Uitspraak
1.Geding in cassatie
voltooideschending van de fundamentele rechten als bedoeld in art. 3 EVRM Pro noch van een
voltooide flagranteschending van art. 6 EVRM Pro. Dat oordeel is feitelijk en - in aanmerking genomen dat de verweren niet zijn gestaafd met bescheiden die de opgeëiste persoon zelf betreffen - niet onbegrijpelijk. Dat de Rechtbank in dit verband, in navolging van de raadsman van de opgeëiste persoon, abusievelijk rept van een
dreigendeflagrante schending van art. 6 EVRM Pro, doet hieraan niet af. Daarbij moet worden aangetekend dat in het geval van een verzoek tot uitlevering ter tenuitvoerlegging van een (onherroepelijke) rechterlijke veroordeling een
dreigende flagranteschending van art. 6 EVRM Pro in de regel niet aan de orde zal zijn.
dreigendeschending van art. 3 EVRM Pro betreft en om die reden niet ter beoordeling van de Rechtbank staat, maar van de Minister van Veiligheid en Justitie. Dit oordeel van de Rechtbank met betrekking tot de bevoegdheidstoedeling aan de rechter en de Minister van Veiligheid en Justitie is juist.
3.Beoordeling van het vierde middel
4.Beslissing
12 september 2017.