Conclusie
5.De motivering van de opgelegde straffen
gerichthebben gezocht naar en bewust gebruik hebben gemaakt van de diensten van een minderjarige prostituee.
6.Het door het openbaar ministerie voorgestelde middel
ratiovan het taakstrafverbod”. Wat de wetgever volgens haar wilde – de oplegging van een zwaardere straf, te weten een “niet te verwaarlozen” onvoorwaardelijke gevangenisstraf – wordt aldus niet gerealiseerd. Zij concludeert dan ook dat de beide “ontsnappingsmogelijkheden” tot “vergelijkbare resultaten” leiden en dat daarom ook voor het opleggen van de genoemde combinatie geldt dat de rechter daarmee de “traditionele plaats van de rechterlijke macht” verlaat waarvan art. 120 Gw Pro uitgaat. Dat Grondwetsartikel brengt volgens Bakker mee dat de rechter “de bewoordingen van artikel 22b Sr niet zo mag benutten dat de strafoplegging in de praktijk vrijwel hetzelfde resultaat heeft als het buiten toepassing laten van de bepaling”. [18]
omdateen zeer hoge gevangenisstraf gezien de omstandigheden van het concrete geval niet te verwachten valt (en die er vervolgens ook niet uitkomt). In elk geval is dat het punt dat de interveniërende Van Toorenburg onmiddellijk maakte: “Ook de reclassering heeft erop gewezen dat niet ieder ernstig delict in zijn uitvoering altijd een ernstig feit is. Juist die kleine marge moet er kunnen zijn voor een dergelijke situatie. Ik denk dat de staatssecretaris en ik elkaar goed begrijpen”. De staatsecretaris bevestigde dat vervolgens: “Het amendement van mevrouw Van Toorenburg ziet op een niet ernstig gewelds- of zedendelict”. Als derhalve uit deze gedachtewisseling enige conclusie kan worden getrokken, is het dat de combinatie bedoeld is voor feiten die in concreto niet zo ernstig zijn dat een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd is. Maar wat daarvan verder ook zij, in de tekst van de wet is voor de stelling van het middel geen steun te vinden. Dat lijkt mij doorslaggevend.
7.Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel
Vordering van de benadeelde partij [A]
€ 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schadeen veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
€ 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.