Conclusie
1.Feiten en procesverloop
de bestreden beschikking van de kinderrechter te Den Haag te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep, strekkende tot vernietiging van de beschikking af te wijzen, maar deze te wijzigen door de omgangsregeling aan te passen naar eenmaal in de zes weken één uur”. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vader zich aangesloten bij het standpunt van de gecertificeerde instelling.
family lifeen mag daarom in elk geval niet verder gaan dan in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Dit belang is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het hof overweegt hierbij dat uit de verslagen van de begeleide contacten tussen [de dochter] en de moeder blijkt dat deze niet goed verlopen. De moeder houdt onvoldoende rekening met de gevoelens van [de dochter] door weinig te vragen of te zeggen en op andere momenten te reageren met boosheid en stemverheffing. Voorts neemt het hof in aanmerking dat [de dochter] stellig is in haar wens de moeder minder te zien. Zij heeft deze wens ten overstaan van meerdere mensen en ook tijdens het kindgesprek bij het hof geuit. Op basis van de stukken en het verklaarde ter zitting, blijkt dat contact met haar moeder veel indruk maakt op [de dochter] en door haar als zeer belastend wordt ervaren. Zowel de vader, Stek Eigenwijs, de gecertificeerde instelling en school bevestigen dat het contact tussen [de dochter] en haar moeder voor veel onrust bij de minderjarige zorgt. Op school merkt de leerkracht dat, wanneer het contact met de moeder dichterbij komt, [de dochter] afwezig oogt, minder tot leren komt en met haar gedachten ergens anders lijkt. Ondanks de grote sprongen die [de dochter] op sociaal-emotioneel gebied heeft gemaakt, is de onrust die er door het contact bij de minderjarige wordt veroorzaakt geenszins in haar belang. Het hof acht het, gelet op het voorgaande, in het belang van [de dochter] noodzakelijk dat het contact met haar moeder op dit moment wordt teruggebracht tot eenmaal per zes weken begeleid contact. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en het verzoek dat de gecertificeerde instelling in incidenteel appel heeft gedaan, zal toewijzen.”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
ex nunc’); de kinderrechter kan dus rekening houden met omstandigheden die dateren van na het geven van de schriftelijke aanwijzing [5] . De beoordeling door de kinderrechter ziet onder meer op de vraag of bij de totstandkoming van de aanwijzing de relevante voorschriften uit de Algemene wet bestuursrecht zijn nageleefd [6] . Als hoofdregel is de kinderrechter niet bevoegd de aangevochten schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling te vervangen door een andere aanwijzing of deze te wijzigen. Een dergelijke bevoegdheid zou volgens de wetgever niet stroken met de nieuwe opzet van de ondertoezichtstelling anno 1995, waarin de kinderrechter geen hulpverlenende taken meer vervult [7] . Van een op grond van art. 1:264 of Pro art. 1:265 BW Pro gegeven beschikking van de kinderrechter staat geen hoger beroep open (zie art. 807 onder Pro a Rv).
ambtshalvekan worden toegepast en dat de kinderrechter dus een verdergaande beperking van het contact kan vaststellen dan de gecertificeerde instelling heeft bepaald in de aanwijzing waartegen de gezagsouder of de minderjarige is opgekomen met een verzoek tot vervallenverklaring of intrekking. Deze uitleg strookt met de vrijheid van de rechter om
in concretote bepalen welke omgangsregeling het meest in het belang van (met name) de minderjarige is. Zij past ook bij het uitgangspunt dat daarbij rekening kan worden gehouden met omstandigheden van na de totstandkoming van de contact beperkende aanwijzing. Voor het overige komt de beoordeling door de kinderrechter overeen met die van een op art. 1:264 of Pro art. 1:265 BW Pro gebaseerd verzoek.
reformatio in peius, dat art. 1:265f lid 2 zich richt tot de kinderrechter en niet tot het hof, en dat de moeder daarmee feitelijk van een instantie wordt beroofd.
het verzoek dat de gecertificeerde instelling in incidenteel appel heeft gedaan zal toewijzen” is blijkbaar bedoeld dat het hof ambtshalve een zodanige zorgregeling zal vaststellen als de gecertificeerde instelling in het incidenteel appel had bepleit. Daaraan voorafgaand heeft het hof de omstandigheden besproken die tot deze beslissing aanleiding gaven.