ECLI:NL:PHR:2017:875
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid Hoge Raad inzake verzoek tot ontslag raadsheren Centrale Raad van Beroep
Verzoekster heeft bij de Hoge Raad cassatieberoep ingesteld tegen de beslissing van de procureur-generaal (PG) om geen vordering tot ontslag van drie raadsheren bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in te dienen. De Hoge Raad oordeelt dat er geen wettelijke bepaling bestaat die het mogelijk maakt om tegen een dergelijk besluit van de PG een rechtsmiddel aan te wenden.
De Hoge Raad benadrukt dat de PG niet als bestuursorgaan wordt aangemerkt volgens artikel 1:1.2.g van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waardoor de in de Awb voorziene rechtsmiddelen niet van toepassing zijn op beslissingen van de PG. Ook heeft de Hoge Raad geen wettelijke bevoegdheid om verzoeken tot ontslag of onderzoek in behandeling te nemen zonder een daartoe strekkende vordering van de PG.
Het verzoek tot ontslag was gebaseerd op bezwaren tegen rechterlijke beslissingen van de genoemde raadsheren in een eerdere zaak over schorsing en strafontslag. De Hoge Raad stelt dat dergelijke bezwaren uitsluitend via het reguliere rechtsmiddelenstelsel kunnen worden behandeld en geen grond vormen voor ontslag van rechters.
De Hoge Raad bevestigt dat de raadsheren voor het leven zijn benoemd en dat ontslagbeslissingen alleen op vordering van de PG kunnen worden genomen. Het wettelijk systeem sluit uit dat de Hoge Raad zelf of verzoekster zonder vordering van de PG een ontslagprocedure kan starten. Daarom wordt het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan bevoegdheid.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van wettelijke bevoegdheid om het verzoek tot ontslag van raadsheren zonder vordering van de procureur-generaal in behandeling te nemen.