Als verklaring van [betrokkene 8] (blz. 364 tot en met 365):
Toen ik naar De Kuil keek zag ik dat er vijf jongens aan kwamen lopen. Ze liepen met zijn vijven in de richting van het bankje. Op nog geen vijf meter kwam er een jongen met een honkbalknuppel uit de bosjes. Ik zag en hoorde dat hij een keer vol uithaalde met de honkbalknuppel naar een van de jongens die op het bankje zat. Vervolgens werd er een paar keer geslagen met honkbalknuppels en met de vuisten. Een andere jongen die ook bij het groepje hoorde dat op het bankje zat, werd toen hij op stond geslagen met een honkbalknuppel. Ik zag dat er vol werd uitgehaald. Ik zag dat de persoon die werd geraakt met de honkbalknuppel direct neerviel. Daarna was het hooguit nog vijf seconden en rende de groep weg en reden vervolgens weg in een auto. De auto betrof een Seat Leon, kleur bordeauxrood, paarsachtig.”
4.3. Het hof heeft geen afzonderlijke bewijsoverweging gewijd aan de voorbedachte raad en in het middel staat de vraag centraal of de bewezenverklaring van de voorbedachte raad uit de inhoud van de door het hof gebruikte bewijsmiddelen kan worden afgeleid. De steller van het middel meent van niet en baseert zich daarbij op de algemene uitgangspunten die de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest van 15 oktober 2013 ten aanzien van de voorbedachte raad heeft geformuleerd.Deze uitgangspunten kunnen als volgt worden samengevat.
- Bij een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad", moet uit de bewijsvoering blijken dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en dat hij zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven.
- Een objectieve aanwijzing kan daarbij zijn hoeveel tijd de verdachte heeft gehad om zich te beraden. Deze tijdspanne moet voldoende zijn, wil op grond daarvan kunnen worden aangenomen dat de verdachte daadwerkelijk heeft kunnen nadenken over hetgeen hij van plan was en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.
- Daarbij is niet alleen de vraag of de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden van belang, maar gaat het steeds om de weging van alle concrete omstandigheden van het geval door de feitenrechter, waarbij voor de beantwoording van de vraag of er sprake is geweest van voorbedachte raad een samenstel van factoren (zoals de tijdspanne tussen besluit en uitvoering, of er sprake was van een hevige gemoedsbeweging, welke uitlatingen de verdachte heeft gedaan) een rol kan spelen.
- Als de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen voortvloeit, dan moet de rechter aan de bovengemelde omstandigheden in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht besteden.
4.4. Zoals gezegd heeft het hof zijn oordeel dat er sprake is geweest van voorbedachte raad niet nader gemotiveerd, hetgeen mogelijk is ingegeven door de omstandigheid dat de verdediging zich ter terechtzitting van 20 maart 2015 met betrekking tot de bewezenverklaring heeft gerefereerd aan het oordeel van het hof.Het ontbreken van een (nadere) motivering hoeft echter op zich niet in de weg te staan aan een bewezenverklaring van voorbedachte raad; maar dan moet de voorbedachte raad wel rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgen. Naar mijn mening is dat laatste in onderhavige zaak zonder meer het geval.
4.5. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat op 12 augustus 2011 een woordenwisseling is ontstaan tussen enerzijds een groep bestaande uit [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] en anderzijds de verdachte en [betrokkene 5] . De verdachte en [betrokkene 5] hebben hierbij gezegd “We komen zo wel terug” en zijn vervolgens weggereden in een Seat Leon.
Vervolgens kwam twintig à dertig minuten later de Seat Leon weer aangereden met daarachter een scooter. Op de scooter zaten [betrokkene 9] en [betrokkene 6] . Zij waren naar aanleiding van de woordenwisseling gevraagd om te komen. Uit de auto stapten [betrokkene 5] , de verdachte, de broer van verdachte en een persoon met een bril. Door de verdachte en zijn broer werden uit de kofferbak van de auto twee harde voorwerpen, waaronder minstens één honkbalknuppel, gepakt.
Daarna is de groep bestaande uit de verdachte, [betrokkene 5] , de broer van de verdachte, de persoon met de bril, [betrokkene 9] en [betrokkene 6] in de richting van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gelopen. Toen de rest van de groep zich op enige afstand van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bevonden, hebben één of twee personen uit de groep [betrokkene 1] en [betrokkene 2] onverhoeds van achteren aangevallen. Daarna zijn [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ook aangevallen door de rest van de groep. De verdachte heeft daarbij één van hen met een hard voorwerp geslagen.
4.6. Hieruit volgt dat minstens twintig tot dertig minuten zijn verstreken tussen het vertrek van de verdachte na de woordenwisseling en het uitgeoefende geweld. Uit de bewijsmiddelen blijkt ook dat gedurende deze tijd anderen zijn benaderd, kennelijk om de verdachte en [betrokkene 5] bij te staan. Uit wat er vervolgens is gebeurd en de wijze waarop [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn ingesloten en geslagen, blijkt een duidelijke planmatigheid. Gelet daarop acht ik het impliciete oordeel van het hof dat verdachte en zijn medeverdachten niet hebben gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, maar dat het uitgeoefende geweld het gevolg is van een eerder genomen besluit, ten aanzien waarvan de verdachte en zijn medeverdachten voldoende tijd hebben gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen hiervan en zich daarvan rekenschap hebben kunnen geven, niet onbegrijpelijk.Van enige contra-indicaties die aanleiding zouden kunnen vormen om tot een ander oordeel te komen is geen sprake en deze zijn ook ten overstaan van het hof door de verdediging niet aangevoerd.
4.7. Voor zover het middel berust op de stelling dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen zou moeten blijken op welk moment het besluit precies is genomen en hoeveel tijd tussen het nemen van dit besluit en de uitvoering daarvan is verstreken, stelt het middel mijns inziens een eis die de wet niet kent en die evenmin in de jurisprudentie is geformuleerd: het gaat immers steeds om de beoordeling van het feitencomplex in zijn geheel.
4.8. Gelet op het vorenstaande meen ik dat het oordeel van het hof dat verdachte en zijn medeverdachten met voorbedachte raad hebben gehandeld niet onbegrijpelijk is en, nu de voorbedachte raad rechtstreeks uit de bewijsmiddelen kan volgen, toereikend is gemotiveerd.
4.9. Het eerste middel faalt.