ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ7221
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen navordering douanerechten wegens onjuiste douanewaarde en schending verdedigingsrechten
Belanghebbende, A BV, werd geconfronteerd met een uitnodiging tot betaling (UTB) van € 71.949,55 aan douanerechten over de periode 2005-2007, gebaseerd op een administratieve controle die onjuiste aangiftecodes en onjuiste transactiewaarden vaststelde. De rechtbank had eerder het beroep gegrond verklaard en de UTB vernietigd wegens schending van het recht van verdediging.
In hoger beroep stelde het Hof vast dat belanghebbende niet was uitgenodigd om haar standpunt over de voorgenomen navordering kenbaar te maken, wat een beperkte schending van het recht van verdediging opleverde. Echter, aangezien belanghebbende haar zienswijze in bezwaar en beroep schriftelijk en mondeling kon toelichten, en er geen verschil van mening was over de feiten, werd het gebrek als niet-essentieel beoordeeld.
Het Hof verwierp het beroep van belanghebbende dat de procedure van artikel 181bis UCDW gevolgd had moeten worden, omdat de inspecteur de transactiewaardemethode toepaste nadat was gebleken dat de oorspronkelijke facturen geen echte transacties vertegenwoordigden. Ook werd geoordeeld dat geen sprake was van een vergissing van de douaneautoriteiten in de zin van artikel 220 CDW Pro, zodat navordering terecht was.
Het Hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank behoudens de proceskosten en griffierechten, verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde de inspecteur in de kosten van het hoger beroep. De uitspraak bevestigt het belang van het recht van verdediging, maar benadrukt dat procedurele fouten niet automatisch leiden tot vernietiging indien geen wezenlijke benadeling is vastgesteld.
Uitkomst: Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de navordering douanerechten ondanks beperkte schending van het recht van verdediging.