Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht van verwikkelingen
Fidelity Funds, [1] uw prejudiciële vragen aan dat Hof in de zaken C-156/17 (
[X]) en C-157/17 (
X Fund) wilt handhaven.
[X]) en 16/03955 (
X Fund) hebben gekregen en waarin ik op 9 november 2016 heb geconcludeerd. [2] U heeft bij tussenuitspraken van 3 maart 2017 in beide zaken prejudiciële vragen aan het HvJ EU gesteld. [3] De zaak met rolnr. 16/03955 is daarna door
X Fundingetrokken. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft u na die intrekking een aanvullende vraag gesteld in de overblijvende zaak met rolnr. 16/03954 (
[X]). Over de prejudicieel-procedurele complicaties daarvan heb ik op 20 juni 2017 aanvullend geconcludeerd [4] en u heeft daarover op 7 juli 2018 een brief gestuurd aan het HvJ EU, strekkende tot handhaving van uw vragen ook in de ingetrokken zaak met rolnr. 16/03955 (
X Fund).
Fidelity Funds. Zij hebben allen gereageerd.
2.De implicaties van Fidelity FundsvoorNederland
Fidelity Funds. U zag dat echter niet meteen in, gezien uw persbericht van 19 juli 2018. [5] De opmerkingen van de partijen en van de interveniërende derden strekken tot handhaving en zelfs aanvulling van uw vragen in belanghebbendes zaak.
Fidelity Fundsonjuist, maar hoe onjuist ook, wel duidelijk genoeg om geen vragen over de uitleg ervan te hoeven stellen. Het beantwoordt echter niet een vraag die in onze zaak wel, maar in
Fidelity Fundsniet aan de orde was. U zou kunnen overwegen om het HvJ EU expliciet(er) de vraag voor te leggen of een principieel verschil tussen het Nederlandse en het Deense stelsel – nl. dat het Nederlandse stelsel intern consistent en daarmee interne-marktneutraal is en het Deense stelsel niet – niet dwingt tot de conclusie dat het Nederlandse stelsel, anders dan het Deense, niet discrimineert omdat bezien vanuit doel, strekking en inhoud van het fbi-regime een objectief verschil tussen ingezeten en niet-ingezeten fondsen bestaat dat het door het HvJ EU in de Deense zaak waargenomen verschil in behandeling verklaart. Als alle lidstaten het Nederlandse stelsel zouden toepassen, zou het probleem immers verdwijnen. Dat gegeven impliceert dat het niet om een discriminatie of belemmering door Nederland gaat, maar om ofwel (i) een dispariteit tussen nationale stelsels, ofwel (ii) een verkeersbelemmering door de vestigingsstaat van het niet-ingezeten fonds. Ik betwijfel echter of het zin heeft om die vraag te stellen, nu u het HvJ EU in uw verwijzingsarrest (r.o. 4.2) al op de Nederlandse tegemoetkoming wegens buitenlandse bronheffing had gewezen, en het HvJ EU mijns inziens (zie 3.14) een bepaald resultaat wenst en zijn omgang met argumenten daaraan aanpast.
i.e.op de noodzaak van samengaan van vrijstelling/teruggaaf/afdrachtvermindering aan de ingang van het fonds en bronheffing aan de uitgang van het fonds (commentaar PJW: het verschil is dus kennelijk toch wél relevant),
vrijwilligdezelfde uitgangsbelasting betalen als ingezeten fondsen inhouden.
vrijstellingvan de Deense bronbelasting is ….
betalingvan de Deense bronbelasting. Dat beschrijft inderdaad het Deense systeem. ’s Hofs arrest komt er dus op neer dat niet-ingezeten fondsen de keuze gegeven moet worden om te opteren voor vrijwillige betaling van
exactdezelfde belasting als ingezeten fondsen (betaling aan de uitgang in plaats van aan de ingang) in plaats van
ongeveerdezelfde belasting (betaling aan de ingang, die niet steeds identiek is aan de belasting aan de uitgang).
i.e.de ingezeten belegger die via niet-ingezeten fondsen belegt in ingezeten vennootschappen. Hoewel u in uw verwijzingsuitspraak het HvJ EU heeft uitgelegd dat het niet logisch lijkt om op
fondsniveau een probleem op te lossen dat zich bij een minderheid van dier
participantenvoordoet, wil het HvJ EU kennelijk voor de u-bochtbelegger hetzelfde resultaat garanderen als voor ingezeten beleggers die via ingezeten fondsen beleggen in ingezeten vennootschappen. ’s Hofs ideaal is denkelijk een interne markt waarin elke belegger in elke lidstaat via elk beleggingsfonds uit elke lidstaat kan beleggen in elke vennootschap in elke lidstaat. Hij lijkt daarbij overigens te vergeten dat ook rechtstreekse belegging in een niet-ingezeten vennootschap wel degelijk tot inhouding van dividendbelasting in het bronland leidt;
if any(het VK heft geen dividendbelasting) als de Deense bronbelasting. Ik merk op dat daarmee het risico voor de achterliggende beleggers op onvoldoende verrekeningsbasis in hun eindheffing toeneemt.
tracenwelke ontvangen dividenden hij dooruitdeelt, om op Deense dividenden de Deense heffing in te houden (en op Griekse dividenden de Griekse bronheffing, op Portugese dividenden de Portugese bronheffing, etc.). De vrijwillig aan Denemarken (Griekenland, etc.) te betalen belasting is gelijk aan het bedrag dat een Deens (Grieks, etc.) fonds op dooruitdeling van Deense (Griekse, etc.) dividenden zou moeten inhouden. Het dooruitdelende niet-ingezeten fonds moet dus een Deense (en Griekse, etc.) schaduwboekhouding voeren naast zijn vestigingslandboekhouding om de grondslag van de vrijwillig te betalen uitstroombelasting te kunnen bepalen, dus om rekening te kunnen houden met de Deense (en Griekse, etc.) herbeleggingsreserve, niet-aftrekbare kosten en afrondingsreserve en andere eigenaardigheden van de verschillende fbi-regimes in alle andere lidstaten bij het bepalen van de voor uitdeling beschikbare winst c.q. de minimaal uit te keren winst, terwijl bovendien een mechanisme bedacht moet worden voor toerekening van de fonds(beheer)kosten aan de verschillende oorsprongen van het dooruitgedeelde dividend.
veellager zal zijn), zullen denkelijk weinig buitenlands fondsen op deze onmetelijke boekhouding en bewijsproblemen zitten te wachten.
Fidelity Fundsen
[X]er toe leiden dat Denemarken c.q. Nederland eerst zijn wet moet wijzigen om de vrijwillige inhoudingsplicht van een wettelijke basis te voorzien. [X] bijvoorbeeld, hoopt kennelijk op gratis teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting over alle jaren 2002-2008 (en wellicht nadien ook over 2009-2018), stellende dat zij niet aan inhoudingsplicht kan worden onderworpen zonder wettelijke basis.
windfall profitwaar ingezeten fondsen (nationale behandeling) nooit voor in aanmerking kunnen komen.
nationaalrecht – wel een wettelijke basis vereist zijn voor het toestaan van een geheel vrijwillige keuze, dan zou niets Denemarken/Nederland weerhouden van wetgeving die met terugwerkende kracht de voor vrijstelling/teruggaaf door het HvJ EU gestelde voorwaarde van betaling van de uitgangsbelasting codificeert. Zulke wetgeving ontneemt geenszins enig effect aan ’s Hofs arrest, nu dat immers niet verder strekt dan het oordeel dat het EU-recht ertoe noopt een vrijwillige keuze voor nationale behandeling te bieden,
i.e.de keuze om vrijwillig uitstroombelasting te betalen om in aanmerking te kunnen komen voor teruggaaf van instroombelasting. Het is evenmin enige aantasting van enig eigendomsrecht, want het niet-ingezeten fonds heeft op basis van EU-recht nooit meer of ander recht gehad dan op een keuze tussen instroombelasting en uitstroombelasting. Naar nationaal recht heeft het niet-ingezeten fonds nooit meer of ander recht gehad dan géén keuze.
secondary withholding taxesverbieden. Door een vrijwillige keuze ziet het niet-ingezeten fonds af van een beroep op ontbreken van extraterritoriale heffingsbevoegdheid. Het HvJ EU is expliciet op art. 10(5) OESO-Modelverdrag gewezen in de aan uw verwijzingsarrest gehechte en daarvan deel uitmakende conclusie en hij verwijst bovendien in
Fidelity Fundsnaar zijn recente arrest in de zaak
PMT, waarin een verdragsrechtelijk heffingsverbod wél een objectief verschil tussen ingezeten en niet-ingezeten fondsen opleverde. Het al dan niet ontbreken van extraterritoriale heffingsbevoegdheid doet voor het HJ EU kennelijk in de zaak
Fidelity Fundsniet ter zake, nu hij in r.o. 58 immers expliciet vaststelt dat Denemarken die bevoegdheid niet heeft. Dat zulks niet ter zake doet, ligt ook voor de hand als hij uitgaat van vrijwillige betaling van uitstroombelasting om in aanmerking te komen voor vrijstelling van de zonder die betaling verschuldigde
niet-extraterritoriale instroombelasting waartoe wél bevoegdheid bestaat. Hij wil niet-ingezeten fondsen slechts de keus geven tussen de (wettelijke) instroombelasting en de (desgewenst vrijwillig daarvoor in de plaats te stellen) uitstroombelasting.
Fidelity Fundsvolgt immers duidelijk dat niet-Deense fondsen die vrijstelling wensen, moeten “voldoen aan de voorwaarden van §16C van de ligningslov,” met name - expliciet - aan de dooruitdelingseis. Dat ligt ook voor de hand: het gaat immers om nationale behandeling, dus moet aan die nationale eisen voldaan worden, tenzij die voor niet-ingezeten fondsen, anders dan voor ingezeten fondsen, uiterst bezwaarlijk zouden zijn, hetgeen niet het geval is bij de dooruitdelingseis.
daadwerkelijk(dus niet fictief) Nederlands dividend dooruitgedeeld is en alsnog bronbelasting over die dooruitdelingen aan Nederland betaald wordt. Nationaal recht eist immers ook van ingezeten fondsen daadwerkelijke dooruitdeling en betaling. Dat voor niet-ondernemers, niet-a.b.-houders en niet-rechtspersonen die eis mogelijk minder relevant zou zijn in verband met de invoering van box 3, doet mijns inziens niet ter zake. Het EU-recht verplicht een lidstaat niet om relevant te zijn, als hij maar nationale behandeling mogelijk maakt.
de factoeen markttoegangsweigering zou inhouden, hetgeen mijns inziens niet het geval is. Kennelijk vindt ook het HvJ EU dat niet, nu hij u in overweging geeft uw vragen in te trekken en wij er vanuit moeten gaan dat hij uw verwijzingsbeschikking aandachtig heeft gelezen, waarin de aandeelhouderstoets uit de doeken wordt gedaan.
3.Uitgebreidere analyse van Fidelity Funds
De Deense fiscale regeling voor (Deens gevestigde) icbe’s
across the boarddividendbelasting ingehouden door uitkerende vennootschappen en moeten §16C-fondsen om teruggaaf vragen. Misschien wordt die teruggaaf zelfs verrekend met de bronheffing op de verplichte dooruitdeling. In dat geval verschilt het Deense systeem nauwelijks van het Nederlandse, behalve voor wat betreft de teruggaaf/afdachtvermindering ter zake van buitenlandse dividendbelasting die Nederland wel geeft maar Denemarken niet.
Fidelity Fundswaren in Luxemburg c.q. het Verenigd Koninkrijk (VK) gevestigde vennootschappen (icbe’s in de zin van Richtlijn 85/611) met beleggingsbelangen (i.e. kleiner dan 10%) in Deense (beurs)vennootschappen. Zij hadden niet de §16C-fonds-status en hadden hun statuten daar ook niet aan aangepast. Zij voldeden dus niet aan de voorwaarden voor vrijstelling van Deense dividendbelasting. Ook inwoners van Denemarken konden beleggen via de belanghebbenden. Onduidelijk is of er ook dergelijke u-bochtbeleggers waren.
prima faciediscriminerende belemmering van het kapitaalverkeer aan zowel de aanbodkant als de vraagkant omdat de vrijstelling van bronbelasting (en kennelijk ook van vennootschapsbelasting) was voorbehouden aan ingezeten icbe’s (punten 43 en 44). Dat is een discriminatie naar vestigingsplaats. Vervolgens onderzocht hij, zoals gebruikelijk, of nog steeds sprake was van discriminatie als de interne en de grensoverschrijdende situatie werden vergeleken op basis van doel, strekking en inhoud van de gewraakte nationale regeling, dan wel of in dat licht bezien, een objectief verschil bestond tussen ingezeten en niet-ingezeten fondsen dat het verschil in behandeling kon verklaren. Bezien vanuit het doel van de regeling om cumulatie van belasting te voorkomen door de heffing ten laste van het fonds te vervangen door heffing ten laste van diens aandeelhouders (r.o. 49-63), zag het HvJ EU opmerkelijkerwijs geen objectief verschil tussen Deense en niet-Deense icbe’s, hoewel het evident is dat het niet kunnen heffen van uitstroombelasting bij niet-ingezeten fondsen wegens hun niet-onderworpenheid vanuit dat doel bezien een objectief verschil is ten opzichte van ingezeten fondsen, die wél gedwongen kunnen worden tot inhouding van de van de ingang naar de uitgang verplaatste bronheffing.
i.e.de coherentie tussen vrijstelling aan de instroomkant en heffing aan de uitstroomkant van de icbe. De vrijstelling bij ontvangst door ingezeten icbe’s wordt immers gecompenseerd door de heffing bij (verplichte) dooruitdeling aan dier deelnemers (r.o. 77-82).
prima faciediscriminatoir naar vestigingsplaats en zag evenmin een objectief verschil tussen ingezeten (aan inhoudingsplicht onderworpen) en niet-ingezeten (niet aan inhoudingsplicht onderworpen) icbe’s op grond van de volgende redenering:
nietstreven naar fiscale neutraliteit tussen rechtstreeks beleggen en fondsbeleggen enig EU-rechtelijk doel dient. Dat, in de tweede plaats, Denemarken zijn ingezetenen belast, dus ook u-bochtbeleggers, lijkt mij slechts relevant te kunnen zijn als de overgrote meerderheid van de beleggers in
Fidelity FundsDeens ingezeten zou zijn. Het lijkt mij echter niet aannemelijk dat een Brits beleggingsfonds volstrekt overwegend in Deense aandelen belegt én volstrekt overwegend Deense deelnemers heeft. Wat het Hof ook moge bedoelen, het lijkt mij duidelijk dat ook volgens zijn criterium (jurisdictie-uitoefening ter zake van de
deelnemers) slechts objectieve vergelijkbaarheid bestaat
in zoverreer u-bochtbeleggers zijn. Dat is ook de conclusie van mijn eerste conclusie in deze steeds interessanter wordende zaak. Dat impliceert dat ook alleen
in zoverresprake kan zijn van een discriminatie die opgeheven zou moeten worden en dat die mogelijke discriminatie heel wel opgeheven kan worden bij die beleggers, zoals u het Hof in uw verwijzingsbeschikking duidelijk heeft uitgelegd.
Ofüberhaupt sprake is van discriminatie van u-bochtbeleggers, hangt overigens af van de hoogte van de Deense eindheffing ten laste van Deens ingezeten u-bochtbeleggers. Is die hoger dan de dooruitdelingsbelasting, dan is van enige beleggersdiscriminatie zelfs geen sprake.
4.Schriftelijke opmerkingen van de partijen en van de interveniënten
Fidelity Fundsen dat u uw vragen kunt intrekken om de prejudiciële vragen van de Rechtbank in haar voordeel te beantwoorden, maar geeft u in overweging om uw vragen niet alleen te handhaven, maar aan te vullen in verband met de mogelijke afwijkende configuraties in de circa 11.000 nog hangende bezwaarschriften van andere niet-ingezeten beleggingsfondsen.
Fidelity Fundsvolgens hem niet opheldert of Nederland aan niet-ingezeten icbe’s de aandeelhouderseisen kan stellen (en bewijs van voldoening daaraan kan eisen) die hij stelt aan ingezeten fbi’s; (iv) hij onduidelijk acht of buitenlandse fondsen daadwerkelijk en tijdig moeten dooruitdelen dan wel voldoende is dat zij vervangende uitstroombelasting betalen
alsoftijdig en daadwerkelijk is dooruitgedeeld), (v) in
Fidelity Fundsniet aan de orde is gekomen dat een eventuele hogere belastingdruk voor een u-bochtbelegger (dan voor een belegger in een geheel interne situatie) kan worden geneutraliseerd door teruggaaf in zoverre van Nederlandse dividendbelasting aan die u-bochtbelegger. De door het HvJ EU gesignaleerde mogelijke belemmering van niet-ingezeten fondsen bij het aantrekken van ingezeten beleggers zou daarmee weggenomen zijn.
Fidelity Fundsvoor de zaak
[X]. Beide interveniënten adviseren u uw prejudiciële vragen aan het HvJ EU te handhaven en bovendien aanvullende vragen te stellen over de implicaties van
Fidelity Funds. De NOB meent dat de Nederlandse wetgeving het EU-recht schendt maar acht expliciete verduidelijking door het HvJ EU op dat punt gewenst, opdat ook duidelijk wordt hoe de binnenlandse en de grensoverschrijdende situaties met elkaar moeten worden vergeleken. Loyens en Loeff N.V. leidt uit
Fidelity Fundsaf dat het feit dat niet-ingezeten fondsen niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting en ingezeten fbi’s wel, geen relevant objectief verschil is dat een verschillende behandeling kan rechtvaardigen. Zij geeft u met name in overweging het HvJ EU te verzoeken acht te slaan op de verschillen tussen het Deense en het Nederlandse systeem en de vraag te stellen of met de overweging, in punt 84, “
dat deze instellingen een belasting betalen die gelijk is aan die welke in Denemarken gevestigde §16 C-fondsen als voorheffing moeten inhouden”bedoeld wordt dat niet-ingezeten fondsen de mogelijkheid moeten krijgen om een
Deensebelasting te betalen of dat voldoende is dat zij
ergens(in Denemarken of in een ander land) een belasting te betalen die gelijk is aan die welke in Denemarken gevestigde §16C-fondsen moeten inhouden.
5.Deense of anybelastingaandeuitgang?
V-N(2018/35.13) menen dat punt 84 van
Fidelity Fundsniet duidelijk maakt of het daar gaat om een
Deensebronbelasting bij dooruitdeling van Deense dividenden door het niet-Deense fonds of om een inhoudingsbelasting opgelegd door het land van vestiging van het niet-Deense fonds.
curs.PJW):
les autorités fiscales danoises s’assurent, avec la pleine collaboration de ces organismes, que ces derniers acquittent
un impôt équivalent à celui que les fonds relevant de l’article 16 C résidant au Danemark doivent retenir, comme précompte, sur la distribution minimale calculée conformément à cette disposition. Permettre à de tels OPCVM de bénéficier de cette exonération, dans ces conditions, constituerait une mesure moins restrictive que le régime actuel.”
the Danish tax authorities ensure, with the full cooperation of such UCITS, that the latter pay
a tax that is equivalent to the tax which Danish Article 16 C funds are required to retain, as a withholding tax, on the minimum distribution calculated in accordance with that provision. Allowing such UCITS to enjoy that exemption, under those conditions, would be less restrictive than the current system.”
die dänischen Steuerbehörden unter voller Zusammenarbeit dieser Organismen vergewissern, dass diese
eine Steuer entrichten, die derjenigen entspricht, die die in Dänemark ansässigen Investmentfonds im Sinne des § 16 C als Vorauszahlung auf die nach dieser Bestimmung berechnete Mindestausschüttung einbehalten müssen. Es würde eine weniger einschränkende Maßnahme als das derzeitige System darstellen, solchen OGAW zu erlauben, diese Befreiung unter diesen Bedingungen in Anspruch zu nehmen.”
Deensefiscus. Het gaat immers uitsluitend om de coherentie van het
Deensebelastingstelsel, dus om de ‘rechtstreekse’ koppeling van de
Deenseinstroomvrijstelling aan de
Deenseuitstroom-belasting. Nationale behandeling betekent – uiteraard – dat niet-ingezeten fondsen dezelfde mogelijkheid krijgen als ingezeten fondsen, dus de mogelijkheid om te betalen aan de
Deensefiscus, en niet aan een of andere toevallige andere jurisdictie. Als uitoefening van Luxemburgse of Britse heffingsjurisdictie over dividenden van oorsprong Denemarken de territoriale aanspraak van het bronland Denemarken zou opheffen om te heffen over die Deense dividenden, zou dat jurisdictioneel hoogst incoherent zijn, en ook manifest in strijd met ’s Hofs arresten in de zaken
Kerckhaert-Morres, [7] Damseaux [8] en
Block [9] , die parallelle uitoefening van heffingsbevoegdheid door bronstaat en vestigingsstaat juist uitdrukkelijk toestaan.
[X]luiden als volgt (
curs. PJW):
Nederlandin de weg om buitenlandse beleggingsfondsen die een fiscaal voordeel wensen te bekomen (in casu de teruggave van ingehouden dividendbelasting) aan de inhoudingsplicht voor de dividendbelasting te onderwerpen (voetnoot 23).”
Fidelity Fundsen dat zij in die zaak een
Deenseheffing bedoelde (
curs. PJW):
Deenseregering om buitenlandse beleggingsfondsen aan de
Deensebelastingheffing op hun uitkeringen te onderwerpen. Zie eveneens, doch op minder rechtlijnige wijze analoog, de zaak C-300/15, Kohll en Kohhl-Schlesser, waarin Uw Hof heeft geoordeeld dat het feit dat een pensioen niet in de woonstaat van belanghebbende aan bronheffing was onderworpen omdat het pensioenfonds in een andere lidstaat was gevestigd, een ongelijke behandeling niet kon rechtvaardigen.” [10]
fonds– en niet diens deelnemers – de keus krijgt om desgewenst vrijwillig een Deense belasting te betalen gelijk aan de Deense bronheffing teneinde de Deense vrijstelling van bronheffing te verwerven.
6.Het verbod op secondary withholding tax
Fidelity Fundskende zowel het belastingverdrag tussen Denemarken en het Verenigd Koninkrijk als het belastingverdrag tussen Denemarken en Luxemburg een verbod op
secondary withholding taxes(nagenoeg) gelijkluidend aan art. 10(5) OESO-modelbelastingverdrag. Art. 10(5) belastingverdrag Denemarken-Luxemburg luidde in het Frans (mijn Deens is niet wat het geweest had kunnen zijn):
PMT [11] verklaard dat de grensoverschrijdende situatie (waarin geen jurisdictie bestaat) objectief onvergelijkbaar is met de interne situatie waarin wel jurisdictie bestaat, zodat van discriminatie geen sprake is. Gezien art. 10(5) OESO-Modelverdrag doet die situatie zich ook voor in
Fidelity Funds: doel en strekking van de Deense regeling zijn onbereikbaar zonder extraterritoriale heffing (bronheffing bij het niet-ingezeten fonds), net zoals de Zweedse forfaitaire rendementsheffing op het gehele vermogen van pensioenfondsen in de zaak
PMTzonder extraterritoriale heffingsjurisdictie onbereikbaar was bij niet-ingezeten pensioenfondsen. Aan de vraag naar een rechtvaardiging kwam het Hof dan ook niet toe in
PMT. U heeft het Hof in uw verwijzingsarrest in de zaak
[X]dan ook expliciet gewezen op
PMT.
secondary withholding taxex art. 10(5) OESO-Modelverdrag (onderdeel 5.20 van die conclusie) en het mij sterk lijkt dat de Deense regering er niet op gewezen zou hebben. Het Hof verwijst overigens zelf naar
PMTin de zaak
Fidelity Funds,dus hij heeft het punt van mogelijk ontbreken van heffingsbevoegdheid niet gemist.
secondary withholding taxdoet in ’s Hofs benadering helemaal niet ter zake omdat hij zich, net als zijn A-G Mengozzi, bij zijn proportionaliteitsanalyse niet baseert op wettelijke of verdragsrechtelijke heffings(on)mogelijkheden, maar uitsluitend op
vrijwilligebetaling van bronbelasting door niet-onderworpen buitenlandse fondsen die in aanmerking wensen te komen voor strikt nationale behandeling. Het HvJ EU gaat er expliciet van uit (zie r.o. 58) dat Denemarken géén bronheffingsjurisdictie heeft ter zake van dooruitdelingen door niet-ingezeten fondsen. Vervolgens wordt van die fondsen gevraagd om, als zij in aanmerking willen komen voor vrijstelling van instroombelasting, jegens de Deense autoriteiten ‘volledige medewerking’ te verlenen aan betaling van een ‘belasting (…) die gelijk is aan die welke in Denemarken gevestigde §16C-fondsen als voorheffing moeten inhouden’ bij uitstroom (r.o. 84). Het Hof heeft slechts geoordeeld dat Denemarken zich niet meer op fiscale coherentie kan beroepen als het niet-ingezeten fonds zelf
aanbiedtom de coherentie van het Deense belastingstelsel te waarborgen door dezelfde uitstroombelasting te betalen als een Deens fonds bij dooruitdeling moet afdragen en daarmee dus juist afziet van beroep op het ontbreken van extraterritoriale heffingsbevoegdheid. In dat geval is het vanuit coherentie-oogpunt disproportioneel, want niet meer nodig, om de instroombelasting te heffen waartoe het bronland wél bevoegd is. Wenst het niet-ingezeten fonds zich wél op ontbreken van extraterritoriale heffingsbevoegdheid te beroepen teneinde géén uitstroombelasting aan Denemarken te betalen, dan voldoet het niet aan de door Commissie, A-G en HvJ EU gestelde voorwaarde voor buitenwettelijke vrijstelling van instroombelasting.
7.Nadere aanvullende conclusie
vestigingsstaatvan het niet-ingezeten fonds als die staat bij dooruitdeling dividendbelasting heft (het VK doet dat overigens niet, maar dat is dus een dispariteit) en daarbij, anders dan Nederland, zijn fondsen geen vermindering van die dividendbelasting geeft in verband met in andere lidstaten geheven dividendbelasting.