Conclusie
advocaat mr. F.M. Dekker
1.Feiten
2.Procesverloop
2.10 Ingevolge artikel 382 sub c Rv Pro kan een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, op vordering van een partij worden herroepen indien de partij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 2.1.2stelt [verzoeker] dat het hof met zijn oordeel in rov. 2.10, dat het in strijd is met de goede procesorde om, nadat in drie instanties over de handelwijze van ABN Amro is geprocedeerd, thans om een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken, buiten het partijdebat is getreden nu ABN Amro zich niet op die afwijzingsgrond had beroepen. Bovendien is sprake van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing en is het oordeel onvoldoende begrijpelijk.
Subonderdeel 2.1.3klaagt dat de goede procesorde niet van toepassing kan zijn, omdat de afwijzingsgrond ‘strijd met de goede procesorde’ zich slechts kan voordoen in geval het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor wordt gedaan tijdens een nog lopende procedure. Verder houdt
subonderdeel 2.1.4in dat het hof miskent dat in de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor de eventuele toewijsbaarheid van de in te stellen vordering niet ter toetsing voorligt. In dat kader is het rechtens onjuist om een voorschot te nemen op de vraag of een verzoek tot herroeping toewijsbaar is indien [verzoeker] alsnog zijn gelijk met betrekking tot de brief over het zijn van ‘good leaver’ kan aantonen. Dat geldt temeer nu [verzoeker] herroeping slechts genoemd heeft als één van de mogelijkheden die hij wenst te onderzoeken. Tevens miskent het hof dat [verzoeker] niet aannemelijk hoeft te maken dat hij enige materiële of immateriële schade heeft geleden alsmede dat het in de eerdere procedure om een andere grondslag ging. Het hof gaat van een onjuiste rechtsopvatting uit met het oordeel dat [verzoeker] niet over “iets nieuws” beschikt, althans is zijn oordeel dat het verzoek van [verzoeker] in strijd is met de goede procesorde onbegrijpelijk gemotiveerd.
subonderdeel 2.2.1verwijt [verzoeker] het hof te hebben miskend dat de claim die hij wenst te onderzoeken veel breder is dan herroeping en werkelijke proceskosten, nu [verzoeker] heeft gesteld dat het om “onder meer” deze categorieën zou kunnen gaan.
Subonderdeel 2.2.2
subonderdeel 2.2.3, het hof miskent dat de door [verzoeker] te onderzoeken claim een andere, bredere was dan het hof in rov. 2.9-2.11 behandelt. Volgens
subonderdeel 2.4is het onjuist dan wel onbegrijpelijk dat het hof oordeelt dat het voor risico van [verzoeker] komt dat hij destijds zijn bron wilde beschermen en om die reden in de eerdere procedure niet heeft aangegeven hoe en van wie hij heeft gehoord dat er een brief was waarin hij als ‘good leaver’ was aangemerkt. Bovendien is het onjuist om vervolgens [verzoeker] te verwijten dat hij in strijd met art. 21 Rv Pro geen openheid van zaken heeft gegeven.
Hierop stuit het verzoek volledig af”, dat het in strijd is met de goede procesorde om in de eerdere procedure te procederen over de handelwijze van ABN Amro inzake de opties, zonder dat [verzoeker] toen melding heeft gemaakt van de omstandigheid dat hij
door [betrokkene 1]op de hoogte was gebracht van het bestaan van een brief waarin hij als 'good leaver' was aangeduid.
onderdeel 2.1.3.
ABN Amrogeweest die de brief heeft achtergehouden en heeft gehandeld in strijd met de waarheidsplicht. [verzoeker] heeft in de eerdere procedure van meet af aan melding gemaakt van het bestaan van de brief en verschillende pogingen ondernomen om ABN Amro hierover tot openheid te dwingen. [11] Die pogingen zijn zonder succes geweest. De rechtbank heeft in het vonnis van 20 januari 2010 zijn verzoek om inzage in de brief op grond van art. 843a Rv afgewezen en heeft zijn verzoek om een getuigenverhoor hierover afgewezen omdat hij ‘onvoldoende zou hebben gesteld’. [12] Inderdaad is [verzoeker] hier niet tot het uiterste gegaan: in appel heeft hij niet een herhaald verzoek ex art. 843a Rv gedaan. Zijn bewijsaanbod in hoger beroep achtte het hof kennelijk onvoldoende om hem toe te laten tot bewijslevering over het bestaan van de brief. [13] Maar dat hij niet tot het uiterste is gegaan en niet heeft verklaard door wie hij van het bestaan van de brief op de hoogte was gebracht - naar zijn zeggen omdat hij aan zijn bron vertrouwelijkheid had beloofd - wil nog niet zeggen dat hij in strijd met de waarheidsplicht heeft gehandeld. Het is niet híj, maar ABN Amro geweest die stukken heeft achtergehouden (als juist is wat [verzoeker] daarover stelt). Uit de gang van zaken in de eerdere procedure blijkt hoe lastig het kan zijn voor een partij om informatie te achterhalen die in het bewijsdomein ligt van de wederpartij en die door die wederpartij (zo neem ik veronderstellenderwijs aan) wordt achtergehouden. Als een partij daarin niet slaagt omdat de wederpartij consequent volhoudt dat de informatie niet bestaat, staat zij in feite met de rug tegen de muur. Het komt mij merkwaardig voor om die partij dan te verwijten dat in strijd met de waarheidsplicht wordt gehandeld. De klacht van
onderdeel 2.4, die gericht is tegen het oordeel van het hof dat [verzoeker] heeft gehandeld in strijd met de waarheidsplicht, acht ik dan ook terecht voorgesteld.
onderdeel 2.1.2slaagt. ABN Amro heeft niet aangevoerd dat het verzoek moet worden afgewezen wegens strijd met de goede procesorde, omdat [verzoeker] in de vorige procedure in strijd met de waarheidsplicht heeft gehandeld. Weliswaar kan worden aangenomen dat het de rechter vrij staat om de argumenten die een partij aanvoert ter onderbouwing van haar verweer dat een verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor moet worden afgewezen, te ‘vertalen’ in de bijbehorende, juiste afwijzingsgrond. [14] Dat valt binnen de rechterlijke taak tot het aanvullen van rechtsgronden. En in het algemeen zal de rechter ook ambtshalve mogen oordelen dat sprake is van strijd met de goede procesorde. [15] Nu echter niet is in te zien dat [verzoeker] heeft gehandeld in strijd met de waarheidsplicht én ABN Amro dat in feitelijke instanties ook niet had aangevoerd (zij had zich beperkt tot het argument dat de vorderingen die [verzoeker] wilde instellen geen kans van slagen hadden en dat sprake was van misbruik van bevoegdheid en heeft ook geen stellingen aangevoerd die erop neer kwamen dat [verzoeker] informatie had achtergehouden), mocht het hof niet op die grond het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor afwijzen als ‘strijdig met de goede procesorde’.
geen andere feiten en omstandigheden aan [het huidige verzoek] heeft gelegd dan die welke reeds in de eerdere procedure bekend waren, laat staan dat er sprake is van stukken van beslissende aard die door toedoen van ABN Amro zijn achtergehouden.’ Het is aannemelijk dat het hof hiermee bedoelt dat een vordering van [verzoeker] op grond van art. 382 sub c Rv Pro kansloos is, nu in de eerste zin van rov. 2.10 aan deze bepaling wordt gerefereerd.
kansloosis. [16] De afwijzingsgrond zal in een dergelijk geval ‘gebrek aan belang’ zijn: omdat sprake is van een kansloze vordering heeft verzoeker geen belang bij een voorlopig getuigenverhoor. ABN Amro heeft zich in de onderhavige zaak ook beroepen op ‘gebrek aan belang’ als afwijzingsgrond (en niet op strijd met de goede procesorde). [17] In een welwillende lezing van het arrest van het hof zou men kunnen aannemen dat in rov. 2.10 besloten ligt dat het verzoek van [verzoeker] (ook) moet worden afgewezen wegens gebrek aan belang. In haar verweerschrift in cassatie legt ABN Amro de beschikking van het hof ook op deze wijze uit. Naar de letter is de afwijzingsgrond echter strijd met de goede procesorde.
als bij oppervlakkige beoordeling van de vordering in de hoofdzaak kan worden aangenomen dat de vordering in de hoofdzaak hoogstwaarschijnlijk zal worden afgewezen’. [19] Toepassing van dit criterium leidt er volgens haar toe dat een verzoek dat niet kansloos is maar wel kansarm, wél dient te worden toegewezen. [20] Naar mijn mening legt dit criterium de lat nog te hoog. Volgens mij zou het
evidentmoeten zijn dat de vordering in de hoofdzaak niet kan slagen.
kansprake zijn geweest van het achterhouden van stukken van beslissende aard door toedoen van de wederpartij waardoor er een grond is voor herroeping van de rechterlijke uitspraak in de eerdere procedure (art. 382 sub c Rv Pro). [21] Of inderdaad aan de voorwaarden voor herroeping zal zijn voldaan, zal in
dieprocedure moeten worden beoordeeld en ligt in de onderhavige procedure niet ter toetsing voor. Gelet op het feit dat ABN Amro consequent heeft ontkend dat [verzoeker] kwalificeerde als ‘good leaver’ kan in ieder geval niet worden gezegd dat [verzoeker] steeds bekend is geweest met het feit dat hij als ‘good leaver’ kwalificeerde en dat hij dat dan maar in de eerdere procedure had moeten aanvoeren. [verzoeker] hééft dat in de eerdere procedure steeds aangevoerd, maar de bank heeft het ook steeds ontkend. Het voorlopig getuigenverhoor waarom [verzoeker] heeft verzocht zal eerst moeten uitwijzen
ofsprake is geweest van het achterhouden van stukken. Mocht blijken dat dat het geval is geweest, dan kan [verzoeker] zich vervolgens op zijn (processuele) positie tegenover ABN Amro beraden. Een voorlopig getuigenverhoor dient er immers juist toe degene die daarom verzoekt, in staat te stellen te beoordelen of het zinvol is een vordering in te stellen.
onderdeel 2.2.2en
onderdeel 2.2.3slagen. Mocht het voorlopig getuigenverhoor uitwijzen dat ABN Amro [verzoeker] niet heeft behandeld conform haar eigen beleid inzake het zijn van ‘good leaver’, dan zie ik niet in dat op voorhand moet worden aangenomen dat een in verband hiermee in te stellen vordering uit onrechtmatige daad evident kansloos is.
onderdeel 2.1.4.