ECLI:NL:RBDHA:2018:3561
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over bevoegdheid gecertificeerde instelling bij wijziging omgangsregeling
In deze civiele zaak heeft de rechtbank Den Haag een schriftelijke aanwijzing van een gecertificeerde instelling beoordeeld, waarbij een eerder door de rechter vastgestelde omgangsregeling tussen ouder en minderjarige werd gewijzigd. Er bestaat onduidelijkheid in de rechtspraktijk over de reikwijdte van artikel 1:265f BW en de bevoegdheid van gecertificeerde instellingen om zelfstandig rechterlijke beslissingen inzake omgang te wijzigen, alsmede over de schorsingsmogelijkheid genoemd in artikel 1:264 BW Pro.
De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het voornemen om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen. Alle betrokken partijen, waaronder de vader, moeder en de gecertificeerde instelling, stemden in met het stellen van deze vragen.
De rechtbank formuleerde vijf concrete prejudiciële vragen over de toepassing van artikelen 1:263a, 1:265f, 1:265g en 1:264 BW, waaronder de verhouding tussen deze artikelen, de zelfstandige wijzigingsbevoegdheid van de gecertificeerde instelling, en de mogelijkheid tot spoedbeslissingen zonder hoor en wederhoor.
De rechtbank heeft de verdere beslissing aangehouden tot 29 september 2018 in afwachting van de beslissing van de Hoge Raad. Na ontvangst van het arrest krijgen partijen de gelegenheid om schriftelijk te reageren, waarna de rechtbank zal beslissen over de voortgang van de procedure.
Uitkomst: De rechtbank heeft de verdere beslissing aangehouden in afwachting van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad.