Conclusie
“3.8 (Dreigende) schending van fundamentele mensenrechten
dreigendeinbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer artikel 3 van Pro het EVRM voorbehouden aan de minister. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een
voltooideinbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren.
dreigendeschending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM en/of artikel 14 eerste Pro lid van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (hierna: IVBPR), in de regel niet aan de uitleveringsrechter is. Hierop kan een uitzondering bestaan indien bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een
flagranteinbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van Pro het EVRM respectievelijk artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het IVBPR ten dienste staat. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt echter niet snel dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
flagranteschending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM, noch dat de opgeëiste persoon daartegen geen rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van Pro het EVRM ten dienste staat, te meer nu de raadsman ter zitting heeft uiteengezet dat de opgeëiste persoon in Turkije om herziening van het veroordelend vonnis kan verzoeken. De stelling van de raadsman dat de opgeëiste persoon tot op heden geen gebruik heeft kunnen maken van dit recht, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Het beroep wordt derhalve verworpen.”
NJ2017/276, m.nt. Rozemond geeft de Hoge Raad het volgende toetsingskader voor de beoordeling van mensenrechtenverweren in uitleveringszaken:
dreigendeinbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer art. 3 EVRM Pro voorbehouden aan de Minister van Veiligheid en Justitie en zal hij bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een
voltooideinbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren. Er bestaat geen goede grond ten aanzien van die bevoegdheidstoedeling anders te oordelen in zaken waarin het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten van toepassing is, zij het dat het dan de Gouverneur is die de taken en bevoegdheden heeft welke de UW aan de Minister toekent.
verzoek tot uitlevering ter tenuitvoerleggingvan een rechterlijke veroordeling en wordt aangevoerd dat in de zaak die tot die veroordeling heeft geleid, een flagrante inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM, is het aan de uitleveringsrechter te beslissen over de vraag of enig in die verdragsbepaling gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is geschonden. Dit is niet anders indien het gaat om een beroep op een flagrante inbreuk op art. 14, eerste lid, IVBPR. Het gaat hier dus om een beroep op een
voltooideflagrante schending van voormelde verdragsbepaling(en).
verzoek tot uitlevering ter strafvervolgingen wordt aangevoerd dat in de desbetreffende strafzaak inbreuk dreigt te worden gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR, is het in de regel niet aan de uitleveringsrechter te oordelen over de gegrondheid van zo een beroep op een
dreigendemensenrechtenschending. In een dergelijk geval moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat deze verdragsbepaling(en) zal eerbiedigen. Zo een verweer kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering, zij het dat de uitleveringsrechter in het aangevoerde grond kan vinden de Minister in zijn advies als bedoeld in art. 30 UW Pro, dan wel de Gouverneur deelgenoot te maken van zijn opvatting omtrent het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg, waaronder in voorkomende gevallen begrepen het vragen van garanties aan de verzoekende Staat om een dergelijke dreigende schending te voorkomen.
voltooideschending van art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR.
ter strafvervolgingmaakt de Hoge Raad onder (i), (ii) en (iii), nader onderverdeeld in (a) en (b), duidelijk hoe – kort gezegd – de uitleveringsrechter dient om te gaan met het verweer waarin een beroep wordt gedaan op een dreigende of reeds voltooide schending van art. 6, eerste lid, EVRM en art. 14, eerste lid, IVBPR. Het is in dát kader – van het verzoek tot uitlevering
ter strafvervolgingdus – waarin de Hoge Raad onder (iiib) het rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM Pro respectievelijk art. 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR aanhaalt. [2]
nietom een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging, maar om een verzoek tot
uitlevering ter tenuitvoerleggingvan een rechterlijke veroordeling. Wat het in het overzichtsarrest aangereikte toetsingskader betreft, moet dus bij de beoordeling van het middel alsmede van de overwegingen van de rechtbank, de blik worden gericht op hetgeen de Hoge Raad onder A. heeft overwogen.
voltooideflagrante schending”. [4] Maar dat neemt niet weg dat in haar uitspraak – onder overweging 3.8, zulks ter verwerping van het hierboven in randnummer 4 aangehaalde verweer – zeker ook als haar oordeel tot uitdrukking is gebracht dat hetgeen namens de opgeëiste persoon is aangevoerd niet tot de conclusie kan leiden dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard, nu niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een voltooide flagrante schending van de fundamentele rechten als bedoeld in art. 6 EVRM Pro. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het verweer is derhalve verworpen op gronden die de verwerping kunnen dragen. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat het namens de opgeëiste persoon gevoerde verweer niet is gestaafd met bescheiden en (derhalve) onvoldoende onderbouwd is.