Conclusie
1.Feiten en procesverloop
transfer pricing. [2] Magna ontwikkelt en fabriceert voertuigbanden voor onder meer de mijnbouw, havenbouw en industrie in de hele wereld.
‘Gelet op hetgeen de rechtbank onder 4.2 van de beslissing heeft bepaald, deelt mr. Van den Heuvel mede dat zij namens Magna Group BV tegen de beslissing hoger beroep zal instellen. In verband hiermede wordt de behandeling van het getuigenverhoor aangehouden totdat over deze beslissing in hoger beroep is geoordeeld.’Het hof leest hierin berusting (de rechtbank wacht af) en geen toestemming. In zoverre verschilt de onderhavige casus van die als aan de orde in Hof ’s-Hertogenbosch 12 september 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3927, waar Magna zich nog tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep op heeft beroepen, nu immers in laatstbedoeld geval uitdrukkelijk toestemming door de kantonrechter was verleend voor tussentijds appel. Om deze reden dient Magna in haar incidenteel appel niet-ontvankelijk te worden verklaard.”
2.Ontvankelijkheid en belang
Kamerstukken II, 2011-2012, 32 856, nr. 7. Als op voorhand duidelijk is dat tegen de beslissing van de rechtbank op deze grond geen hoger beroep openstaat, dan bestaat bij het cassatieberoep geen belang. Een vernietiging zou dan niet tot een andere uitkomst kunnen leiden. [11]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
dictum– definitief over (een deel van) de vordering of het verzoek wordt beslist. [21] Daaronder vallen beslissingen over vorderingen die op de voortgang of instructie van de zaak betrekking hebben. [22] Naar het oordeel van Uw Raad is daarvan onder meer sprake bij een op art. 843a Rv gebaseerde vordering in een lopende procedure ter instructie van de zaak. [23]
zelfstandig(cursivering: AG) hoger beroep kan worden ingesteld. Dit blijkt uit de wetsgeschiedenis met betrekking tot de aanpassing van de regeling omtrent openbaarheid van zittingen in het personen- en familierecht (art. 803 Rv Pro).
onderdeel 1wordt nog bepleit dat de beschikking van 22 mei 2017 moet worden aangemerkt als gedeeltelijke eindbeschikking omdat de gevolgen daarvan na effectuering moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt. Dit betoog slaagt niet. Ook een beslissing ter instructie van de zaak kan onomkeerbare gevolgen hebben. Een voorbeeld is de toewijzing van een exhibitievordering (art. 843a Rv). Dit brengt echter niet mee dat in zoverre sprake is van een einduitspraak (zie hiervoor randnummer 3.6). Wel kwalificeert een voorlopige beslissing over het verzochte met een onherroepelijk karakter – in die zin dat de beschikking in haar gevolgen niet meer ongedaan kan worden gemaakt – als gedeeltelijke eindbeschikking (zie hiervoor randnummer 3.5). Er is dan voor een periode definitief op het verzochte beslist. In deze zaak is van een zodanige voorlopige beslissing echter geen sprake.
Onderdelen 2 en 4.4verdedigen dat voor de vraag of de beschikking van de rechtbank in dit incident een tussenuitspraak of een einduitspraak is, bepalend is of het een zuivere instructiebeslissing betreft. Volgens deze onderdelen had het hof daarom niet in het midden mogen laten of de beslissing van de rechtbank een zuivere instructiebeslissing behelst. Deze onderdelen falen. Blijkens rov. 3.5.2. verstaat het hof onder een zuivere instructiebeslissing een beslissing die louter een maatregel betreft ter bevordering van een behoorlijke rechtspraak en ter verzekering van de procesgang en die op zichzelf niet ingrijpt in de rechten en belangen van een partij. Het hof heeft met de term ‘zuivere instructiebeslissing’ dus het oog op beslissingen waartegen op grond van rechtspraak van Uw Raad in het geheel geen rechtsmiddel openstaat (zie hiervoor randnummer 2.14).
Onderdelen 4.1-4.3achten onjuist of onbegrijpelijk de overweging dat daargelaten wordt of de beslissingen van de rechtbank zuivere instructiebeslissingen betreffen en/of appellabel zijn. Volgens Magna staat namelijk vast dat de beslissing omtrent de openbaarheid van de zittingen ingrijpt in haar rechten en volgt hieruit dat van een zuivere instructiebeslissing geen sprake is. Aan het oordeel van het hof ligt evenwel niet ten grondslag dat de beslissingen van de rechtbank zijn aan te merken als zuivere instructiebeslissingen. Het hof heeft namelijk in het midden gelaten of sprake is van zuivere instructiebeslissingen. De aangevallen overweging is dus niet dragend voor het oordeel van het hof. De onderdelen falen reeds om die reden.