Conclusie
eerste middelwordt de stelling ingenomen dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, aangezien het hof bij de bewezenverklaring van de medeplichtigheid van verdachte een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, althans zijn beslissing onvoldoende en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
nietwas gericht, ook niet in voorwaardelijke zin, op het uiteindelijk gepleegde misdrijf. Het hof heeft geoordeeld dat de oplichting waarop verdachtes opzet was gericht, op grond van de door het hof aangehaalde omstandigheden, voldoende verband hield met de gepleegde afpersing om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van medeplichtigheid aan die afpersing. Dat oordeel geeft naar mijn mening geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De crux in deze zaak is of deze door het hof aangehaalde omstandigheden voldoende kunnen worden geacht om het verschil tussen de beoogde oplichting en de gepleegde afpersing te overbruggen. Ik meen dat het oordeel van het hof dat hierop betrekking heeft niet onbegrijpelijk is en ook toereikend is gemotiveerd. De bewezenverklaring is hiermee naar de eis der wet met redenen omkleed, waardoor het middel faalt.
tweede middelwordt geklaagd dat de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad zijn gezonden, zodat de redelijke termijn is geschonden.