Conclusie
“de curator alle gelden die hij in dit kader heeft en nog zal ontvangen van de belastingdienst, zal terugstorten naar de belastingdienst”. Partijen zijn verdeeld over de vraag of belastingteruggaven voortvloeiend uit compensabele verliezen van vóór 1 mei 2012 onder deze afspraken zijn begrepen.
weleen beschikking als bedoeld in art. 21 Fw Pro is (namelijk de hiervoor in 1.2 genoemde beschikking van 7 mei 2012), maar dat dit geen wijziging brengt in zijn standpunt dat de verzoeken van [verzoeker] niet voor toewijzing vatbaar zijn, om de in de brief genoemde redenen. De rechtbank heeft deze brief aangemerkt als een herziening van de in hoger beroep bestreden beschikking en vastgesteld dat tegen die herziening geen hoger beroep is ingesteld (rov. 3.7). Op grond daarvan heeft zij geoordeeld dat de grond aan het hoger beroep voor het overige is ontvallen (rov. 3.10).
Ten aanzien van het verzoek van 2 juli 2015 betreffende de nakoming van de aanvullende overeenkomst d.d. 2 juni 2015
in aanvulling daaropzijn overeengekomen dat de curator alle gelden die hij
in dit kaderheeft en nog zal ontvangen van de belastingdienst, zal terugstorten naar de belastingdienst (met het verzoek om alle openstaande posten en toekomstige zaken rechtstreeks af te handelen met [verzoeker]), dient naar het oordeel van het hof ter beantwoording van de vraag of voormelde belastingteruggaven aan [verzoeker] moeten worden doorbetaald (rechtstreeks dan wel via de belastingdienst), te worden beoordeeld of fiscaal compensabele verliezen met gebruikmaking waarvan deze teruggaven zijn gevraagd en verkregen, vallen onder het begrip ‘inkomsten’ in de zin van de vaststellingsovereenkomst. Daarvoor zoekt het hof aansluiting bij de tekst van artikel 21 Fw Pro, welk artikel een zevental uitzonderingen bevat op de regel van artikel 20 Fw Pro dat het faillissement het gehele vermogen van de schuldenaar omvat en waarin in sub 2° is bepaald welke inkomsten van de gefailleerde buiten het faillissement blijven.
hetgeen de gefailleerde door persoonlijke werkzaamheid, of als bezoldiging wegens een ambt of bediening, of als soldij, gagement, pensioen of onderstand, gedurende het faillissement verkrijgt, indien en voorzover de rechter-commissaris zulks bepaalt"buiten het faillissement blijft.
‘hetgeen de gefailleerde door persoonlijke werkzaamheid (...) gedurende het faillissement verkrijgt (...)’, noch kunnen deze verliezen naar het oordeel van het hof worden gebracht onder één van de overige in artikel 21 Fw Pro genoemde categorieën van goederen die buiten het faillissement blijven. Daarmee vallen compensabele verliezen in de boedel; d.w.z. staan deze niet ter beschikking van [verzoeker]. De daarmee verkregen belastingteruggaven behoeven dan ook niet aan [verzoeker] te worden doorbetaald. In deze zin dient de op 2 juni 2015 tussen de curator en [verzoeker] getroffen aanvullende overeenkomst te worden uitgelegd. [verzoeker] heeft niet, althans onvoldoende aannemelijk, gemaakt dat hij, mede op grond van uitlatingen of gedragingen van de curator, in de veronderstelling verkeerde of mocht verkeren dat het fiscale voordeel van compensabele verliezen van vóór 1 mei 2012 aan hem persoonlijk ten goede zou komen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
gebonden beslissingen dat uit het
partijdebatniet zou blijken dat over de reikwijdte van de aanvullende overeenkomst wordt getwist:
- Zoals door [verzoeker] expliciet is gesteld, behoeft de door de rechtbank vastgelegde afspraak niet te worden uitgelegd, laat staan dat deze voor meererlei uitleg vatbaar is (cass. dgvd. 1.4);
- het hof heeft miskend dat partijen door ten overstaan van de rechtbank de gestelde afspraken te maken, hebben vastgesteld dat de door de curator (te) ontvangen betalingen van de belastingdienst “inkomsten” zijn in de zin van de vaststellingsovereenkomst (idem 1.5);
- partijen hebben in een gerechtelijke procedure onder toeziend oog van de rechter hun geschil [bedoeld is kennelijk: op dit punt, A-G] beëindigd door het maken van een afspraak die dient te worden gekwalificeerd als een vaststellingsovereenkomst in de zin van art. 7:900 lid 1 BW Pro, zoals het hof zich had behoren te realiseren (op grond waarvan ex art. 7:902 BW Pro ook dwingend recht kon worden “weggecontracteerd”) (idem 1.6)
- op grond van art. 424 Rv Pro diende het hof de behandeling van de zaak voort te zetten en te beslissen met inachtneming van de beschikking van de Hoge Raad. Het hof was daarom gebonden te beslissen op basis van het debat zoals vóór verwijzing gevoerd en kon niet uitgaan van een andere discussie (zoals het wel heeft gedaan) (idem 1.13);
- het debat na verwijzing bood het hof ook geen aanknopingspunten voor zijn opvatting
toengold).”
Haviltex-maatstaf.
Haviltex-maatstaf [21] , die het hof in rov. 2.6 vooropstelt. Dat (vast zou staan dat) de door de curator te ontvangen betalingen van de fiscus inkomsten zouden zijn in de zin van de vaststellingsovereenkomst, mist feitelijke grondslag. De verder niet toegelichte tournure dat het hof door ambtshalve aanvulling had moeten constateren dat de vaststellingovereenkomst moet worden aangemerkt als een beschikking volgens art. 21 aanhef Pro sub 2 Fw, lijkt mij niet aan de orde (en komt denkelijk neer op treden buiten de rechtsstrijd, vgl. verweerschrift in cassatie van Lückers onder 18): er is sprake van een vaststellingsovereenkomst met aanvulling
op die vaststellingsovereenkomstdie door partijen verschillend wordt geïnterpreteerd en aan de hand van de juiste uitlegmaatstaf geeft het hof daar vervolgens een feitelijke beoordeling over, die alleszins begrijpelijk is. Voor verdere toetsing daarvan is in cassatie geen plaats.
Haviltex-norm in rov. 2.6 niet conform die norm heeft uitgelegd, maar, zo begrijp ik de klacht, te letterlijk is geweest door aan te sluiten bij de tekst van art. 21 Fw Pro. De partijbedoeling was volgens de toelichting op deze klacht niet te vinden in de wet, maar moest worden gezocht door onderzoek van de aangedragen stellingen, hetgeen het hof volgens de klacht niet heeft gedaan.
subonderdeel 2.2heeft het hof zich op die manier buiten de rechtsstrijd begeven en een verrassingsbeslissing gegeven. Het hof had binnen de perken van de door [verzoeker] en de curator bepaalde rechtsstrijd te blijven en het beginsel van hoor en wederhoor moeten toepassen, ter adstructie waarvan wordt verwezen naar het
Crescendo Belgium-arrest, rov. 3.4.1. [24] Volgens de klacht gaat de discussie in de ogen van het hof over de vraag of de onderhavige aanspraken op de belastingdienst onder de werking van de vaststellingsovereenkomst vallen en niet over de vraag of partijen bij de tweede categorie uit art. 21 Fw Pro hebben willen aansluiten. De onenigheid bestaat er volgens de klacht in dat voor [verzoeker] het
ontvangstmomentvan de aanspraken van belang waren en voor de curator het
ontstaansmomentervan.
Haviltex.Het stond het hof daarbij vrij om aansluiting te zoeken bij de tekst van art. 21 Fw Pro, zeker nu beide partijen zich daarop hebben beroepen. Het hof neemt na weergave van de juiste toetsingsnorm in rov. 2.6 in rov. 2.7 de tekst van de aanvullende overeenkomst in ogenschouw en geeft in rov. 2.9 te kennen dat het ook heeft gekeken naar gedragingen of uitlatingen van partijen die de tekstuele interpretatie van het beding wellicht anders zouden kunnen maken. Blijkens rov. 2.5 is door het hof acht geslagen op de ten processe aangevoerde stellingen van partijen. Het oordeel is alleszins begrijpelijk en voor verdere toetsing in cassatie is geen plaats.
hetgeen de gefailleerde door persoonlijke werkzaamheid (…) gedurende het faillissement verkrijgt (…)”, en dat deze verliezen naar het oordeel van het hof ook niet kunnen worden gebracht onder één van de overige in art. 21 Fw Pro genoemde categorieën van goederen die buiten het faillissement blijven. Het hof heeft zodoende onderzocht of fiscaal compensabele verliezen als “inkomsten” (kunnen) kwalificeren in elke variant uit art. 21 Fw Pro en feitelijk geoordeeld dat dit niet het geval is.
subonderdeel 2.4is het oordeel uit rov. 2.10 onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd. Volgens [verzoeker] heeft hij gemotiveerd betoogd dat de curator bij herhaling de feiten onjuist heeft voorgesteld en zelf teruggave van IB/PH heeft gevraagd en verkregen [27] . Niet te begrijpen valt dus dat het hof de balans ten gunste van de curator laat doorslaan in plaats van de curator te bevelen tot terugbetaling aan de belastingdienst met het verzoek verder rechtstreeks met [verzoeker] af te wikkelen en de afspraak ter zitting van 2 juni 2015 aan te merken als een (stilzwijgende) erkenning van de juistheid van de interpretatie van de vaststellingsovereenkomst door [verzoeker], zo luidt deze klacht.
subonderdeel 3.1voert [verzoeker] aan dat het hof in rov. 2.11 ten onrechte, althans op on(voldoende) begrijpelijke wijze heeft geoordeeld dat [verzoeker] belang mist bij toewijzing van zijn verzoek over de (onherroepelijke) proceskostenveroordeling, dat een bevel aan de curator tot voldoening van deze proceskostenveroordeling neer zou komen op een betaling van de curator vanuit de boedel aan de boedel, zodat bij een dergelijke betaling geen belang bestaat, althans [verzoeker] dit belang niet aannemelijk heeft gemaakt.
subonderdeel 3.2dat het hof in rov. 2.12 ten onrechte, althans on(voldoende) begrijpelijk gemotiveerd heeft geoordeeld dat de vaststellingsovereenkomst van mei 2012 het hof niet tot een ander oordeel brengt.