Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
ernstigverwijtbaar handelen in de zin van art. 7:673 lid Pro 7, onder c, BW, zodat op grond van die bepaling AVT geen transitievergoeding is verschuldigd. Algehele afwijzing van de transitievergoeding acht de kantonrechter echter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (art. 7:673 lid 8 BW Pro). AVT is veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding van € 25.000,- bruto. De kantonrechter heeft voorts overwogen geen reden te zien om [verweerder] op de voet van art. 7:671b lid 8, onderdeel c, BW een billijke vergoeding toe te kennen.
3.Inleiding op de bespreking van het cassatiemiddel
op initiatief van de werkgeverplaatsvindt. [3] Het gaat om de volgende gevallen:
op initiatief van de werknemerwegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
a. de werknemer minderjarig is;
b. de werknemer aansluitend de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;
ernstigverwijtbaar handelen of nalaten. [22] Nu ‘gewoon’ verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer wel een van de opzeggingsgronden van art. 7:669 BW Pro is, namelijk die in lid 3, onder e (‘de e-grond’), betekent dat dat in een dergelijk geval de arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden, mét toekenning van de transitievergoeding.
Wel vervalt bij ernstige verwijtbaarheid van de werknemer – en dus ook bij een ontslag op staande voet – de aanspraak van deze werknemer op de transitievergoeding.” [38] Hieruit zou de conclusie getrokken kunnen worden dat bij een ontslag op staande voet altijd sprake moet zijn van ernstige verwijtbaarheid van de werknemer, zodat een dringende reden ontbreekt indien de verwijtbaarheid ontbreekt. Dat dat niet de bedoeling is geweest, blijkt uit wat de minister hierover tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer heeft gezegd: [39]
ernstigverwijtbaar is. [42]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelheeft betrekking op rov. 3.12, waarin het hof oordeelt dat het niet reageren door [verweerder] op twee e-mails van een belangrijke klant (Accell Hunland) niet kan worden gekwalificeerd als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten in de zin van art. 7:763 lid Pro 7, onder c, BW. Het hof overwoog daartoe als volgt.
Overigens: [verweerder] maakt deze kwestie belangrijker dan die voor het ontslag feitelijk is. De kwestie Accell Hunland was voor AVT bezwaarlijk, en reden voor waarschuwende woorden aan het adres van [verweerder] , maar op zich geen reden om naar een beëindiging van het dienstverband te streven.”Het verweerschrift vervolgt echter met de volgende zin (zin ii):
“Het was wel de aanleiding voor het met [verweerder] besproken onderzoek, omdat [verweerder] ontkende de mails te hebben gehad; tijdens dat onderzoek bleek dat [verweerder] allerlei bedrijfsgegevens naar zijn eigen mailadres had doorgezonden, en later ook dat hij de calculaties had meegenomen."Hiermee is volgens het onderdeel duidelijk dat de eerste zin uitsluitend ziet op de periode voorafgaand aan het onderzoek dat AVT heeft ingesteld. Toen uit dit onderzoek bleek dat [verweerder] de orders wel degelijk had ontvangen, maar de e-mails, nadat hij deze had geopend, had verwijderd, was dat wel degelijk reden voor AVT om naar beëindiging van het dienstverband te streven, aldus het onderdeel. De lezing die het hof geeft van de stellingen van AVT is daarom volgens het onderdeel onbegrijpelijk.
tweede onderdeelis gericht tegen rov 3.15, waarin het hof het verwijt bespreekt dat [verweerder] prijscalculaties op een usb-stick heeft geplaatst (verwijt sub c). Het hof heeft daarover het volgende overwogen:
7. [verweerder] heeft de informatie meegenomen in een periode waarin hij bij rechtstreekse concurrenten van AVT solliciteert;
eerste subonderdeel(p. 3 laatste alinea en eerste alinea p. 4) wordt aangevoerd dat het op een usb-stick plaatsen van calculaties op zichzelf reeds – dus ook als [verweerder] niet de intentie had om zijn geheimhoudingsverplichting te schenden of op andere wijze misbruik te maken van de calculaties – als ernstig verwijtbaar handelen moet worden aangemerkt. AVT verwijst naar wat zij daarover in hoger beroep heeft aangevoerd, namelijk dat er voor het op de usb-stick plaatsen en mee naar huis nemen van gegevens door [verweerder] geen reële reden is gegeven of denkbaar is; dat hij dat gedaan heeft in een periode waarin hij solliciteerde bij concurrenten van AVT; dat hij stelt de calculaties nodig te hebben om analyses te maken, maar dat hij helemaal geen analyses hoefde te maken en dat hij daarvoor ook was niet was opgeleid; dat hij bovendien de calculaties niet nodig had voor een dergelijke analyse, en dat [verweerder] daarmee een onnodig en onaanvaardbaar risico voor AVT heeft gecreëerd (verweerschrift in hoger beroep, punt 20). Volgens het subonderdeel is dan ook niet relevant of [verweerder] de intentie had om zijn geheimhoudingsplicht te schenden.
geen reële redenwas om de gegevens op de stick te plaatsen en mee naar huis te nemen. Uit rov. 3.14 en 3.15 blijkt dat het hof de stellingen van AVT ook op die manier heeft begrepen, en onderzocht heeft of er inderdaad geen reële reden voor [verweerder] was voor zijn handelwijze. De klacht vindt dan ook geen steun in hetgeen door AVT in feitelijke instanties is aangevoerd.
ernstige verwijtbaarheidvan art. 7:673 lid Pro 7, onder c, BW. Rov. 3.15, die handelt over de kwestie rond de usb-stick, begint met de vaststelling dat [verweerder] geen regels van AVT heeft overtreden en dat niet is komen vast te staan dat [verweerder] zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Vervolgens onderzoekt het hof of anderszins sprake is van ernstig verwijtbaar handelen, namelijk voor zover [verweerder] met het op de usb-stick plaatsen van gegevens de intentie zou hebben gehad zijn geheimhoudingsplicht te schenden. Ook in dat geval, zo is kennelijk de redenering van het hof, kan sprake zijn van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] . Dit uitgangspunt is terecht: indien ervan moet worden uitgegaan dat [verweerder] door het op een usb-stick plaatsen van prijscalculaties geen regels van AVT heeft overtreden en niet zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden, kan niet worden gezegd (zoals AVT thans in cassatie bepleit) dat het op een usb-stick plaatsen van de gegevens op zichzelf reeds ernstig verwijtbaar is en dat niet relevant is wat de intenties van [verweerder] daarbij waren. Ook in dit opzicht faalt de klacht van het eerste subonderdeel.
tweede subonderdeel(p. 4, tweede alinea en p. 5) houdt in dat het oordeel van het hof dat niet kan worden vastgesteld dat [verweerder] de intentie had om zijn geheimhoudingsverplichting te schenden onbegrijpelijk is, gelet op de volgende ingenomen stellingen:
derde subonderdeel(p. 5, tweede alinea) is de overweging van het hof in rov. 3.15, ‘[dat] het in beide gevallen kennelijk [gaat] om andere informatie dan [verweerder] op de usb-stick heeft gezet’, onbegrijpelijk. Volgens het onderdeel is door het hof niet gemotiveerd en bovendien onbegrijpelijk waar dat (kennelijk) uit zou blijken.