Conclusie
1.Feiten en procesverloop
[de man] zoekt een vrouw, maar heeft die nog niet gevonden...” heeft de vrouw contact met de man opgenomen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Waarschijnlijk was er sprake van een delier in het kader van opname en mogelijk door nicotine onttrekking. Er lijkt echter ook sprake van al langer bestaande cognitieve functiestoornissen in het kader van een dementie...
Conclusies: … Langer bestaande cognitieve functiestoornissen in het kader van een dementie waarvoor analyse volgt via de GGZ. Oordeel- en kritiekstoornissen in het kader van een dementie...
”.
lijkt” van al langer bestaande cognitieve functiestoornissen in het kader van een dementie, welk woord duidt op enig voorbehoud of aanname. Dat doet ook het feit dat vermeld wordt dat verdere analyse volgt via de GGZ. De conclusie, die naar haar aard beknopt is, dient daarmee in onderling verband te worden gelezen.
lijkt” of de vermelding van een nader via de GGZ te volgen analyse) als onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd kan worden aangemerkt.
Zoals uit de rapportage van dr. Dautzenberg en de daarbij horende bijlagen blijkt, heeft iedere zorgprofessional die met de vrouw in aanraking is gekomen na 11 september 2015 en waar de deskundige verslag van heeft kunnen vinden, de vrouw dementerend genoemd.Op het domein van geheugen is in 2015 al sprake van matige dementie en het niveau van de stoornis is dan licht tot matig dementerend. De man betoogt weliswaar dat de vrouw na het ontslag uit het ziekenhuis in september 2015 weer de oude was en dat zij tot en met april 2016 niet meer is behandeld of gezien door een medisch specialist, zodat niet met zekerheid kan worden gesteld hoe haar geestestoestand was op 16 november 2015. Echter, dit strookt op geen enkele wijze met de bevindingen van de deskundige en de door hem verkregen informatie van de betrokken zorgprofessionals. Weliswaar blijkt niet dat de vrouw na het ontslag uit het ziekenhuis terug diende te komen voor controles in verband met de val, maar de huisarts heeft op 17 september 2015 in overleg met de geriater het wel noodzakelijk geacht de GGZ en een casemanager dementie in te schakelen, hetgeen ook is gebeurd. De omstandigheid dat de vrouw zelf op dat moment mogelijk geen ziekte-inzicht had en als zorg mijdend kan worden aangemerkt, doet hier niet aan af. Daarbij komt dat de vrouw enkele maanden nadien, in februari 2016, dwalend in Roosendaal is aangetroffen, passend op het domein oriëntatie van de CDR bij matige dementie. In april 2016 was zij niet meer in staat om bij het zien van een pen of horloge deze te benoemen, passend op het domein oordeels- en probleemoplossend vermogen van de CDR bij ernstige dementie. In juni 2016 wist de vrouw niet meer hoeveel kinderen zij heeft, eveneens passend bij een ernstige dementie.
nade huwelijksvoltrekking, en dat tevens is gesteld dat:
lijktte zijn van cognitieve functiestoornissen in het kader van een dementie;
langer bestaande cognitieve functiestoornissen in het kader van een dementie” en de andere deskundigenverslagen zien op de periode (ver) na de dag van het huwelijk. Door deze verklaringen van later datum in zijn oordeelsvorming te betrekken, is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, althans is zijn beslissing onbegrijpelijk. Datzelfde geldt voor de in rov. 3.18 verder genoemde incidenten van na de datum van het huwelijk. Het hof had zich behoren te beperken tot de verklaringen die betrekking hadden op de wilsbekwaamheid op de dag van de huwelijksvoltrekking. Het hof had verder moeten responderen op bovengenoemde stellingen, aldus het onderdeel.
acuteverslechteringen zijn te verwachten, maar in die zin sprake was van een langzaam progressieve aandoening (langzaam in de zin dat er niet sprake is van een acute dementie, zoals te zien is na een CVA, waarbij iemand van de een of andere dag dementerend is) (cursivering toegevoegd).
“... Owv vandaag deze toestemming wil ik graag een contact op zo kort mogelijke termijn, voor meneer zich bedenkt en alles weer afblokt”. Daarbij noteerde de huisarts dat de man wel wist dat het niet goed ging, dat ze dementerend was, en ook dat de man voorlopig geen verwijzing naar de geheugenpoli wilde. Nadat op 14 december 2015 de GGZ met de man en vrouw een afspraak had gemaakt voor een huisbezoek op 18 december 2015 werd de GGZ op 18 december 2015 niet binnengelaten. De huisarts deed vervolgens een melding bij Veilig Thuis. In februari 2016 werd de vrouw dwalend in Roosendaal aangetroffen en was zij in een kledingzaak op zoek naar een arts. Vervolgens is via Veilig Thuis overleg gestart met onder meer politie en zorgverleners omdat, kort gezegd, rekening werd gehouden met mogelijke oudermishandeling vanwege het onthouden van zorg.
ten tijde van het sluiten van het huwelijk”. Het hof is derhalve wel degelijk van een juiste rechtsopvatting uitgegaan. Het heeft vervolgens ook daadwerkelijk getoetst of de man ten tijde van het sluiten van het huwelijk te goeder trouw was (vgl. ook rov. 3.27). Het hof heeft daarbij gebruik gemaakt van verklaringen van de huisarts daterend van vóór de huwelijksvoltrekking en ook van verklaringen van de huisarts van daarna, welke laatste echter eveneens uitdrukkelijk mede betrekking hebben op de daaraan voorafgaande periode. Die verklaringen hebben bijvoorbeeld ook betrekking op de reactie van (de vrouw en) de man op het inschakelen van Zorgdomein in verband met de reeds voorafgaand aan de huwelijksvoltrekking bij de vrouw geconstateerde dementie. Dat het hof bij de bepaling van de goede trouw van de man ten tijde van het sluiten van het huwelijk óók gebruik heeft gemaakt van latere gebeurtenissen en verklaringen (zoals die van de huisarts over specifiek de wetenschap van de man van de dementie van de vrouw), getuigt – net als hiervoor ten aanzien van de wilsbekwaamheid al aan de orde kwam – niet van een onjuiste rechtsopvatting, nu hieruit in voorkomende gevallen tevens conclusies vallen te trekken over de (naar een redelijke mate van waarschijnlijkheid aan te nemen) situatie op de relevante datum.
om wat voor reden dan ook,
al dan niet bewustzorg zou afhouden, maar heeft overwogen dat voldoende aannemelijk is dat de man bewust de zorg afhield, terwijl moet worden aangenomen dat het hem duidelijk was althans moest zijn dat er bij zijn vrouw sprake was van een mogelijk dementieel beeld en dat nadere ondersteuning van haar noodzakelijk was. Het hof heeft – gelet op deze formulering – bovendien niet
uit de constatering dat de man bewust de zorg afhieldgeconcludeerd dat de man op de datum van het huwelijk bekend was of had behoren te zijn met de wilsonbekwaamheid, zoals de hierboven onder 4) opgenomen klacht als uitgangspunt lijkt te nemen. Eerder heeft het hof uit zijn conclusie dat de man op de datum van het huwelijk bekend was of had behoren te zijn met de wilsonbekwaamheid geconcludeerd dat de man (dan dus ook) bewust de zorg afhield. In die zin bestaat dan ook wel een zeker verband tussen de twee punten. De conclusie dat de man op de datum van het huwelijk bekend was of had behoren te zijn met de wilsonbekwaamheid, heeft het hof gebaseerd op – kort gezegd – de hiervoor reeds aan de orde gekomen gebeurtenissen en verklaringen. Ook om die reden kan de hierboven onder 4) genoemde klacht niet slagen.