Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het tweede geding in cassatie
4.Bespreking van de aangevoerde gronden van cassatie
beroepschrift van 29 maart 2016voert belanghebbende aan dat het hof de verwijzingsopdracht van Uw Raad niet correct heeft uitgevoerd, nu het is voorbijgegaan aan de door belanghebbende aangevoerde en volgens Uw verwijzingsopdracht ‘toe te passen’ rechtspraak van het EHRM. Deze klacht mist naar mijn mening feitelijke grondslag. Uw Raad heeft in zijn arrest van 24 april 2015 geoordeeld dat nu eerst de voor toepassing van box 3 in aanmerking te nemen waarde van de onderhavige bovenwoning moet worden bepaald met inachtneming van de in het arrest van 3 april 2015 nr. 13/04247, ECLI:NL:HR:2015:812 verwoorde maatstaf, en dat daarna moet worden beoordeeld of de daaruit voortvloeiende belastingheffing in strijd komt met art. 1 EP Pro of enige andere rechtsregel of enig ander rechtsbeginsel. Het hof heeft (rov. 4.4) de in acht te nemen waarde van de bovenwoning conform de bedoelde maatstaf bepaald op € 309.000 en vervolgens, na in rov. 4.7 de door Uw Raad aangewezen beslisvolgorde te hebben vermeld en in rov. 4.9 te hebben vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat de box 3-belastingheffing € 7.912 bedraagt indien wordt uitgegaan van een waarde van de bovenwoning van € 309.000, in de rov. 4.10-4.17 onderzocht of deze heffing verenigbaar is met art. 1 EP Pro, en heeft daarbij ook (in rov. 4.11 en rov. 4.17) aandacht besteed aan de door belanghebbende aangehaalde arresten, waaronder Hutten-Czapska. Het is duidelijk, dat belanghebbende het oneens is met de uitkomst, maar daarmee is, uiteraard, niet gezegd dat het hof heeft nagelaten aan de hand van de EHRM-rechtspraak te onderzoeken of art. 1 EP Pro geschonden is.
decent profitmogelijk moet zijn, lijkt mij geen vraag van intern Nederlands belastingrecht, maar zou een kwestie van uitleg van (rechtspraak van het EHRM met betrekking tot) art. 1 EP Pro kunnen zijn. In ieder geval kan worden geconstateerd dat uit de rov. 2.3.2 en 2.3.3 van het arrest van Uw Raad van 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:812,valt af te leiden dat Uw Raad het ervoor houdt dat art. 1 EP Pro niet zonder meer meebrengt dat als heffingsgrondslag voor de belasting van inkomsten uit bezittingen slechts het werkelijke rendement mag worden genomen en niet de waarde in het economische verkeer van die bezittingen op 1 januari van het aan het belastingjaar voorafgaande jaar. [6]
brief van 9 mei 2016“aanvulling motivering cassatieberoep” herhaalt belanghebbende onder nr. 3 zijn klacht dat het hof niet heeft beoordeeld of de conform de aanwijzingen van Uw Raad te berekenen heffing in strijd komt met art. 1 EP Pro. Die klacht lijkt mij, zoals ik hierboven bij nr. 4.1 al schreef, ongegrond.
huurbeschermingin de zin van afdeling 5 van titel 4 van boek 7 BW met art. 1 EP Pro al eens aan de orde gekomen in een zaak tussen de verhuurder en de huurbeschermde huurder. Het gerechtshof te Amsterdam had bij arrest van 24 april 2012 het beroep van Nobel op schending van art. 1 EP Pro verworpen. Uw Raad sloeg acht op het nadien op 2 juli 2013 door het EHRM gewezen arrest in de zaak Nobel c.s./Nederland, [9] en verwierp het beroep omdat het EHRM had vastgesteld dat niet kan worden aangenomen dat Nobel geen redelijk rendement (‘decent profit’) zou genieten van zijn huurinkomsten, nu die huurinkomsten immers aanzienlijk meer behelsden dan de onroerende zaakbelasting en er geen aanwijzingen waren dat de huurinkomsten onvoldoende zijn voor de noodzakelijke onderhoudskosten en er geen andere aanwijzingen waren dat Nobel een disproportionele en onevenredige last heeft te dragen.
vermogensrendementsheffing(box 3-belastingheffing) verenigbaar is met de waarborg van art. 1 EP Pro is ook al enige malen in verband met eigendom van onder de huurbescherming vallende woningen aan Uw Raad voorgelegd. In de zaak van het meergenoemde arrest van Uw Raad van 3 april 2015 ECLI:NL:HR:2015:812 (over een aanslag IB 2010) oordeelde Uw Raad het volgende over het met ingang van 2001 ingevoerde stelsel waarin werd uitgegaan van een forfaitair rendement, berekend over de waarde in het economische verkeer van het positieve saldo van de bezittingen en de schulden (rov. 2.3.2):
geen geschilpuntwas en dus ook niet is beantwoord, zodat Uw oordeel over de (on)haalbaarheid van dat rendement voor 2011 op een wankele basis rust. [12]
risicoloosrendement: [14]
enbelastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, worden geconfronteerd met een buitensporig zware last.
betreffende belastingplichtigedaardoor met een individuele en buitensporige last wordt geconfronteerd? Het aannemelijkst lijkt mij dat Uw Raad het laatste heeft bedoeld en dat het dus moet gaan om een individuele en buitensporige last die zich in het geval van de betreffende belastingplichtige sterker laat voelen dan in het algemeen. [16] Het hof is, als ik goed zie, niet toegekomen aan een beoordeling van de bijzondere omstandigheden van belanghebbende ter beantwoording van de vraag of hij met een buitensporige last wordt geconfronteerd. Maar wat daarvan zij, het hof heeft, door het (haalbare) rendement van het overige vermogen van belanghebbende niet (kenbaar) in zijn overwegingen te betrekken, de beoordeling van de zaak hoe dan ook verkeerd aangepakt.
van een bepaalde bezittingstructureel blijft beneden de vier procent van het daarin geïnvesteerde vermogen. Dit kan moeilijk anders worden opgevat dan dat Uw Raad het ervoor houdt dat het rendement van de overige bezittingen van de belastingplichtige, althans het met die overige bezittingen haalbare rendement, relevant is bij de beantwoording van de vraag of een inbreuk op art. 1 EP Pro moet worden aangenomen. Ook in de onderhavige zaak moet dus, afgaande op de rechtspraak van Uw Raad, het met het overige vermogen van belanghebbende haalbare rendement onderzocht worden, en belanghebbende heeft zich daarover ook uitgelaten. De stelling van belanghebbende dat zijn rendement op zijn overige box 3-vermogen 1,86% beliep (zie hierboven bij 4.19), is dus een relevante stelling die, afgaande op de rechtspraak van Uw Raad, een in aanmerking te nemen factor is bij de beantwoording van de vraag of de heffing verenigbaar is met art. 1 EP Pro.
winsthoudt belanghebbende niet over van de verhuur van zijn bovenwoning, dus ook geen ‘decent profit’, terwijl de revenuen van zijn spaargeld na aftrek van de daarover volgens het hof verschuldigde box 3-heffing wellicht evenmin als ‘decent profit’ kunnen worden aangemerkt, zelfs al zou belanghebbende dat spaargeld in 2010 in tienjarige staatsleningen hebben belegd.