ECLI:NL:PHR:2017:909
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt schending redelijke termijn bij ontneming wederrechtelijk voordeel
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch legde verdachte een betalingsverplichting van €62.977 op ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Verdachte stelde cassatie in tegen dit arrest met meerdere middelen, waaronder schending van de redelijke termijn en beginselen van goede procesorde.
De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn in de cassatiefase fors is overschreden, zowel bij de inzending van het cassatieberoep als bij de afhandeling. Dit leidt echter niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, aangezien vaste jurisprudentie matiging van het ontnemingsbedrag als passende compensatie voorschrijft.
De klachten over het beslag, dat in België is gelegd naar aanleiding van een Nederlands rechtshulpverzoek, en de onduidelijkheid daarover, worden door het hof beoordeeld en verworpen. Ook het verweer dat het hof ten onrechte rekening hield met wederrechtelijk voordeel uit soortgelijke feiten wordt afgewezen, omdat voldoende aanwijzingen bestaan dat deze feiten zich hebben voorgedaan en verdachte niet voldeed aan de administratieplicht.
De Hoge Raad volgt het oordeel van het hof dat de schending van de redelijke termijn in de hoofdzaak reeds tot matiging heeft geleid, waardoor verdere matiging in de ontnemingszaak niet nodig is. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen, met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Uitkomst: De Hoge Raad stelt schending van de redelijke termijn vast maar verwerpt het cassatieberoep verder.