- Een zogenaamde voorzittersbeslissing van 1 december 2015 houdt, gelet op de gebleken overeenstemming tussen partijen en op grond van art. 412, eerste lid, jo. 258, tweede lid, Sv, in dat als getuigen zullen worden opgeroepen om te worden gehoord ten overstaan van de (gedelegeerd) raadsheer-commissaris [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] .
- Het proces-verbaal van de (pro forma) zitting van het hof van 15 maart 2016 waarbij verdachte bijgestaan door zijn raadsman mr. E. Roethof is verschenen, houdt onder meer in als mededeling van de voorzitter dat de eerste getuige inmiddels is gehoord en dat de tweede volgende week gehoord zal worden.
- De inhoudelijke behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van het hof van 14 juni 2016 alwaar verdachte bijgestaan door zijn (opvolgend) raadsman mr. J.A.P.F. Hoens is verschenen.
- Voorafgaande aan die zitting van het hof van 14 juni 2016 heeft mr. Hoens de advocaat-generaal bij het hof bij mailbericht van 23 mei 2016 verzocht [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als getuigen voor de zitting van het hof op te roepen. Het mailbericht houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“(…)[verdachte] heeft mij kort geleden verzocht de verdediging van hem in deze zaak over te nemen van advocatenkantoor Roethof, in het bijzonder mr. Bruinsma. Aan zijn verzoek heb ik inmiddels gehoor gegeven. Bij uw parket en het Hof ben ik inmiddels geregistreerd als de raadsman van [verdachte] .
(…)Namens [verdachte] verzoek ik u voor die zitting als getuigen op te roepen:
• [slachtoffer 1] , geboren [geboortedatum] 1970.
• [slachtoffer 2] , geboren [geboortedatum] 1939.
Beide heren zijn inmiddels gehoord bij de Raadsheer-Commissaris van het Hof. Hierachter treft u aan de processen verbaal van deze verhoren.
Hieruit blijkt dat bij geen van beide verhoren de raadsman van de verdachte aanwezig was. Daardoor heeft de verdediging niet aan de getuigen die (indringende) vragen kunnen stellen die gezien het belang van de zaak noodzakelijk waren.
Het is en blijft uiteraard onbegrijpelijk dat advocatenkantoor Roethof niet heeft kunnen zorgdragen voor de aanwezigheid van een raadsman bij de beide verhoren. Dit te minder, nu al op voorhand vast stond hoe essentieel en belangrijk deze verhoren zouden zijn voor het verloop van de zaak.
Mijn cliënt is met deze gang van zaken eerste sinds kort en via mij geïnformeerd. Hij begrijpt hier helemaal niets van. Als verdachte kon en mocht hij er van uit gaan dat zijn raadsman dan wel een vervanger bij de verhoren aanwezig zou zijn? Op diens afwezigheid bij zulke belangrijke verhoren hoefde hij op geen enkele wijze bedacht te zijn. Daarom kan hem het nalaten van zijn toenmalige advocaat niet worden toe- of aangerekend, ook niet in strafprocessuele zin.
Het is noodzakelijk dat de beide verdachten [lees: getuigen; PV] alsnog en wel ter zitting worden gehoord door het Hof. De (huidige) raadsman van de verdachte heeft immers nog niet de kans gehad hen te ondervragen over hetgeen zij in belastende zin hebben verklaard.
Voorts is het noodzakelijk dat het Hof ter zitting zich een oordeel kan vormen over de geloofwaardigheid van hetgeen de getuigen in een eerder stadium hebben verklaard.
• Zie ook het EHRM in de Matysina/Rusland zaak: “It is an important element of fair criminal proceedings that the accused is confronted with the
witness in the presence of the judge who ultimately decides the case in order for that judge to hear the witness directly, observe his demeanor and to form an opinion about his credibilty" (EHRM 27 maart 2014, app. 58428/10; Matysina v.s Rusland). Ook uit Hoge Raad 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:12 kan worden afgeleid dat de Hoge Raad het belangrijk vindt dat een eerder gehoorde getuige onder omstandigheden nogmaals ter zitting wordt gehoord. Getuige [slachtoffer 1] geeft ten overstaan van de Raadsheer-Commissaris een verklaring over het voorval die op essentiële onderdelen afwijkt van hetgeen hij eerder heeft verklaard bij de politie. Getuige [slachtoffer 2] beroept zich in eens om onverklaarbare redenen op zijn recht tot verschoning, zonder zijn eerdere verklaringen bij de politie te bevestigen dan wel te ontkennen.
Hiervoor heb ik namens mijn cliënt kort geleden al eerder de aandacht gevraagd bij het Hof. Dat gebeurde in het kader van een verzoek tot opheffing c.q. schorsing van de voorlopige hechtenis. In de bijlage is het verzoek opgenomen. Daarin treft u aan een nadere uitwerking van het bovenstaande.
Vanwege deze onverklaarbare opstelling van de beide getuigen is eens te meer de vraag aan de orde in hoeverre zij c.q. hun verklaringen betrouwbaar zijn te achten. Kan en mag op basis van wat zij hebben verklaard de verdachte worden veroordeeld? De rechtbank Midden - Nederland was in ieder geval volmondig tot deze conclusie gekomen. Op basis van de daarna afgelegde verklaringen kunnen bij deze conclusie de nodige vraagtekens worden gezet.
De zittingsrechter kan de vraag inzake de betrouwbaarheid van de beide getuigen in feite alleen afdoende beantwoorden als hij de beide getuigen persoonlijk (ter zitting) heeft kunnen waarnemen. In verband hiermee verzoek ik u de beide getuigen middels een dagvaarding op te roepen voor de komende zitting van 14 juni aanstaande. Mocht dat niet mogelijk zijn dan verneem ik dat graag schriftelijk van u en onder opgaaf van redenen. (...). ’ “
- De pleitnota van de raadsman die aan het hof is overgelegd en aan het proces-verbaal van de zitting van het hof van 14 juni 2016 is gehecht, houdt inzake de voorwaardelijke getuigenverzoeken onder meer in:
“De verdediging heeft het openbaar ministerie verzocht vader en [slachtoffer 1] als getuigen op te roepen voor deze zitting. Een afschrift hiervan is in het bezit van uw Hof. Het openbaar ministerie heeft dat niet gedaan. De vraag is nu of beide heren alsnog ter zitting van uw Hof moeten worden gehoord. Daarvoor is uiteraard toestemming van uw Hof noodzakelijk.
Het belang van het horen voor verdachte is in het verzoek aan het openbaar ministerie uiteengezet. Uw Hof heeft er kennis van genomen. De vraag is of verdachte er in dit stadium nog belang bij heeft. Dat belang is aanwezig voor het geval uw Hof overweegt de verklaringen van vader en [slachtoffer 1] net als de rechtbank geloofwaardig te achten voor een veroordeling en net als in eerste instantie een langdurige gevangenisstraf wenst op te leggen. Voor dat geval verzoek ik nu namens verdachte ter zitting te beslissen op zijn verzoek tot het horen van de getuigen.
(…)
Ook voor het geval u overweegt dit verzoek af te wijzen verzoek ik u de beide getuigen ter zitting alsnog te horen.”