Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
Miljoen e.a.vragen over de toepassing van die vergelijkingsmaatstaf. Nu er duizenden vergelijkbare zaken bij de belastingdienst en de Rechtbank liggen, vraagt de Rechtbank u prejudicieel (ia) of u aanleiding ziet van HR BNB 2015/203 terug te komen en zo neen, (ib) hoe de vergelijkingsmaatstaf in dat arrest dan uitpakt in het licht van
Miljoen e.a.en (ii) of relevant is of de belanghebbende ook ingezeten particuliere aandeelhouders heeft.
Emerging Markets, Santander, Orange European Smallcap Funden
PMTblijkt dat de grensoverschrijdende en interne situatie bij belegging via beleggingsfondsen vergeleken moet worden op basis van doelstelling, voorwerp en inhoud van het nationale fondsregime. Doel en effect van het fbi-regime zijn dat de uitstroombelasting ten laste van de participanten bij de verplichte dooruitdeling overeenstemt met de dividendbelasting die zij bij rechtstreekse belegging gedragen zouden hebben. Dat doel en effect zijn onbereikbaar bij belegging via een lichaam dat zich buiten de Nederlandse bronheffingjurisdictie bevindt. Wat de belanghebbende wenst, is vrijstelling van Nederlandse dividendbelasting voor iedereen die via een niet-ingezeten fonds belegt. Die wens vindt mijns inziens geen steun in het recht.
Class IV ACT, dat uitoefening van heffingsbevoegdheid jegens niet-ingezeten dividendgerechtigden een risico van meervoudige belastingheffing of economisch dubbele heffing over uitgedeelde vennootschapswinsten meebrengt en dat als voor ingezeten aandeelhouders een mechanisme ter voorkoming of vermindering van die cumulatie bestaat, dat mechanisme ook moet worden toegepast voor niet-ingezetenen die aan eenzelfde cumulatie worden onderworpen. De teruggave/afdrachtvermindering in het fbi-regime dient de voorkoming van economische dubbele dividendbelasting die zonder die tegemoetkoming binnen het fbi-regime zou ontstaan. Zo’n dividendbelastingcumulatie doet zich niet voor in geval van een niet-ingezeten fonds, dat immers - anders dan een fbi - niet is onderworpen aan enige Nederlandse inhoudingsplicht, en uit
Class IV ACTblijkt dat de bronstaat alsdan geen teruggave of teruggaverechten hoeft mee te geven met uitgaand dividend.
niet-transparant buitenlands fonds zoals de belanghebbende constateren dat zijn participanten niet vergelijkbaar zijn met participanten in een fbi omdat eerstgenoemden niet zijn onderworpen aan de Nederlandse dividendbelasting (en evenmin aan Nederlandse inkomstenbelasting als zij niet-ingezeten zijn). Vergelijkt men op fondsniveau, dan moet men constateren dat een niet-ingezeten fonds niet vergelijkbaar is met een fbi omdat hij geen dividendbelasting inhoudt en afdraagt aan Nederland. Kijkt men naar het
overalleffect, dan moet men constateren dat de participant die belegt via een niet-ingezeten fonds en de participant die hetzelfde doet via een Nederlandse fbi in Nederland economisch identiek belast worden in de dividendbelasting: beiden worden geconfronteerd met éénmaal Nederlandse dividendbelasting; de eerste (indirect; economisch) met de inhouding ten laste van het buitenlandse fonds, de laatste met de dooruitdelingsbelasting die economisch de dividendbelasting ten laste van de fbi doorbelast aan diens participanten.
Class IV ACTen
Miljoen e.a.blijkt dat de belanghebbende (c.q. zijn participanten) pas vergelijkbaar zouden worden met (de participanten in) een fbi als Nederland ook (de participanten in) de belanghebbende zou onderwerpen aan cumulatie van dividendbelasting, dus ook belanghebbende(’s participanten) zou onderwerpen aan (inhouding van) een uitstroombelasting, net als de (participanten in) een fbi;
i.e.als Nederland hen zou onderwerpen aan een extraterritoriale
secondary withholding tax.Uit onder meer de zaken
Columbus Container Servicesen
Krankenheim Ruhesitzblijkt dat een EU-lidstaat geenszins gehouden is zijn belastingregeling aan te passen aan afwijkende stelsels in andere lidstaten om fiscale neutraliteit te garanderen en dus geenszins gehouden is om een
secondary withholding taxin te voeren ten gerieve van de buitenlandse verrekenings- of
credit-doorgeefpositie van niet-ingezeten fondsen. Overigens verbiedt art. 10(6) van het belastingverdrag met het VK (art. 10(5) OESO-Modelverdrag)
secondary withholding taxes.
Orange European Smallcap Funden
Kerckhaert-MorresEU-rechtelijk ook niet hoeft te doen, is een dispariteit of een parallelle jurisdictie-uitoefening en een soevereine aangelegenheid van die Staat. Het is vaste rechtspraak van het HvJ EU dat de Verdragsvrijheden niet garanderen dat blootstelling aan een andere c.q. aan twee jurisdictie(s) fiscaal neutraal zal zijn. Die vrijheden houden evenmin in dat een Lidstaat zijn belastingwetgeving zou moeten aanpassen aan uiteenlopende eigenaardigheden van belastingstelsels van andere Lidstaten om te voorkomen dat grensoverschrijding tot een hogere
overallbelasting leidt dan niet-grensoverschrijding.
Miljoen e.a.nog geldend recht is voor niet-ingezetenen die, indien zij ingezeten zouden zijn, in box 3 zouden vallen, nu het recentere arrest
PMTvan het HvJ EU zijn arrest
Miljoen e.a. regelrecht tegenspreekt voor gevallen van forfaitaire inkomstenbepaling zoals in box 3. Wat daar van zij,
Miljoen e.a.gaat niet over de vergelijkbaarheid van fondsbelegging en rechtstreekse belegging. Er is niets in
Miljoen e.a.dat suggereert dat door tussenliggende
niet-transparante niet-ingezeten buitenlandsrechtelijke entiteiten heen gekeken zou moeten worden. De belanghebbende, van wie vast staat dat hij fiscaalrechtelijk niet-transparant is, verkeert mijns inziens in dezelfde positie als andere niet-ingezeten
corporatebeleggers in Nederlandse aandelen. Hij verkeert dus voor de toepassing van
Miljoen e.a.in dezelfde positie als
Société Généraleuit de
Miljoen e.a.trilogie. Zijn dividendbelastingdruk moet daarom worden vergeleken met de Nederlandse vennootschapsbelastingdruk die een ingezeten vennootschapsbelasting-plichtige gedragen zou hebben ter zake van Nederlands beleggingsdividend. Uit
Hariboen Ö
sterreichische Salinenvolgt dat de belanghebbende de daartoe benodigde feitelijke gegevens moet produceren en uit
Société Généraledat hij alleen de rechtstreekse inningskosten mag aftrekken van het brutodividend. Alsdan is onwaarschijnlijk dat de vpb-druk (destijds circa 30%) in de litigieuze jaren hoger zou zijn geweest dan de dividendbelastingdruk (destijds 25%).
Société Généralelijkt op dit punt echter weer tegengesproken te worden door het latere arrest
Brisal. De vraag naar de verhouding tussen die twee arresten kunt u niet beantwoorden en verwijzing naar het HvJ EU heeft bij gebrek aan feitelijke grondslag geen zin. Overigens lijkt niet waarschijnlijk dat de belanghebbende meer dan circa 20% van het brutodividend aan directe kosten gemaakt zou hebben tot verwerving van het dividend. Na vaststelling van de relevante feiten kan de verwijzende feitenrechter hierover eventueel zelf vragen aan het HvJ voorleggen als die feiten daartoe aanleiding geven.
Société Généralemoet volgen of
Brisal.
Class IV ACT, EU-rechtelijk in beginsel geen ontdubbelingstaak heeft.
Class IV ACTr.o. 66 maakt het HvJ echter een uitzondering voor U-bochtgevallen: als de achterliggende aandeelhouder in de niet-ingezeten dividendgenieter inwoner is van dezelfde Staat als die van vestiging van de oorspronkelijk uitkerende vennootschap, ontstaat wel degelijk economisch dubbele heffing in één Staat, in ons geval de cumulatie van Nederlandse dividendbelasting en Nederlandse eindheffing. Dan moet de ingezeten U-bochtparticipant dezelfde voorkoming van opeenvolgende of economisch dubbele heffing geboden worden als een ingezetene die (rechtstreeks) dividend ontvangt van ingezeten vennootschappen. Teruggaaf/afdrachtverrekening wordt in binnenlandse verhoudingen alleen verleend als binnen acht maanden wordt dooruitgedeeld, maar dat is in een U-bochtgeval niet relevant, want er is al dividendbelasting geheven ten laste van het buitenlandse fonds en die blijft in stand tot de U-bochtbelegger in de Nederlandse eindheffing wordt betrokken. In het U-bochtgeval wordt de Nederlandse initiële dividendbelasting weliswaar niet vervangen door de uitstroombelasting, maar wel door de Nederlandse
eindheffing.
Hariboen
Österreichische Salinenrust de bewijslast op de U-bochtbelegger.
éclairézou zijn, zie ik geen mogelijkheid voor verwijzing van vraag 2 naar het HvJ EU nu niet is vastgesteld dat er ingezeten participanten achter de belanghebbende zitten en daarvan evenmin voetstoots op grond van ervaringsregels kan worden uitgegaan, zodat het HvJ EU de vraag in dit stadium van de procedure denkelijk als hypothetisch zal beschouwen.
2.Feiten en geschil
open endbeleggingsfonds met variabel kapitaal. Investec Fund Managers Ltd is de
authorised corporate directoren verantwoordelijk voor het bestuur van de belanghebbende. Beleggers kunnen deelnemen in belanghebbendes bezittingen door zijn aandelen te kopen, die in twee soorten verkrijgbaar zijn:
income shareswaarop dividend wordt uitgekeerd en
accumulation shareswaarop geen dividend wordt uitgekeerd. Niet in geschil is dat de belanghebbende fiscaal niet-transparant is en dat hij de juiste partij is om teruggave te vragen.
3.De procedure en de prejudiciële vragen
Miljoen, X, en Société Générale SA(
Miljoen e.a.), welk laatste arrest de vraag doet rijzen hoe de vergelijkingsmaatstaf in die zaken (waarbij de belastingdruk bij de uiteindelijke belegger in aanmerking wordt genomen) zich verhoudt tot die in HR BNB 2015/203. Bovendien overwoog de Rechtbank dat zich achter een buitenlands fonds Nederlands ingezetenen kunnen bevinden. Dit heeft de Rechtbank aanleiding gegeven (r.o. 4.11) om haar beslissing aan te houden en de volgende vragen prejudicieel aan u voor te leggen:
Vakstudie-Nieuwstekende bij de vragen in die zaak aan: [2]
test casehad gefungeerd en heeft afgezien van inhoudelijke opmerkingen.
Teruggaaf of verrekening van bronheffingen op uitgaand en inkomend beleggingsdividend onder nationaal en EU-recht
open endbeleggingsfonds niet vergelijkbaar was met een Nederlandse fbi omdat hij niet voldeed aan de uitdelingsverplichting:
Korvingmeent dat vanuit de doelstelling van het fbi-regime iets voor uw benadering valt te zeggen. Hij acht de vraag naar de EU-compatibiliteit van die benadering echter niet (é)clair(é). Ook hij wijst voorts op de (in HR BNB 2015/203 niet relevante) situatie waarin een Nederlands belastingplichtige belegt via een buitenlands beleggingsfonds: [16]
Robben(FED 2016/9) uw oordeel ‘logisch’. Wel meent hij dat onduidelijkheid bestaat over de stevigheid van het ‘vergelijkingsfundament’. Ook hij gaat in de op situatie waarin de participant in Nederland woont:
Emerging Markets; [17] Orange European Smallcap Fund; [18] Santander; [19] Class IV ACT; [20] en Truck Center [21] ) als volgt samen:
Santanderoordeelde het HvJ EU dat de beoordeling of de situaties van ingezeten en niet-ingezeten fondsen vergelijkbaar zijn, uitsluitend op het niveau van het beleggingsinstrument moet worden uitgevoerd, nu de vrijstelling voor het fonds niet afhing van heffing ten laste van diens deelgerechtigden:
Miljoen e.a., [22] waarna u op 4 maart 2016 eindarrest wees. [23] Het HvJ oordeelde dat de dividendbelastingdruk bij niet-ingezeten moet worden vergeleken met de uiteindelijke belastingdruk bij ingezetenen:
Miljoen e.a.(dat hij MXS noemt) en komt tot de volgende analyse: [24]
Miljoen e.a.(ik laat voetnoten weg):
Miljoen e.a.; PJW] zich verhoudt tot eerder gewezen rechtspraak van het HvJ inzake buitenlandse beleggingsinstellingen en pensioenfondsen en dergelijke, het arrest inzake de Finse beleggingsinstelling (HR 15 november 2013, nr. 12/01866, BNB 2014/20, NTFR 2013/2228), het arrest inzake de Luxemburgse beleggingsinstelling (HR 10 juli 2015, nr. 14/03956, NTFR 2015/2035) en het zeer grote aantal aanhangige zaken betreffende buitenlandse beleggingsfondsen met beleggingen in Nederland (circa 25.000): in al deze gevallen gaat het immers ook om buitenlandse instellingen die in Nederland portfoliobeleggingen aanhouden. Ik laat – mede gelet op de omvang van deze beschouwing, de zaken beoordeeld door het HvJ onbesproken en ga evenmin in op een andere zeer relevante kwestie die in veel van de zaken aan de orde is, namelijk de invloed van het feit dat veel van de fondsen fiscaal transparant zijn. Wel besteed ik nog enige aandacht aan genoemd arrest van de Hoge Raad inzake de Luxemburgse beleggingsinstelling. In dit arrest lijkt de Hoge Raad een heel andere weg in te slaan dan het HvJ in de hier besproken zaken door – kort gezegd – zich alleen te richten op de vergelijkbaarheid van de Sicav met een fbi en tot de conclusie te komen dat deze niet vergelijkbaar zijn, zodat het EU-recht niet aan de orde is. Het HvJ daarentegen neemt – althans in de in deze beschouwing besproken arresten – in feite alleen als uitgangspunt de vergelijkbaarheid tussen binnenlandse en buitenlandse beleggers in Nederlandse portfolioaandelen zonder zich te bekommeren om de vergelijkbaarheid van de aandeelhouders. Ten aanzien van de natuurlijke personen is dat logisch, maar ten aanzien van de vennootschap in zaak C-017/14 is dat wellicht minder logisch: het HvJ stelt simpelweg vast dat buitenlandse en binnenlandse belastingplichtigen gelijk zijn, zonder verdere toetsing. Die primaire toetsing heeft de Hoge Raad in genoemd arrest wel aangelegd. Het is niet duidelijk waarom het HvJ die vergelijking in de onderhavige zaken niet eerst heeft gemaakt. Of zou ervan uit moeten worden gegaan dat die gelijkheid evident aanwezig is? Mijns inziens is dat nog niet zo vanzelfsprekend: Société General is net als de Luxemburgse beleggingsinstelling niet belastingplichtig in Nederland. In beide gevallen worden portfoliodividenden ontvangen. Dat de beleggingsinstelling in Luxemburg is vrijgesteld van vennootschapsbelasting en Société General in Frankrijk wél is onderworpen aan de vennootschapsbelasting, is niet relevant voor de beantwoording van de in de arresten Miljoen c.s. besproken prejudiciële vragen of ingezetenen en niet-ingezetenen gelijke gevallen zijn. Als Société General in Nederland zou zijn gevestigd, zou het uiteraard vennootschapsbelastingplichtig zijn, maar in het beleggingsinstellingarrest zou het, ware de instelling in Nederland gevestigd, ook vennootschapsbelastingplichtig zijn. Kortom, het beleggingsinstellingarrest en de arresten Miljoen c.s. betreffen in de kern dezelfde problematiek, maar worden door Hoge Raad en het HvJ verschillend benaderd. De conclusie zou dan moeten zijn dat het beleggingsinstellingarrest volgens de lijn van het arrest C-017/14 (Société Générale) zou moeten zijn gewezen. Indien die benadering juist is, zou datzelfde moeten gelden voor de bovenbedoelde zaken betreffende de buitenlandse beleggingsfondsen.
Miljoen e.a.zonder enige verdere toetsing uitging van vergelijkbaarheid van binnenlandse en buitenlandse aandeelhouders. Beiden werden immers door Nederland belast voor het Nederlandse dividend; de vraag was slechts of ze door Nederland ook
gelijkbelast werden, althans de niet-ingezetenen niet ongunstiger dan ingezetenen, bezien vanuit ratio, inhoud en effect van een algemene vennootschapsbelasting inkomstenbelasting (de rol waarvan voor niet-ingezeten beleggers werd vervuld door de dividendbelasting).
Miljoen e.a.wees het HvJ EU een tegengesteld arrest in de zaak
Pensioenfonds Metaal en Techniek [26] (
PMT); in deze zaak achtte hij een niet-ingezeten dividendontvanger die alleen voor de werkelijke dividenden belast werd
nietvergelijkbaar met een ingezeten dividendontvanger die onderworpen is aan een box-3-achtige heffing
.Het Nederlandse PMT ontving dividenden van in Zweden gevestigde vennootschappen waarop 15 procent Zweedse dividendbelasting werd ingehouden. Zweedse pensioenfondsen werden voor de door hen ontvangen dividenden niet onderworpen aan dividendbelasting; zij waren onderworpen aan een forfaitaire rendementsheffing (vermogensbelasting), geheel vergelijkbaar met box 3, zij het dat het forfaitaire rendement gelijk was aan de staatsobligatierente van het jaar ervoor. Het HvJ overwoog, net als in
Miljoen e.a., dat de belastingdruk voor niet-ingezeten pensioenfondsen daardoor hoger kon zijn dan voor ingezeten pensioenfondsen, maar zag daarin – anders dan in het vergelijkbare verschil tussen ingezetenen en niet-ingezetenen in de zaak
Miljoen e.a.– géén ongelijke behandeling. Hij noemde
Miljoen e.a.wel, maar alleen in het hier niet ter zake doende verband van aftrekbaarheid van verwervingskosten. Het Hof overwoog [ik geef tussen haken tussentijds commentaar]:
PMTeen ‘tamelijk opzichtige noodgreep’ om terug te komen van
Miljoen e.a.Hij schrijft over de verhouding tussen
PMTen
Miljoen e.a.:
Columbus Container Services [32] betrof een Duitse
switch overbepaling (van vrijstelling naar verrekening) die ertoe leidde dat de Belgische winst van een Belgische vaste inrichting (coördinatiecentrum) van een Duitse belastingplichtige in Duitsland niet werd vrijgesteld, maar werd belast onder verrekening van de Belgische belasting. Columbus betoogde onder meer dat daarmee haar vrijheid van vestiging werd beperkt. Het Hof overwoog dat lidstaten hun stelsels niet hoeven aan te passen aan stelsels van andere lidstaten om fiscale grensoverschrijdingsneutraliteit te garanderen:
Lenz [34] betrof voorkoming van economische dubbele belasting op binnenlandse uitgekeerde vennootschapswinst. De aandeelhouder kon kiezen tussen een bevrijdende 25% inhouding of een
halbsatzverfahren(inkomstenbelastingheffing naar de helft van het reguliere tarief met teruggaaf van de ingehouden dividendbelasting). Voor buitenlandse dividenden werd die mogelijkheid niet geboden. Het HvJ veroordeelde dit verschil in behandeling:
Manninen [35] betrof voorkoming van economische dubbele belasting over uitgekeerde vennootschapswinst. Bij uitkering van Fins dividend werd aan de (binnenlandse) aandeelhouder een imputatiekrediet ad 29% van de uitgekeerde winst meegegeven in verband met de reeds geheven Finse vennootschapsbelasting. Met dat krediet kon de aandeelhouder de inkomstenbelasting over het dividend betalen. Was de vennootschapsbelastingdruk lager, dan werd bij de uitkerende vennootschap aanvullend geheven, zodat het krediet nooit hoger was dan de betaalde vennootschapsbelasting. Manninen ontving geen Finse, maar Zweedse dividenden en wenste hetzelfde krediet. Ook in deze zaak oordeelde het HvJ EU dat bezien vanuit het doel van de regeling (voorkoming van economische dubbele belasting) de binnenlandsituatie en de grensoverschrijdende situatie vergelijkbaar waren. Hij achtte de beperking van het krediet tot binnenlandse dividenden onverenigbaar met de EU-verkeersvrijheden:
Class IV ACT [36] ging onder meer over de omgekeerde situatie: die waarin niet (alleen) de woonstaat van de aandeelhouder, maar (ook) de
bronstaat (de Staat van vestiging van de uitdelende vennootschap) een imputatiestelsel toepast ter voorkoming van economische dubbele belastingheffing over uitgedeelde vennootschapswinsten. Daardoor rees de vraag of (ook) de bronstaat zijn imputatiekrediet moet meegeven aan niet-ingezeten aandeelhouders net zoals hij het meegeeft aan ingezeten aandeelhouders. Dat hoeft niet, behalve voor zover hij niet-ingezeten aandeelhouders net zo als ingezeten aandeelhouders belast voor het door hen ontvangen dividend. Het Hof overwoog:
Hariboen
Salinen [37] betroffen onder meer de vraag of art. 63 VwEU Pro zich verzet tegen de door een deelnemingsverrekeningsstelsel aan een aandeelhouder opgelegde – en volgens de verwijzende nationale rechter soms onoverkomelijke - bewijsproblemen ter zake van de in een ander land geheven onderliggende belasting. Het HvJ EU overwoog:
5.Beantwoording van de prejudiciële vragen
Miljoen e.a.stelt de belanghebbende dat de door hem gestelde inbreuk op het vrije kapitaalverkeer niet kan worden gerechtvaardigd door de omstandigheid dat een buitenlandse participant in een buitenlands fonds bij teruggave van de dividendbelasting aan dat fonds beter af zou zijn dan een rechtstreekse buitenlandse belegger in Nederlandse aandelen.
Miljoen e.a.een andere benadering gekozen dan de uwe in HR BNB 2015/203. Ik merk op dat de Rechtbank geen rekening lijkt te hebben kunnen houden met het
Miljoen e.a.tegensprekende latere arrest
PMT(zie 4.18 hierboven).
dividendbelastingdruk-vergelijking tussen de rechtstreeks beleggende buitenlandse participant en de via een buitenlands fonds beleggende participant) zich verhoudt tot de opvatting van het HvJ in
Miljoen e.a.dat – kort gezegd – de ten laste van een niet-ingezetene geheven
dividendbelasting moet worden vergeleken met de
inkomsten- of
vennootschapsbelasting verschuldigd door een ingezetene wiens heffingsgrondslag de inkomsten uit de desbetreffende aandelen omvat. Geheel niet-restitueren van Nederlandse dividendbelasting aan buitenlandse beleggingsinstellingen kan er toe leiden dat de Nederlandse belastingdruk op dividend dat indirect ten goede komt aan een niet-ingezeten participant die via een buitenlands fonds in Nederland belegt hoger is dan de belastingdruk bij rechtstreekse belegging in Nederlandse aandelen, in welk geval volgens
Miljoen e.a.bezien zou moeten worden hoeveel een vergelijkbare ingezetene betaald zou hebben in de inkomsten- of vennootschapsbelasting ter zake van die aandelen/het dividend.
Miljoen e.a.? De Rechtbank vraagt dus in de eerste plaats of de in de literatuur geuite twijfel over HR BNB 2015/203 voor u aanleiding is om terug te komen van dat arrest. Het antwoord op die vraag is mijns inziens: neen.
Emerging Markets,
Santander,
Orange European Smallcap Funden
PMTblijkt dat de grensoverschrijdende en de interne situatie bij belegging via beleggingsfondsen vergeleken moeten worden op basis van doelstelling, voorwerp en inhoud van het nationale fiscale regime voor die fondsen (zie
PMT, r.o. 48-49 en 51 (geciteerd in 4.18 hierboven) en de citaten in de onderdelen 6.7, 6.9 en 6.10 van de boven (4.14) geciteerde conclusie voor HR BNB 2015/203). HR BNB 2015/203 voldoet aan die maatstaf. U ging immers uit van het
doelvan de regeling (gelijke fiscale behandeling van rechtstreekse en fondsbeleggers) en beoordeelde daartoe de
inhoudvan de regeling (de eisen die het fbi-regime stelt, met name de eisen van dooruitdeling, inhouding en afdracht, en het effect daarvan: doorgeven van de dividendbelasting) en het
voorwerpervan (de positie van de belegger). Voyant onverenigbaar met een vergelijkingsmaatstaf op basis van doel, voorwerp en inhoud van het fbi-regime lijkt het mij om juist die persoon te negeren voor wie het regime is ontworpen: de belegger. Dat zou ook rechtstreeks in strijd zijn met r.o. 40 van de boven (zie 4.14, onder 6.9) geciteerde zaak
Santander. Doel én effect van het fbi-regime zijn dat de uitstroombelasting ten laste van de participanten bij de verplichte dooruitdeling (die de teruggegeven/verrekende instroombelasting zo snel mogelijk vervangt) overeenstemt met de dividendbelasting die zij bij rechtstreekse belegging gedragen zouden hebben. Dat doel en dat effect zijn onbereikbaar bij belegging via een lichaam dat zich buiten de Nederlandse bronheffingsjurisdictie bevindt. In wezen is de uitstroombelasting bij een fbi de doorgeschoven instroombelasting. Het regime creëert quasi-transparantie omdat fiscale transparantie o.a. verlies van verdragsgerechtigdheid voor de fbi tot gevolg zou hebben [38] en nontransparantie met inhoudingsvrijstelling bij dooruitdeling er toe zou leiden dat de belegger het verrekeningsrecht verliest dat hij bij rechtstreeks genieten van het dividend wél had. Zou de bij een fbi door de uitstroombelasting vervangen instroombelasting ook aan een niet-ingezeten fonds teruggegeven moeten worden
zonderdie vervangende uitstroombelasting binnen acht maanden, dan zou een belegger via een buitenlands fonds voor de dividendbelasting duidelijk anders behandeld worden dan een belegger die rechtstreeks belegt en evenzeer anders behandeld worden dan een belegger die via een fbi belegt. Dat laatste zei u weliswaar niet expliciet in HR BNB 2015/203, maar het is evident en volgt uit uw overwegingen.
niet-ingezeten fonds belegt. Die eis vindt mijns inziens geen steun in het recht.
Denkavit Internationaal/France [39] en
Amurta [40] bestaat mijns inziens niet. Die zaken betroffen niet een regime met als doel en effect gelijke fiscale behandeling van rechtstreekse en fondsbeleggers door middel van quasi-transparantie van het fonds (door middel van prompte verplaatsing van de instroombelasting naar de uitgang), maar een vrijstelling van dividendbelasting die werd voorbehouden aan ingezeten moeders, ongeacht of die moeders al dan niet dooruitdeelden en ongeacht enige heffing in volgende schakels. De fbi is niet vrijgesteld van dividendbelasting. De stelling dat zij dat in wezen wel is omdat de instroomdividendbelasting wordt teruggegeven/verrekend, veronachtzaamt ten onrechte dat die instroombelasting uitsluitend wordt teruggegeven/verrekend als binnen acht maanden dezelfde belasting bij uitstroom geheven wordt, dus uitsluitend als de belastingplicht van de fbi vervangen wordt door belastingplicht van de belegger (ongeacht waar die belegger woonachtig of gevestigd is), geheel conform de bedoeling van het regime, hetgeen bij niet-ingezeten fondsen en andere niet-inhoudingsplichtigen niet mogelijk is.
Miljoen e.a.(r.o. 67-68) overwoog het HvJ voor de vrijheid van kapitaalverkeer dat de uitoefening door een staat van zijn heffingsbevoegdheid jegens niet-ingezeten aandeelhouders een risico van meervoudige belastingheffing of economische dubbele heffing over uitgedeelde vennootschapswinsten meebrengt en dat als die Staat (de Staat van vestiging van de uitkerende vennootschap) voor ingezeten aandeelhouders een mechanisme ter voorkoming of vermindering van die meervoudige belastingheffing of economische dubbele belasting toepast, hij dat ook moet doen voor niet-ingezetenen voor zover hij die aan belastingheffing (in dit geval: dividendbelasting) onderwerpt. Hetzelfde had het Hof voor de vrijheid van vestiging al overwogen in r.o. 68-70 van
Class IV ACT(zie 4.24 hierboven), waarin zo’n overweging overigens meer op haar plaats leek, nu de kwestie in
Miljoen e.a.immers niet was de voorkoming van
economischedubbele belasting (uitgedeelde vennootschapswinsten worden in Nederland wel degelijk economisch dubbel belast), maar de voorkoming van
juridischedubbele belasting (door verrekening van de voorgeheven dividendbelasting met de eindheffing), waarover het Hof blijkens
Kerckhaert-Morres [41] en
Damseaux [42] anders denkt dan over economische dubbele belasting. [43]
Orange European Smallcap Fundarrest – gebeurt het door verrekening van de instroombelasting met de uitstroombelasting in de vorm van afdrachtvermindering.
inkomenddividend gaan de boven geciteerde zaken
Lenzen
Manninen. De geciteerde zaak
Class IV ACTgaat over voorkoming van economische dubbele heffing op
uitgaanddividend [45] en ook in r.o. 68 van
Miljoen e.a.heeft het Hof het over ‘meervoudige heffing’ naast ‘economische dubbele belasting’ bij uitgaand dividend (‘het in zijn nationale recht voorziene mechanisme ter voorkoming of vermindering van meervoudige belastingheffing of economische dubbele belasting’). Zoals opgemerkt, vermoed ik dat het Hof daarmee bedoelt juridische dubbele belasting die bij een ingezetene voorkomen wordt door verrekening van voorheffingen met de eindheffing waaraan een ingezetene is onderworpen: zou een bronstaat ook niet-ingezetenen aan een eindheffing onderwerpen (bijvoorbeeld niet-ingezeten onderdanen), dan moet hij ook die niet-ingezetenen verrekening van voorheffingen geven. In elk geval blijkt uit beide arresten dat als een lidstaat een dubbele of meervoudige heffing voor een ingezeten aandeelhouder opheft, hij die opheffing ook moet bewerkstelligen voor zover hij ook een niet-ingezeten aandeelhouder aan die dubbele last onderwerpt.
inkomendbuitenlands dividend ontvangen door een fbi gaf Nederland een vergelijkbare tegemoetkoming als voor binnenlands dividend (art. 6 (oud) BBI), zij het gemaximeerd op de verrekening waarop bij rechtstreekse belegging recht zou hebben bestaan onder het toepasselijke belastingverdrag. Zoals bleek, wordt die tegemoetkoming sinds 2008 (wetswijziging naar aanleiding van
Orange European Smallcap Fund) verleend ongeacht de woonplaats van de fbi-aandeelhouder, door middel van afdrachtvermindering ex art. 11a Wet Divb. Uit
Orange European Smallcap Fundvolgt overigens dat Nederland daartoe niet verplicht is: het Hof ziet in die zaak immers, net als in
Kerckhaert-Morres, de samenloop van buitenlandse bronheffing en binnenlandse vestigingsstaatbelasting over hetzelfde buitenlandse dividend bij dezelfde persoon als ‘parallelle uitoefening van heffings-jurisdictie’ waartegen de verkeersvrijheden niet gewassen zijn. Uit
Orange European Smallcap Fundvolgt wel dat
alsNederland (onverplicht) een tegemoetkoming geeft voor buitenslands ten laste van een fbi ingehouden bronheffing, die tegemoetkoming niet mag afhangen van de vraag of des fbi’s aandeelhouders ingezeten of niet-ingezeten zijn.
uitgaanddividend betreft, zoals in belanghebbendes geval, onderwerpt Nederland ingezetenen en niet-ingezetenen gelijkelijk aan dividendbelasting, ook ingezeten en niet-ingezeten fbi-aandeelhouders. De niet-ingezeten aandeelhouders van een fbi zijn daardoor - zie
Class IV ACT(r.o. 63-70) en
Miljoen e.a.(r.o. 67-69) - in zoverre vergelijkbaar met ingezeten aandeelhouders van een fbi en hebben in zoverre recht op gelijke behandeling. Die krijgen zij ook: de teruggaaf van dividendbelasting (thans afdrachtvermindering) wordt immers verleend ongeacht de woonplaats van de fbi-aandeelhouders (vóór 2008 was er wel iets mis met de toenmalige teruggaafregeling voor buitenlandse bronheffingen – daarover ging
Orange European Smallcap Fund– maar dat is hier niet relevant). Het enige EU-rechtelijke probleem dat hier kan rijzen, is de
Miljoen e.a.-kwestie: een ingezeten fbi-aandeelhouder wordt in de Nederlandse eindheffing (inkomsten- of vennootschapsbelasting) betrokken, die onder omstandigheden lager kan zijn dan de door de fbi ingehouden dividendbelasting, terwijl de niet-ingezeten fbi-aandeelhouder altijd 15% bruto betaalt. Dát probleem is hier echter nog niet aan de orde, maar voorwerp van het tweede deel van de eerste prejudiciële vraag.
niet-transparant buitenlands fonds zoals de belanghebbende constateren dat zijn participanten niet vergelijkbaar zijn met participanten in een fbi omdat zij niet onderworpen zijn aan de Nederlandse dividendbelasting (en evenmin aan Nederlandse inkomstenbelasting als zij niet-ingezeten zijn). Vergelijkt men op fondsniveau bij een
niet-transparant fonds zoals de belanghebbende, dan moet men constateren dat een niet-ingezeten fonds niet vergelijkbaar is met een fbi omdat hij geen dividendbelasting inhoudt en afdraagt aan Nederland (nog daargelaten de dooruitdelingsplicht en de aandeelhouderseisen). Kijkt men naar het geheel van het fbi-regime (naar het
overalleffect op beide niveaus), dan moet men constateren dat de participant die belegt via een niet-ingezeten fonds en de participant die hetzelfde doet via een Nederlandse fbi in Nederland economisch identiek belast worden: beiden worden geconfronteerd met éénmaal Nederlandse dividendbelasting: de eerste (indirect; economisch) met de inhouding ten laste van het buitenlandse fonds, de laatste met de uitstroombelasting. Indirect (economisch) is die uitstroombelasting overigens hetzelfde als de doorgegeven instroombelasting, zodat de binnenlandsituatie economisch gelijk is aan de buitenlandsituatie. In beide gevallen wordt door Nederland bovendien hetzelfde fiscale resultaat bereikt als bij rechtstreekse belegging in Nederlandse aandelen. Vergelijkt men op fondsniveau in het geval van een
transparantbuitenlands fonds, dan ziet men niets en komt men vanzelf op participantniveau omdat de dividendbelasting alsdan fiscaalrechtelijk rechtstreeks ten laste van de achterliggende participant wordt geheven, precies zo als bij een (i) ingezeten rechtstreekse belegger, (ii) een niet-ingezeten rechtstreekse belegger en (iii) een ingezeten fbi-belegger. Net als dezen, kan die achterliggende belegger alsdan de Nederlandse dividendbelasting op grond van het toepasselijke belastingverdrag verrekenen met zijn eindheffing.
- i) ingezetene belegt rechtstreeks;
- ii) niet-ingezetene belegt rechtstreeks;
- iii) ingezetene belegt via fbi;
- iv) niet-ingezetene belegt via fbi;
- v) niet-ingezetene belegt via niet-ingezeten fonds; en
- vi) ingezetene belegt via niet-ingezeten fonds.
eindheffing. Maar voor de
bronheffing (de dividendbelasting) is het een en al gelijke behandeling wat de klok slaat.
beleggersin de situaties (i) t/m (iv) en het meest vergelijkbaar is met niet-ingezeten beleggers (situaties (ii) en (iv)). Bij een buitenlands fonds (situaties (v) en (vi)) is geen sprake van cumulatie van Nederlandse bronbelasting (daarvan is evenmin sprake in situaties (i) en (ii)). Die cumulatie doet zich alleen voor in de gevallen (iii) en (iv) als gevolg van de zelfstandige belastingplicht van de fbi en van de (verplichte) binnenlandse dooruitdeling en herinhouding en wordt daarom door teruggave/afdrachtvermindering ontdubbeld. Nu Nederland in de gevallen (v) en (vi) geen cumulatie van dividendbelasting [46] veroorzaakt (‘meervoudige heffing of economische dubbele belasting’, aldus het HvJ EU), is Nederland geenszins gehouden (zie r.o. 63-70 van
Class IV ACTen r.o. 67-69 van
Miljoen e.a.) om die niet-bestaande cumulatie te voorkomen zoals hij de in de binnenlandgevallen (iii) en (iv) wél optredende cumulatie bij een fbi voorkomt. Voor vergelijkbaarheid met een fbi (gestippeld in tekeningen) is dus cruciaal cumulatie van dividendbelasting. Daaruit volgt dat niet-ingezeten fondsen (situaties (v) en (vi)) niet vergelijkbaar zijn met een fbi (situaties (iii) en (iv)). Niet-ingezeten fondsen zijn geen Nederlandse uitdelingsbron en dus niet inhoudingsplichtig in de bronstaat Nederland: geen cumulatie. Hun niet-ingezeten participanten zijn evenmin vergelijkbaar met participanten in een fbi omdat zij, anders dan participanten in een fbi, niet belastingplichtig zijn in de Nederlandse dividendbelasting: evenmin cumulatie.
Class IV ACT: ook daar werd met uitgedeelde vennootschapswinst een
creditmeegegeven (tot verrekening van de
advance corporation taxgeheven op de uitdeling) dat de ontvanger (alleen) kon gebruiken bij dooruitdeling, nl. om af te zetten tegen de
advance corporation taxdie geheven werd bij
zijndooruitdeling. Anders gezegd: de instroom-ACT werd vervangen door een uitstroom-ACT, precies zoals in het fbi-regime de instroomdividendbelasting wordt vervangen door een uitstroomdividendbelasting. Uit de boven geciteerde overwegingen 59, 63-65, 68 en 70 blijkt mijns inziens duidelijk dat het VK het ACT-credit niet hoefde mee te geven aan niet-ingezeten aandeelhouders omdat zij, anders dan de ingezeten aandeelhouders die dat
creditwél kregen, niet onderworpen waren aan de Britse uitstroom-ACT, precies zoals een niet-ingezeten fonds niet onderworpen is aan de Nederlandse uitstroom-dividendbelasting waaraan een fbi wél is onderworpen. Uit de r.o. 63-70 van
Class IV ACTen r.o. 67-69 van
Miljoen e.a.blijkt dat de belanghebbende (c.q. zijn participanten) pas vergelijkbaar zijn met (de participanten in) een fbi als Nederland ook (de participanten in) de belanghebbende zou onderwerpen aan cumulatie van dividendbelasting, dus ook aan een uitstroombelasting zou onderwerpen, net als de (participanten in) een fbi. Zij worden pas vergelijkbaar als Nederland hen zou onderwerpen aan een extraterritoriale
secondary withholding tax, in te houden en aan Nederland af te dragen door het buitenlandse fonds binnen acht maanden na het boekjaar. Anders dan de belanghebbende ten onrechte stelt, is een EU-lidstaat geenszins op grond van de verkeersvrijheden gehouden tot het invoeren van extraterritoriale heffingen om uiteenlopende buitenlandse fondsen vergelijkbaar te maken met ingezeten vennootschappen tot wie Nederland als bronland zijn bronheffingsjurisdictie heeft bepaald. Het staat elke lidstaat vrij om zijn heffingsaanknopingspunten te bepalen en zijn bronheffingsjurisdictie te beperken tot binnenlandse bronnen. [47] Zoals blijkt uit onder meer de boven (4.21) geciteerde arresten
Columbus Container Servicesen
Krankenheim Ruhesitzis een lidstaat geenszins gehouden om zijn belastingstelsel aan te passen aan uiteenlopende eigenaardigheden van stelsels van andere lidstaten om grensoverschrijdende gevallen fiscale gelijkheid te garanderen ten opzichte van éénjurisdictiegevallen. Mijns inziens wordt een dergelijke extraterritoriale
secondary withholding taxoverigens verboden door art. 10(6) van het belastingverdrag met het VK (art. 10(5) OESO-Modelbelastingverdrag). [48] Ik wijs in dat verband ten overvloede op de boven geciteerde, duidelijke r.o. 57-58 in de zaak
PMT.
uiteraardvrij zijn bronheffingsjurisdictie te beperken tot binnenlandse bronnen. De belanghebbende is geen binnenlandse bron.
mismatch) of van parallelle uitoefening van heffingsjurisdictie tussen Nederland en het VK. Niet in geschil is dat het belastingverdrag tussen Nederland en het VK de belanghebbende geen recht geeft op verrekening of teruggave van de Nederlandse dividendbelasting. Ik meen overigens dat niet beslissend is of daarover geen geschil bestaat, maar dat dit een rechtsvraag is. Ik veronderstel dat de belanghebbende inderdaad niet is onderworpen aan de Britse vennootschapsbelasting, althans geen inwoner is voor de toepassing van het belastingverdrag. Uit de verwijzingsuitspraak blijkt niet of onderzocht is of het VK de belanghebbende of zijn participanten unilateraal een tegemoetkoming verleent voor ten laste van de belanghebbende ingehouden buitenlandse bronheffingen, vergelijkbaar met de Nederlandse tegemoetkoming/afdrachtvermindering voor buitenlandse bronheffing. Ik veronderstel dat het VK geen vergelijkbare unilaterale tegemoetkoming verleent.
niet-transparant buitenlands fonds in Nederlandse aandelen te beleggen, merkt zijn woonstaat hem niet aan als belastingplichtig voor de Nederlandse dividendbelasting en heeft hij in zijn woonstaat onder het toepasselijke belastingverdrag dus geen recht op verrekening van de Nederlandse bronheffing. De wél-dividendbelastingplichtige (het fonds) is evenmin verdragsgerechtigd als hij in zijn vestigingsstaat niet onderworpen is aan de vennootschapsbelasting, zoals kennelijk de belanghebbende. Als het VK evenmin een unilaterale tegemoetkoming (teruggaaf of afdrachtvermindering) verleent voor buitenslands ten laste van zijn beleggingsfondsen ingehouden bronheffingen, blijft de Nederlandse dividendbelasting ‘hangen’. Het is niet aan Nederland om deze in en als gevolg van de Britse heffingsjurisdictie optredende omstandigheden te verhelpen. Nederland geeft wél een tegemoetkoming voor buitenlandse bronheffingen aan zijn fbi’s en zijn stelsel is daarmee neutraal, fiscaal coherent en intern consistent. Nederland gaat daarmee verder dan waartoe het EU-recht noopt, nu volgens
Orange European Smallcap Funden
Kerckhaert-Morres(i) de cumulatie van bronheffing in de bronstaat en inwonerheffing in de vestigingsstaat, en (ii) eventuele (gedeeltelijke) niet-verrekenbaarheid van die buitenlandse bronheffing in de woonstaat (internationale
juridischedubbele belasting) een gevolg is van parallelle uitoefening van heffingsjurisdictie waartegen de verkeersvrijheden niet gewassen zijn (anders dan tegen de discriminatie die in de zaken
Lenzen
Manninenaanwezig werd geacht bij weigering van verrekening van buitenlandse
vennootschapsbelastingwaar binnenlandse vennootschapsbelasting wél werd geïmputeerd). Dat het VK geen tegemoetkoming geeft en dat EU-rechtelijk ook niet hoeft te doen, is een dispariteit c.q. een parallelle jurisdictie-uitoefening en een soevereine aangelegenheid van die Staat. Het is vaste rechtspraak van het HvJ EU dat de Verdragsvrijheden niet garanderen dat grensoverschrijding (blootstelling aan een andere c.q. aan twee jurisdictie(s)) fiscaal neutraal zal zijn. [49] Ik herhaal dat die vrijheden volgens vaste rechtspraak evenmin inhouden dat een Lidstaat zijn belastingwetgeving zou moeten aanpassen aan uiteenlopende eigenaardigheden van belastingstelsels van andere Lidstaten om te voorkomen dat grensoverschrijding tot hogere
overallbelasting leidt dan niet-grensoverschrijding. [50]
transparantis, is er geen verrekeningsprobleem in het VK; dan is de fiscale positie van de achterliggende participant beslissend voor de Britse verrekenbaarheid van de Nederlandse dividendbelasting; dan gaat het in wezen om rechtstreekse belegging door die participant in Nederlandse aandelen. De boven getekende situaties (ii) en (v) zijn dan identiek. Ook daaruit blijkt dat het probleem afhangt van de eigenaardigheden van het andere belastingstelsel.
Santander, Orange European Smallcap Fund, Columbus Containeren
Class IV ACT, te meer overtuigd geraakt van het
éclairékarakter van de kwestie en van de juistheid van HR BNB 2015/203.
Miljoen e.a.heeft op de toepassing van de vergelijkingsmaatstaf in HR BNB 2015/203. Het gaat dan niet meer om alleen de
dividendbelasting (die zich in alle relevante vergelijkingsgevallen zonder onderscheid voltrekt), maar om een vergelijking van de dividendbelasting in de grensoverschrijdende gevallen met de
eindheffing (de inkomsten- of vennootschapsbelasting) in vergelijkbare binnenlandsituaties.
op de buitenlandse beleggerin situatie (v) vergelijken met de eindheffingsdruk (na verrekening) op de ingezeten
indirectebelegger in situatie
(iii); of
niet-ingezeten fondsin situatie (v) vergelijken met de eindheffingsdruk (na verrekening) op de
rechtstreeksebelegger in situatie
(ii).
Miljoen e.a.vergeleken moet worden met een niet-ingezeten
corporaterechtstreekse belegger (situatie (ii)) of met een niet-ingezeten
corporatebelegger in een fbi (situatie (iv)). Anders gezegd: de belanghebbende verkeert in de positie van
Société Générale(de niet-ingezeten
corporatebelegger in de zaak C-17/14 uit het
Miljoen e.a.cluster). Zijn dividendbelastingdruk moet dus vergeleken worden met de Nederlandse vennootschapsbelastingdruk die een vennootschapsbelastingplichtige ingezeten vennootschap gedragen zou hebben ter zake van het Nederlandse dividend. Volgens het arrest
Miljoen e.a.kan hij voor de berekening van de vergelijkings-vennootschapsbelastingdruk alleen de inningskosten van het brutodividend aftrekken. Die kosten zullen denkelijk niet hoog zijn geweest. Het dividendbelastingtarief was in de jaren 2003-2006 25% en het vennootschapsbelastingtarief rond de 30%. Het lijkt daarmee uiterst onwaarschijnlijk dat de dividendbelastingdruk in die jaren hoger was dan de vennootschapsbelastingdruk zou zijn geweest voor een ingezeten
corporatebelegger die alleen inningskosten mocht aftrekken, maar dat is aan de verwijzende Rechtbank om te onderzoeken.
Hariboen
Österreichische Salinenhet op de weg van de belanghebbende ligt om de feitelijke gegevens te produceren die nodig zijn om de fiscale positie te beoordelen die hij ingenomen zou hebben, ware hij ingezeten vennootschapsbelastingplichtige geweest en alleen zijn inningskosten hebben kunnen aftrekken.
Miljoen e.a.voor box-3-eindheffinggevallen wordt tegengesproken door de geciteerde posterieure zaak
PMT(zie 5.32 hierna), het arrest
Société Généraleook tegengesproken lijkt te worden door het recentere arrest
Brisal, [51] waarin het HvJ EU wél de (financierings)kosten in aftrek brengt bij de berekening van de vergelijkings-eindheffingdruk. Deze tegenspraak tussen
Société Généraleen
Brisalis echter pas relevant – en prejudiciële vragen aan het HvJ EU over hun verhouding zijn dus ook pas relevant – als de belanghebbende aannemelijk maakt dat zijn rechtstreeks aan de Nederlandse dividenden toerekenbare innings-, verwervings- en financieringskosten hoger waren dan circa 20% van het brutodividend, hetgeen niet waarschijnlijk lijkt bij een beleggingsvehikel dat nauwelijks inleent, zodat deze kwestie daar gelaten kan worden. U kunt de vraag naar de verhouding tussen die twee tegenstrijdige arresten niet zelf beantwoorden, maar doorverwijzen naar het HvJ EU heeft geen zin bij gebrek aan feitelijke grondslag. Hypothetische vragen laat het Hof onbeantwoord. Desgeraden kan de verwijzende feitenrechter na vaststelling van de relevante feiten hierover vragen aan het HvJ EU voorleggen als die feiten daartoe aanleiding geven. Ik merk overigens op dat een verschil tussen de twee zaken is dat in
Brisalde
financieringgrensoverschrijdend was (vrij dienstenverkeer, waardoor het Hof kennelijk in de
Gerritse [52] en
Centro Equestre da Lezíria Grande [53] -modus stond), terwijl in
Société Généraleniet de financiering, maar de (portfolio)
investeringgrensoverschrijdend was (vrij kapitaalverkeer, waardoor het Hof kennelijk in een andere modus stond, al is mij niet duidelijk welke, met name niet na
PMT, dat eveneens een grensoverschrijdende belegging betreft maar voor de kostenaftrek weer in de
Gerritse-modus staat). Ik zie niet waarom aftrek van rechtstreekse kosten onder het dienstenverkeer anders zou lopen dan onder het kapitaalverkeer.
Miljoen e.a.dat die beleggers, als zij EU/EER-inwoners zijn, toegelaten moeten worden tot het bewijs dat zij - zouden zij ingezeten zijn geweest en hebben belegd via een niet-transparant lichaam (niet zijnde een fbi) - minder eindheffing dan dividendbelasting betaald hadden.
Miljoen e.a.zag alleen op rechtstreekse beleggingen. Daarvan is geen sprake bij een niet-transparante niet-fbi. Uit
Miljoen e.a.volgt niet dat een tussenliggend, fiscaal
niet-transparant lichaam genegeerd moet worden. Er is niets in
Miljoen e.a.dat daarop wijst. Ik zou dus menen dat als alleen naar de uiteindelijke beleggers gekeken moet worden, vergeleken moet worden met een ingezetene die indirect via een binnenlands belastingplichtige rechtspersoon belegt. De belanghebbende zou bij binnenlandse vestiging immers belastingplichtig zijn geweest voor de vennootschapsbelasting. De ingezeten aandeelhouder in die tussenliggende rechtspersoon kan de dividendbelasting bij uitkering door die tussenliggende rechtspersoon verrekenen met zijn inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting, maar die uitdeling hoeft – gegeven het ontbreken van dooruitdelingsplicht, aandeelhouderseisen en aandelensoortenverbod - geen enkel verband te houden met de bij die tussenliggende rechtspersoon instromende dividenden. Mijns inziens is daarmee het verband zoek en vergelijking onmogelijk. Anders gezegd: voor de achter een
niet-transparant buitenlandsrechtelijk lichaam liggende niet-ingezeten belegger bestaat geen vergelijkbaar binnenlands geval.
niettransparant is), dan ligt het volgens de geciteerde gevoegde zaken
Hariboen
Österreichische Salinenop de weg van de niet-ingezeten aandeelhouders in de belanghebbende om te bewijzen:
Société Générale-analogie; zie 5.27), zou eerst vastgesteld moeten worden of
Miljoen e.a.nog geldend recht is. Het geciteerde posterieure arrest
PMTlaat immers nauwelijks een andere conclusie toe dan dat het HvJ EU
Miljoen e.a.feitelijk heeft herroepen voor box 3 gevallen. De vergelijkbaarheid voor box 3 van een niet-inwoner met een inwoner die in
Miljoen e.a.nog werd aangenomen, ontbreekt immers volgens
PMTals de niet-inwoner voor de werkelijke dividenden wordt belast terwijl de inwoner naar een fictief rendement wordt belast bestaande uit een percentage van zijn gehele vermogen (zoals in box 3). Die twee arresten kunnen mijns inziens niet beide juist zijn; zie mijn commentaar op de rechtsoverwegingen in
PMTtussen vierkante haken in onderdeel 4.18 hierboven.
Société Généraleanalogie (zie 5.27) te volgen, die geen verwijzing naar het HvJ EU vergt, ook niet als dat arrest achterhaald zou zijn door de zaak
Brisal, tenzij de belanghebbende meer dan circa 20% van het dividend aan rechtstreeks toerekenbare kosten heeft gemaakt, hetgeen onwaarschijnlijk is en hoe dan ook eerst door de feitenrechter onderzocht zou moeten worden.
Société Généralein het gelijknamige gevoegde arrest uit de
Miljoen e.a.-trilogie en dat zijn dividendbelastingdruk dus vergeleken moet worden met de gecombineerde dividendbelasting/vennootschapsbelastingdruk bij een binnenlands niet-transparant, niet-fbi-lichaam dat in dezelfde Nederlandse aandelen belegt.
secondary withholding taxte heffen om zijn stelsel aan te passen aan de eigenaardigheden van belastingstelsels van andere lidstaten en kán Nederland mijns inziens in casu trouwens verdragsrechtelijk ook geen belasting heffen bij dooruitdeling door een buitenlands fonds, zoals hij wél doet bij dooruitdeling door een binnenlands fonds. Zoals bleek, volgt dan uit
Class IV ACTen
Miljoen e.a.dat het buitenlandse fonds (c.q. diens aandeelhouders) vanuit het perspectief van de ratio van het fbi-regime niet vergelijkbaar is/zijn met een binnenlands fonds (c.q. diens aandeelhouders). Zoals tenslotte betoogd, meen ik dat het buitenlandse fonds zich in de positie van
Société Généralebevindt, zodat het vergelijkingsspel in beginsel bij dat fonds eindigt en de positie van de achterliggende belegger niet ter zake doet.
Class IV ACTechter een uitzondering gemaakt voor het geval de achterliggende aandeelhouder van de buitenlandse dividendgenieter inwoner is van dezelfde Staat als die waarin de oorspronkelijk uitkerende vennootschap is gevestigd, waardoor die achterliggende aandeelhouder wél onderworpen is aan de ingezetenenbelasting in de bronstaat van het (oorspronkelijke) dividend, zodat die Staat tegelijkertijd zowel bronstaat als woonstaat is en wél cumulatie van belasting veroorzaakt: zowel bronheffing als eindheffing.
Class IV ACT, r.o. 66, gaat over het geval waarin een in lidstaat A gevestigde vennootschap dividend uitkeert aan een in lidstaat B gevestigde vennootschap en de aandeelhouder van deze laatste vennootschap in lidstaat A is gevestigd, het geval dus waarin het dividend een U-bocht maakt langs een buitenlandse entiteit. Alsdan moet lidstaat A (in ons geval Nederland) aan die uiteindelijke aandeelhouder dezelfde voorkoming of vermindering van opeenvolgende heffing of economische dubbele belasting geven als aan een ingezetene die (rechtstreeks) dividend ontvangt van ingezeten vennootschappen (zie
Class IV ACT, r.o. 55, 65 en 66). Aldus ook de redactie V-N 2015/36.14 in diens commentaar op HR BNB 2015/203 (zie 4.11 hierboven). In termen van de tekeningen in onderdeel 5.18 hierboven: situatie (vi) moet zoveel mogelijk behandeld worden als situatie (iii). Deze gedachte vindt men ook in andere fiscale rechtspraak van het HvJ EU, met name in zaken zoals
ICI v Colmer, [55] Philips Electronics, [56] Papillon [57] en
MSA, SCA en X: [58] de omstandigheid dat in een structuur ook een entiteit in een andere Lidstaat is betrokken, is geen reden om het
binnenlandsedeel van de structuur anders te behandelen dan dat deel behandeld zou worden in een geheel interne situatie. Om
Papillonals voorbeeld te nemen: het feit dat de structuur een niet-ingezeten tussenhoudster omvat, is - behoudens
double dipsof misbruik - geen reden om de ingezeten moeder en ingezeten dochter van die buitenlandse tussenhoudster anders te behandelen dan wanneer ook de tussenhoudster ingezeten zou zijn geweest c.q. er geen tussenhoudster zou zijn geweest.
eindheffing. Men kan het U-bochtgeval ook vergelijken met het geval waarin een ingezeten belegger via een ingezeten niet-fbi (een gewone vpb-plichtige) belegt in Nederlandse beursfondsen. In dat geval wordt de initiële dividendbelasting verrekend met de vennootschapsbelasting bij de tussenliggende gewone vpb-plichtige (en in verliessituaties teruggegeven), waardoor die dividendbelasting geabsorbeerd (verdwenen) is, en kan de belegger de bij dooruitdeling geheven nieuwe dividendbelasting verrekenen met zijn inkomstenbelasting. Het doet niet ter zake – net zo min als in situatie (i) - dat de tussenliggende gewone vpb-plichtige niet voldoet aan de fbi-eisen, want zij is zelf – anders dan een fbi - vennootschapsbelastingplichtig.
Hariboen
Österreichische Salinenrust de bewijslast op de U-bochtbelegger. Is de buitenlandse instelling in haar vestigingsstaat gewoon belastingplichtig en verdragsgerechtigd tot verrekening van de Nederlandse dividendbelasting, dan is dat bewijs in beginsel uitgesloten, want dan wordt de Nederlandse dividendbelasting aldaar geabsorbeerd net zoals in geval van een ingezeten tussenliggende vpb-plichtige de initiële dividendbelasting geabsorbeerd wordt door die vpb-plichtige en dus ‘verdwijnt’. In dat geval kan de U-bochtbelegger, net zoals een ingezeten belegger die via een BV belegt, de bij dooruitdeling ingehouden dividendbelasting verrekenen met zijn inkomstenbelasting; de U-bochtbelegger kan dat op grond van het toepasselijke belastingverdrag; de ingezeten belegger die via een BV belegt op grond van art. 9.2(1)(b) Wet IB 2001 en art. 15 AWR Pro.
Class IV ACTgeen
acte éclairézou zijn, leent deze kwestie zich mijns inziens in casu niet voor verwijzing naar het HvJ EU. De rechtbank heeft immers niet onderzocht of er ingezeten participanten achter de belanghebbende zitten. Daarvan kan mijns inziens evenmin voetstoots op grond van ervaringsregels uitgegaan worden. De Staatssecretaris stelt dat de belanghebbende niet heeft geantwoord op vragen van de Inspecteur over zijn toelating tot het aanbieden van beleggingsproducten op de Nederlandse markt. Het HvJ EU zal vragen te dier zake in dit stadium van de procedure dus vermoedelijk als hypothetisch beschouwen en onbeantwoord laten. Dat Hof ziet volgens vaste rechtspraak af van beantwoording als (i) de gevraagde uitlegging van het EU-recht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding of (ii) het vraagstuk hypothetisch is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven. [59] Een hypothetische kwestie kan zich voordoen als uit de verwijzingsbeschikking blijkt dat de feitelijke grondslag waarop de vraag stoelt, niet is onderzocht en niet vast staat. [60]
6.Conclusie
acte éclairé) en leent vraag 2 zich ook overigens - wegens zijn hypothetische karakter - niet voor verwijzing naar het HvJ EU. Ik zie dus geen rechtskundige aanleiding voor verwijzing van vragen naar het HvJ EU.