ECLI:NL:PHR:2017:877
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt dadelijke uitvoerbaarheid contactverbod bij zware mishandeling levensgezel
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde verdachte wegens zware mishandeling van zijn levensgezel tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Daarbij legde het hof een bijzondere voorwaarde op: een dadelijk uitvoerbaar contactverbod met het slachtoffer en haar zoon gedurende de proeftijd.
Verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. Het eerste middel betrof de kwalificatie van het slachtoffer als 'levensgezel' in de zin van art. 304 Sr Pro, welk middel faalde omdat het hof dit op juiste gronden had vastgesteld. Het tweede middel richtte zich op het contactverbod, met name de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan jegens de zoon van het slachtoffer.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de dadelijke uitvoerbaarheid van het contactverbod noodzakelijk was. Echter, vanwege het ontbreken van belang bij vernietiging van deze dadelijke uitvoerbaarheid, verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk. De proeftijd gaat immers pas lopen bij onherroepelijkheid van het arrest, waardoor het vernietigen van de dadelijke uitvoerbaarheid geen voordeel oplevert voor verdachte.
De Hoge Raad bevestigde dat het opleggen van het contactverbod zelf, ook jegens de zoon van het slachtoffer, niet onbegrijpelijk was gelet op de omstandigheden en het preventieve doel. De beslissing tot dadelijke uitvoerbaarheid werd echter vernietigd om motiveringsgebrek, zonder dat dit tot herziening van de strafoplegging leidde.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de dadelijke uitvoerbaarheid van het contactverbod maar verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang.