhoren van de verdachte op 14 en 15 mei 2012. In haar promis-vonnis van 18 juli 2013 heeft de rechtbank de op 15 mei 2012 bij de politie afgelegde bekennende verklaringen van de verdachte tot het bewijs gebezigd en de verdachte ter zake van negen brandstichtingen, waardoor levensgevaar voor andere personen te duchten was, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren.
Op de terechtzittingen in hoger beroep van 25 februari 2014 en 2 oktober 2015 heeft de verdachte de bosbranden (feiten 1, 2 en 3) bekend en heeft hij de woningbranden en de autobrand (feiten 4, 7 en 8) ontkend. Op de terechtzitting in hoger beroep van 2 oktober 2015 zijn de beelden van (een deel van) het tweede politieverhoor van de verdachte op 15 mei 2012 vertoond. In zijn arrest van 2 maart 2016 heeft het hof ten aanzien van de feiten 4, 7 en 8 de op 15 mei 2012 bij de politie afgelegde bekennende verklaringen van de verdachte voor het bewijs gebruikt, terwijl het hof ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 de op de terechtzitting in hoger beroep van 25 februari 2014 afgelegde bekennende verklaring van de verdachte tot het bewijs heeft gebezigd. Het hof heeft de verdachte wegens deze brandstichtingen, met dien verstande dat volgens het hof alleen door feit 7 levensgevaar voor andere personen te duchten was, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren.
De cassatiemiddelen hebben betrekking op de feiten 4, 7 en 8. De feiten 1, 2 en 3 staan in cassatie dus niet ter discussie.
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten aanzien van de feiten 4, 7 en 8 is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de raadsman van de verdachte, inhoudende dat de op 15 mei 2012 bij de politie afgelegde bekennende verklaringen van de verdachte wegens onbetrouwbaarheid van het bewijs dienen te worden uitgesloten, zonder in het bijzonder de redenen te hebben opgegeven die daartoe hebben geleid, althans dat het oordeel van het hof dat die verklaring betrouwbaar is niet naar de eisen der wet met redenen is omkleed.
Vervolgens heeft het hof de op 15 mei 2012 bij de politie afgelegde verklaringen van de verdachte deels als bewijsmiddelen 10 en 11 (feit 4), 14 (feit 7) en 18, 19, 22, 25, 26 en 29 (feit 8) tot het bewijs gebezigd.
tweede middelbevat de klacht dat het hof het voorwaardelijk verzoek van de raadsman van de verdachte tot benoeming van een deskundige teneinde onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid van de bij de politie afgelegde verklaringen van de verdachte, gelet op hetgeen aan dit verzoek ten grondslag is gelegd, ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.
(i) Op de terechtzitting in hoger beroep van 25 februari 2014 heeft de raadsman van de verdachte verzocht om “Van Koppen of Smeets” als deskundige te benoemen teneinde onderzoek te laten doen naar de waarheidsgetrouwheid van de bekennende verklaringen van de verdachte bij de politie. De raadsman heeft ter onderbouwing van dit verzoek onder verwijzing naar het rapport van de deskundige Ameling, een artikel van Smeets en de verklaring van de verdachte dat hij een valse bekentenis heeft afgelegd het volgende aangevoerd. De verdachte heeft bij de politie bekend om onder de druk vandaan te komen. Het gaat niet om de vraag of tijdens de verhoren ongeoorloofde druk is uitgeoefend, aangezien dat oordeel aan het hof is voorbehouden en de raadsman zich kan vinden in het oordeel van de rechtbank op dit punt. Het gaat om de vraag of het mogelijk is dat de verdachte een valse bekentenis heeft afgelegd. Het gevraagde onderzoek is van belang, aangezien de bewijsconstructie in belangrijke mate op de verklaring van de verdachte is gebaseerd.
derde middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 4 niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, althans dat het hof het tot vrijspraak van dit feit strekkende verweer van de raadsman van de verdachte ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
vierde middelbevat de klacht dat de bewezenverklaring van feit 7 niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, althans dat het hof het tot vrijspraak van dit feit strekkende verweer van de raadsman van de verdachte ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
vijfde middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 8 niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, althans dat het hof het tot vrijspraak van dit feit strekkende verweer van de raadsman van de verdachte ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.