Conclusie
eerste middelbevat de klacht dat het hof de vervolgingsuitlevering van de opgeëiste persoon ten onrechte toelaatbaar heeft verklaard, omdat sprake zou zijn van een dreigende (flagrante) schending van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.
voltooideinbreuk op artikel 6 EVRM Pro moet worden geconcludeerd tot ontoelaatbaarheid van de uitlevering.
toekomstigeschending, geldt dat aan de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering beslist geen oordeel toekomt over de rechtmatigheid van de bewijsgaring ten behoeve van de strafzaak in de verzoekende staat (HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3540 en 3543).”
tweedeen het
derde middelbehoeven geen uitgebreide bespreking. Het
tweede middelheeft betrekking op het door de raadsvrouw gevoerde verweer dat de opgeëiste persoon niet schuldig kan zijn aan de drugsfeiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht omdat uit het overgelegde bewijsmateriaal niet blijkt dat hij wist dat de in Curaçao gekochte drugs bestemd waren voor import in de Verenigde Staten van Amerika. Het hof heeft dit verweer echter op niet onbegrijpelijk wijze verworpen met de overweging dat de verdediging er met dit verweer niet in is geslaagd de onschuld van de opgeëiste persoon onverwijld aan te tonen, terwijl het hof in het kader van de onderhavige uitleveringsprocedure niet tot nader onderzoek gehouden was. [5] Voor zover door de steller van het middel in cassatie wordt betoogd dat het voorhanden bewijsmateriaal “op geen enkele wijze in enige aanwijzing aangaande bekendheid van rekwirant met de bestemming van de drugs [voorziet]”, merk ik nog op dat in de door de Amerikaanse autoriteiten overgelegde stukken met bewijsmateriaal wel degelijk wordt gesproken over de (Amerikaanse) bestemming van de in Curaçao gekochte drugs. [6]
derde middelevenmin kan slagen, ligt reeds besloten in het falen van het eerste middel. In het middel wordt geklaagd over de overwegingen van het hof over het verweer van de raadsvrouw dat door de Amerikaanse autoriteiten geen stukken zijn overgelegd aan de hand waarvan de rechtmatigheid van de gebruikte opsporingsmiddelen kan worden beoordeeld en dat om die reden niet is voldaan aan de in art. 9, derde lid aanhef en onder b, van het Uitleveringsverdrag neergelegde eis van overlegging van het bewijsmateriaal tegen de opgeëiste persoon. Nu het hof met juistheid heeft geoordeeld dat de uitleveringsrechter in een procedure als de onderhavige geen oordeel toekomt over de rechtmatigheid van de bewijsgaring in de verzoekende Staat zelf, had het hof geen andere mogelijkheid dan het verweer te verwerpen zoals het dat heeft gedaan.