Conclusie
niet verschenen
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1bevat een inleiding. De
onderdelen 2 tot en met 8bevatten verschillende rechts-en motiveringsklachten.
Onderdeel 9geeft een samenvatting en
onderdeel 10behelst een voortbouwende klacht.
Intrahof/Bart Smitis de volgende maatstaf geformuleerd voor de beoordeling van een beroep op matiging ex art. 6:94 lid 1 BW Pro: [6]
Hauer/Monda I, [10] overweegt dat in geval van “
uiteenlopende tekortkomingen”, “
het voor de hand ligt dat in beginsel (…) de billijkheid klaarblijkelijk eist dat de rechter van zijn matigingsbevoegdheid gebruik maakt om (…) aan de hand van die maatstaf te differentiëren naar gelang de ernst van de tekortkoming waardoor zij is verbeurd, en van de schade die daardoor is veroorzaakt”.Volgens het subonderdeel is de regel uit
Hauer/Monda I, waarnaar het hof hier verwijst, door het arrest
Intrahof/Bart Smitverlaten, althans geldt dat sinds dit arrest de omstandigheid dat een boetebeding één bedrag bevat voor vele, mogelijk sterk uiteenlopende tekortkomingen, (nog) slechts een relevante omstandigheid is bij beantwoording van de vraag of aan de tot terughoudendheid nopende maatstaf van laatstgenoemd arrest is voldaan.
Subonderdeel 2.2voegt daaraan toe dat ’s hofs oordeel in rov. 7.11 onjuist of onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, nu de regel uit
Hauer/Monda Ijuist gold voor het in dat arrest genoemde geval waarin het boetebeding een bedrag bevat voor “
vele, mogelijk sterk uiteenlopende tekortkomingen”, en niet (zonder meer) voor enkel “
uiteenlopende tekortkomingen”. In ieder geval brengt die constatering als zodanig niet met zich dat de billijkheid klaarblijkelijk eist dat de rechter de bedongen boete matigt.
Hauer/Monda Ioverwoog de Hoge Raad dat het voor de hand ligt om in een geval waarin een boetebeding één bedrag bevat voor vele, mogelijk sterk uiteenlopende tekortkomingen, in beginsel – in de bewoordingen van art. 6:94 lid 1 BW Pro – de billijkheid klaarblijkelijk eist dat de rechter van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik maakt om te differentiëren naar gelang van de ernst van de tekortkoming en van de schade die daardoor is veroorzaakt. [11] Met andere woorden, als het boetebeding zelf niet differentieert in de hoogte van de boete naar gelang de ernst van de tekortkoming maar gebruik maakt van een zogenoemde ‘eenheidsboete’, moet de rechter dat – desverzocht – doen. Het arrest
Hauer/Monda IIvoegde toe dat de rechter niet
verplichtis om in een dergelijk geval te differentiëren. Annotator Hijma schrijft in zijn noot onder het tweede arrest dat de speelruimte voor de feitenrechter relevant groter is dan
Hauer/Monda Ideed vermoeden, en dat de regel uit
Hauer/Monda Idaarmee als een ‘zwakke vuistregel’ kan worden getypeerd. Schelhaas schrijft in haar proefschrift dat matiging bij een eenheidsboete dus géén gegeven is, en dat de gebruiker zich kan verweren met de stelling dat de eenheidsboete in dit specifieke geval wel degelijk gerechtvaardigd was. [12]
Intrahof/Bart Smitis in de literatuur discussie ontstaan over de vraag of met de in dit arrest geformuleerde maatstaf, die noopt tot een terughoudend gebruik van de rechterlijke bevoegdheid tot matiging, de regel uit
Hauer/Monda I(‘in beginsel matigen bij een eenheidsboete’) nog geldt. Volgens sommigen zou die regel verlaten zijn. [13] Anderen menen dat de regel nog steeds geldt. [14] Dat laatste lijkt mij aannemelijk, met dien verstande dat de vraag of sprake is van een eenheidsboete, één van de gezichtspunten is die moet worden meegewogen bij de maatstaf van
Intrahof/Bart Smit. [15] Daarbij geldt dat de
Hauer/Monda-arresten níet zo moeten worden opgevat dat bij eenheidsboetes matiging min of meer de norm is, maar dat differentiatie is aangewezen. Als de rechter bij de differentiatietoets tot het oordeel komt dat sprake is van een geringe tekortkoming (binnen het spectrum waar het beding op ziet) én van geringe schade, dan kan dat tot gevolg hebben dat hij op grond van de omstandigheden van het geval tot matiging overgaat. [16]
subonderdeel 2.1faalt omdat het berust op een onjuiste lezing van het arrest van het hof. Het hof heeft zijn oordeel dat de boete gematigd moet worden immers niet enkel gebaseerd op de vaststelling dat sprake is van een eenheidsboete voor ‘uiteenlopende tekortkomingen’. In rov. 7.9 stelt het hof de uit
Intrahof/Bart Smitvoortvloeiende maatstaf voorop. Vervolgens overweegt het hof in rov. 7.10 dat toepassing van deze maatstaf leidt tot een matiging tot nihil, waarna het dit oordeel vervolgens onderbouwt met de in rov. 7.10-7.13 genoemde gezichtspunten/omstandigheden van het geval:
Echter, ook bij het gebruik van het label en het beeldmerk gaat het om uiteenlopende handelingen, aangezien een deelnemer gerechtigd is tot het gebruik daarvan in een grote verscheidenheid aan papieren en digitale uitingen.”);
“In het geheel van toegestane uitingen neemt het schildje in dit geval een ondergeschikte plaats in” en rov. 7.11: “
De verplichting tot het beëindigen van dat gebruik is naar het oordeel van het hof de meest zwaarwegende verplichting van [verweerster] op grond van artikel 4.4 van de overeenkomst”); (rov 7.13: “
De aard van de samenwerkingsovereenkomst is een actieve deelname aan het Qualis-netwerk. Daaraan draagt het schildje, zoals gezegd, niet of nauwelijks bij.”);
Het hof gaat er daarom vanuit dat voor zover er al sprake is van schade van REG als gevolg van de tekortkoming van [verweerster] doordat het schildje is blijven zitten, deze schade minimaal is geweest. Dit betekent dat sprake is van disproportionaliteit tussen de werkelijke schade van REG en de hoogte van de boete van € 2.500,= per dag, hetgeen een tweede reden is voor matiging van de boete.”);
Deze boete is bovendien niet gemaximeerd en zou in de periode van 200 dagen tussen de e-mailwisseling van 27 september 2014 en de daadwerkelijke verwijdering van het schildje op 13 oktober 2014 zijn opgelopen tot een bedrag van € 500.000,=.”);
De eerste drie jaar na de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst heeft niemand zich drukgemaakt over het schildje en op het moment dat REG erop ging aandringen dat het alsnog verwijderd zou worden, gebeurde dat aanvankelijk als een vriendelijk verzoek zonder een beroep op het boetebeding of enige verwijzing naar dat beding.”);
In dat opzicht is van belang dat [verweerster] de verplichtingen inzake het beëindigen van het gebruik van het label en het beeldmerk op de hiervoor als relevant bestempelde uitingen stipt heeft nageleefd” en rov. 7.13: “
Op de wezenlijke aspecten daarvan heeft [verweerster] voldaan zonder dat REG daarop heeft behoeven aan te dringen.”).
Intrahof/Bart Smiten alle relevante gezichtspunten/omstandigheden van het geval meegewogen, waaronder de omstandigheid dat sprake is van een eenheidsboete voor verschillende, in ernst uiteenlopende tekortkomingen. Hierop stuiten de klachten uit beide subonderdelen af.
subonderdeel 3.1stelt REG dat onjuist dan wel onbegrijpelijk is ’s hofs oordeel in rov. 7.11, dat het ‘voorgaande’ zou inhouden dat het bij de overtreding van art. 4.4 gaat om ‘uiteenlopende tekortkomingen’. In rov. 7.10 overweegt het hof namelijk dat het boetebeding gesteld is op alleen het blijven gebruiken van het Qualis-label en -beeldmerk, maar dat het ook daarbij gaat om ‘uiteenlopende handelingen’. Het hof miskent hiermee dat tekortschieten door uiteenlopende ‘handelingen’ niet meebrengt dat ‘dus’ sprake is van ‘uiteenlopende tekortkomingen’. Volgens
subonderdeel 3.2is het oordeel van het hof in rov. 7.11 dat sprake is van ‘uiteenlopende tekortkomingen’ onjuist dan wel onbegrijpelijk, nu REG in de memorie van grieven heeft betoogd dat het boetebeding enkel ziet op één tekortkoming, namelijk het gebruik van het label en beeldmerk na beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst, en dat daaraan niet afdoet dat dit gebruik mogelijk is in meerdere uitingsvormen. Bovendien heeft REG gesteld dat het boetebeding bedoeld is als een krachtige prikkel tot nakoming van een essentiële verplichting uit de samenwerkingsovereenkomst. Mede gezien deze essentiële stellingen, die erop neerkomen dat géén sprake is van een generiek boetebeding voor mogelijk sterk uiteenlopende tekortkomingen, kan ’s hofs oordeel geen stand houden.
elkgebruik van het label of het beeldmerk Qualis na beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst een even ernstige tekortkoming oplevert. Deze redenering is noch onjuist, noch onbegrijpelijk. Daarmee faalt subonderdeel 3.1.
aan REG kan worden toegegeven dat de boete in artikel 4.4 van de samenwerkingsovereenkomst is gesteld op het blijven gebruiken van het label en het beeldmerk van REG na het einde van de overeenkomst en niet op eventuele andere handelingen van de deelnemer”. Daaruit blijkt dat het hof de door REG gestelde aansporingsfunctie wel heeft betrokken bij zijn beoordeling. Hetzelfde geldt voor de stelling van REG dat ten onrechte onbesproken is gebleven haar standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld “
dat het boetebeding zou gelden voor verschillende overtredingen,dat het boetebeding
“enkel ziet”op
“één tekortkoming namelijk het gebruik van het label en beeldmerk na beëindiging van de overeenkomst”en dat daar niet aan afdoet dat dit gebruik mogelijk is in meerdere uitingsvormen.” [19] In rov. 7.10 en 7.11 ligt immers besloten dat het hof dit standpunt heeft verworpen.
NJ2000/277 (
Kok/Schoor) –, dat een tweede reden voor matiging van de boete is dat sprake zou zijn van disproportionaliteit tussen de boete van € 2500,= per dag en de werkelijke schade. Volgens het onderdeel volgt uit
Intrahof/Bart Smitdat het enkele uiteenlopen van de hoogte van de boete en de werkelijke schade, onvoldoende is voor matiging van de boete.
Subonderdeel 4.2 voegt daaraan toe dat de door het hof gehanteerde disproportionaliteitsmaatstaf hoe dan ook niet volgt uit het arrest
Kok/Schoor, nu het daar ging om een “
enorme discrepantie” tussen schade en boete en dat dat iets anders is dan ‘disproportionaliteit’.
Intrahof/Bart Smitvoorop heeft gesteld en vervolgens, met inachtneming van de in deze maatstaf genoemde relevante gezichtspunten, heeft geoordeeld dat er grond is voor matiging van de contractuele boete. De disproportionaliteit tussen de boete en de werkelijke schade is daarbij – in lijn met de maatstaf van
Intrahof/Bart Smit– één van de relevante gezichtspunten, maar zeker niet de enige die het hof in ogenschouw heeft genomen. De onderdelen missen derhalve feitelijke grondslag. Of in het arrest
Kok/Schoorbesloten ligt dat het moet gaan om een ‘disproportionele discrepantie’, ‘een enorme discrepantie’ tussen boete en werkelijke schade, dan wel om een ‘buitensporige boete’ – en niet om ‘enkele’ disproportionaliteit, is daarbij niet van wezenlijk belang, zo het al mogelijk zou zijn om een onderscheid te maken tussen deze begrippen.
subonderdeel 5.1klaagt REG dat onjuist dan wel onbegrijpelijk is ‘s hofs oordeel in rov. 7.12, dat sprake is van disproportionaliteit tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete. Volgens het onderdeel miskent het hof dat de tot terughoudendheid nopende buitensporigheidsmaatstaf van
Intrahof/Bart Smitzich ertegen verzet om aan het enkele gegeven dat niet gebleken is van relevante schade, de consequentie te verbinden dat de schade minimaal is, om vervolgens aan deze consequentie de conclusie te verbinden dat ‘dus’ sprake zou zijn van een disproportionaliteit tussen de hoogte van de bedongen boete en de werkelijke schade.
Intrahof/Bart Smitis dus niet miskend.
Voor zover het onderdeel ook een klacht zou bevatten tegen ‘s hofs oordeel dat voor zover er al sprake is geweest van schade van REG als gevolg van de tekortkoming van [verweerster] doordat het schildje is blijven zitten, deze minimaal is, gaat ook die klacht niet op. [verweerster] heeft in eerste aanleg aangevoerd dat REG geen schade lijdt vanwege het laten hangen van het schildje. [20] De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat geen sprake is van schade. [21] In hoger beroep heeft REG gesteld dat het onmogelijk is om de totale schade vast te stellen en dat het onaannemelijk is dat zij géén schade zou hebben geleden en dat schade bestaat uit het feit dat vanwege de aanwezigheid van het schildje, een of meerdere andere geïnteresseerde makelaars zich niet hebben gemeld nu zij blijkbaar aan de hand van het schildje veronderstelden dat er geen mogelijkheid bestond om Qualis-lid te worden in Rotterdam. [22] [verweerster] heeft vervolgens haar stellingen herhaald en erop gewezen dat REG erkent geen schade te hebben geleden, dat REG geen bewijsaanbod doet en zelfs niet aannemelijk maakt dat er schade zou
kunnenzijn ontstaan. [23] Tegen die achtergrond is ‘s hofs oordeel dat zo er al sprake is van schade, deze minimaal is, zeker niet onbegrijpelijk.
De inhoud en strekking van het boetebeding is te bewerkstelligen dat een deelnemer zich na beëindiging van de overeenkomst niet meer als zodanig manifesteert.”
Dat REG dit risico[A-G: het risico dat REG haar schade niet kan aantonen]
heeft willen ondervangen met het opnemen van een boeteclausule wordt betwist door [verweerster] (…)”. [27] Dit verweer is door het hof gehonoreerd met zijn hiervoor geciteerde overweging. De andersluidende stellingen van REG zijn daarmee, hoewel niet expliciet besproken, verworpen door het hof. Het subonderdeel kan derhalve niet slagen.
zeer bewust” is gekozen voor een hoge boete voor de overtreding van het gebruik van het beeldmerk en label;
wel uit hun hoofd zouden laten”; en
afschrikwekkend” moet zijn, maar ook dient ter dekking van de kosten die voortkomen uit het onderzoek naar een schending en het afdwingen van de naleving van de overeenkomst.
Intrahof/Bart Smit, en zullen alle relevante gezichtspunten moeten worden meegewogen. Dat heeft het hof gedaan.
onderdeel 7stelt REG dat ’s hofs oordelen in rov. 7.10 en 7.14 onjuist dan wel onbegrijpelijk zijn, gelet op de essentiële stellingen die REG in feitelijke instanties heeft betrokken:
“reikwijdte, de werking en de bedoeling van de boeteclausule”. [32]
[.../...]is de hoedanigheid van partijen expliciet als beoordelingsfactor bij matiging in het cassatiemiddel aan de orde gesteld: [34]
onderdeel 7faalt.
onderdeel 8stelt REG dat ’s hofs oordelen in rov. 7.10 en 7.14 onjuist zijn en/of ontoereikend zijn gemotiveerd, nu het hof miskent dat voor een beslissing tot matiging hoge motiveringseisen gelden en dat deze eisen betrekking hebben zowel op de beslissing
daten voorts
in hoeverrewordt gematigd. ’s Hofs oordeel dat tot nihil gematigd moet worden is als zodanig ongemotiveerd althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
Intrahof/Bart Smit-maatstaf, en dat het hof alle relevante omstandigheden van het geval heeft meegewogen. Van een ontoereikend gemotiveerde beslissing om tot matiging over te gaan is dan ook geen sprake.
tot nihil, geldt het volgende. Het hof motiveert deze beslissing in rov. 7.14 door te verwijzen naar de omstandigheden die het hof heeft besproken in de vorige rechtsoverwegingen. Het gaat daarbij om de omstandigheden die hiervoor onder punt 3.9 zijn opgesomd onder (i) tot en met (vii). Dat deze omstandigheden het hof hebben gebracht tot een nihilstelling van de boete is geenszins onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd; de beslissing is voorts sterk verweven met waarderingen van feitelijke aard en kan daarom in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. [37] Daarmee faalt ook onderdeel 8.
onderdeel 10.