Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1, nader uitgewerkt onder 1.1.1 van de cassatiedagvaarding);
subonderdeel 1.2, nader uitgewerkt onder 1.2.1);
subonderdeel 1.3, nader uitgewerkt onder 1.3.1).
redelijkhandelende verkoper en de onteigenaar als
redelijkhandelende koper (art. 40b lid 2 Ow). Die redelijk handelende verkoper en koper houden er ook rekening mee dat alle tot het complex behorende onroerende zaken als één geheel in exploitatie worden gebracht en dat daarom de baten gezamenlijke baten en de lasten gezamenlijke lasten zijn en dat de lucratieve bestemmingen door de minder lucratieve mogelijk worden gemaakt.
bijzondergeschikt veronderstelt een vergelijking met andere objecten, welke die geschiktheid missen. Wordt vergeleken met objecten die dezelfde geschiktheid in een vergelijkbare mate bezitten, dan zal voor het vervolgens berekenen van een opslag geen aanleiding meer bestaan.
bestemmingenvan de tot een complex behorende gronden.
A contrariozouden verschillen in de bijzondere eigenschappen van fysieke aard van respectieve gronden
nietmogen worden geëgaliseerd. [9] Redeneringen
a contrariozijn echter gevaarlijk. In de zaak [A] /Venray stonden verschillen in de bestemming centraal en het is alleszins begrijpelijk dat de formulering van het arrest daarop is afgestemd. In andere gevallen kan mijns inziens heel wel ook het andere element van de egalisatieregel aan de orde komen, namelijk die van de omslag van baten (en lasten). Daarvoor is dan wel nodig dat inderdaad kan worden gesproken van een bate van de gezamenlijke exploitatie van alle tot het complex behorende zaken. In de context van bijzondere geschiktheid is daarvan sprake als alle tot het complex behorende zaken de desbetreffende geschiktheid in een vergelijkbare mate bezitten en dus die geschiktheid bij nader inzien niet
bijzonderblijkt te zijn (althans niet in vergelijking met de andere tot het complex behorende zaken). Dat mogelijk de exploitatie zodanig is vormgegeven dat de geschiktheid wat betreft sommige zaken wel kan worden uitgenut en wat betreft andere niet, maakt daarbij mijns inziens geen verschil.
bijzonderegeschiktheid van een of meer van die gronden; de geschiktheid is integendeel aan alle tot het complex behorende gronden gemeen. Redengevend voor die opslag is in plaats daarvan dat van de gelijkmatig over het complex verdeelde geschiktheid bij de vaststelling van de basiswaarde was geabstraheerd, iets wat zich in verband met de toepassing van de vergelijkingsmethode gemakkelijk kan voordoen (vergelijk hiervoor onder 2.10). De basiswaarde is dus nog niet op het niveau van de complexwaarde en de toekenning van de opslag – die in dit geval voor alle percelen gelijk is (maar uiteraard te relateren aan de relatieve grootte van de percelen) – dient ertoe om alsnog tot een juiste vaststelling van de complexwaarde te komen.
nietbezitten, althans niet in een vergelijkbare mate. Wanneer in een onroerende zaak zich een grote hoeveelheid van een waardevol bodembestanddeel bevindt die als het werk waarvoor wordt onteigend wordt weggedacht, niet kan worden gewonnen, maar als gevolg van dat werk wel, dan is het niet redelijk dat ook de eigenaren van de andere tot het complex behorende percelen van dit voordeel zouden profiteren. Het is de bijzondere eigenschap van de individuele onroerende zaak waardoor de bate mogelijk is. De eigenaren van de andere percelen kunnen hiertegen mijns inziens in redelijkheid niet inbrengen dat de bate zonder het werk niet zou zijn behaald en dat
daaromde bate toch over alle tot het complex behorende onroerende zaken behoort te worden omgeslagen. Dat zonder het werk de bate niet zou zijn behaald, is op zichzelf juist, maar daarmee is nog geen sprake van een bate van de exploitatie van het complex in de zin van art. 40d Ow. De uitnutting van een unieke eigenschap van een individuele onroerende zaak, is een bate van de exploitatie van díé zaak.
gehelecomplex nodig zijn om tot deze uitnutting te geraken. En een redelijk handelende koper zal aanvaarden dat hij niet deelt in de baten van een geschiktheid die de aan hem toebehorende onroerende zaak níét bezit.
bijzonderegeschiktheid en dus een (of meer) van de tot het complex behorende onroerende zaken het bodembestanddeel bevatten en de andere niet, althans de mate waarin het bodembestanddeel aanwezig is, significant verschilt. Dat de bedoelde opvatting inderdaad geen geldend recht is, volgt mijns inziens bovendien uit het arrest Vabeog/Tiel (hiervoor onder 2.17).
vrij uniforme lössleem.De boorprofielen, waarvan in bijlage II een beschrijving is opgenomen, zijn op basis van de visuele beoordeling van het aanwezige bodemmateriaal onderverdeeld.’
subonderdeel 2.1kort samengevat dat het voornoemde oordeel ontoereikend is gemotiveerd in het licht van de gespecificeerde opgave van de advocaat van [eiseres] , de lange duur én bewerkelijkheid van de onderhavige procedure, dat laatste doordat er vele proceshandelingen zijn verricht.
Subonderdeel 2.2maakt een vergelijking met de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen en wijst erop dat de beslissing van de rechtbank ertoe leidt dat 20% van de feitelijk door de onteigende gemaakte kosten, voor haar rekening blijft.