Conclusie
2.Procesverloop
Kennis/Gemeente Budelen
Gemeente Leeuwarden/Los. [10] Daarnaast heeft [eiseres] zijn eis gewijzigd en betaling gevorderd van een bedrag van € 20.075.121,--, dan wel subsidiair 70% van dat bedrag, dan wel meer subsidiair het schadebedrag dat door het hof aan de opzegging van 16 januari 1998 kan worden toegerekend.
Kennis/Budel(HR 23 juni 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0832, zie ook conclusie A-G voor dat arrest onder 4.4) en
Leeuwarden/Los(HR 7 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2795) dan ook niet op.
Renault/ […](HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2334) staat in deze schadestaatprocedure niet meer ter discussie of [verweerster] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [eiseres] met de eerste opzegging en of zij jegens [eiseres] in verzuim is geraakt, maar gaat het erom of [eiseres] daardoor schade heeft geleden. Daarvan is niet gebleken.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep
Subonderdeel 1.1klaagt dat het hof dit uitgangspunt heeft miskend.
Subonderdeel 1.2klaagt over het oordeel van het hof in rov. 3.6 dat in de hoofdprocedure niet is komen vast te staan dat het dealerschap voor onbepaalde tijd zou worden gecontinueerd: dit is, gelet op de betekenis die [eiseres] aan de brief van 4 april 1997 mocht toekennen, onbegrijpelijk.
subonderdelen 1.1 en 1.2.
condicio sine qua non) is voor het ontstaan van de schade. [19] Vervolgens zou daarop, op grond van art. 6:98 BW Pro, een correctie kunnen worden toegepast (toerekening naar redelijkheid), [20] maar daaraan is het hof niet toegekomen. In het onderhavige geval draait het slechts om de eerste vraag: is het nadeel dat [eiseres] stelt te hebben ondervonden (hoofdzakelijk: de stakingsschade) veroorzaakt door de schadebrengende gebeurtenis (de niet rechtsgeldige opzegging door [verweerster] ) of zou het zich ook zonder die eerste opzegging hebben voorgedaan? Daarbij komt het, zoals het hof met juistheid heeft overwogen, aan op de vraag wat er in de situatie zonder de eerste opzegging
feitelijkzou zijn gebeurd en niet om wat er dan idealiter zou zijn gebeurd. [21]
Kennis/Gemeente Budelen
Gemeente Leeuwarden/Los, waarin werd geoordeeld dat indien zich na een schadeveroorzakende gebeurtenis een latere gebeurtenis voordoet die dezelfde schade zou hebben veroorzaakt als die schade niet reeds was ontstaan, dat niet afdoet aan de reeds gevestigde verplichting tot schadevergoeding van degene die aansprakelijk is voor de eerste gebeurtenis. [22] Om de zaak
Gemeente Leeuwarden/Losals voorbeeld te nemen: een huurder vorderde van zijn voormalige verhuurder schadevergoeding, bestaande uit gederfde winst, wegens beëindiging van de huurovereenkomst, waarop de verhuurder aanvoerde dat de huurovereenkomst ten gevolge van een brand, die zich later heeft voorgedaan, hoe dan ook zou zijn geëindigd. Uw Raad wees dat standpunt af; het ging hier feitelijk om voortdurende schade die werd veroorzaakt door twee afzonderlijke aansprakelijkheidsscheppende gebeurtenissen (de beëindiging van de overeenkomst en brandstichting), en het zou onaanvaardbaar zijn als de benadeelde het risico moest lopen dat de veroorzaker van de tweede gebeurtenis niet aansprakelijk zou zijn of geen verhaal zou bieden. Uitgangspunt is dus, dat iemand die verplicht is tot betaling van schadevergoeding niet van die verplichting wordt bevrijd als zich een ‘tussenkomende’ oorzaak voordoet die dezelfde schade zou hebben veroorzaakt. Dit alles is slechts anders als de ‘tussenkomende’ oorzaak voor risico van de benadeelde zelf komt. [23]
Subonderdeel 2.1is daarom vergeefs voorgesteld.
Subonderdelen 2.2 en 2.3, die voortbouwende klachten inhouden, falen daarom eveneens.
Subonderdeel 2.4faalt daarom.
Subonderdeel 2.6faalt daarom.
Subonderdeel 2.7faalt dus.
subonderdeel 2.8. [26]
subonderdeel 2.9.
onderdeel 2zijn dus vergeefs voorgesteld.
subonderdeel 3.1heeft het hof ten onrechte niets vastgesteld over de omvang van de kans dat de dealerrelatie zonder de eerste opzegging zou zijn voortgezet, terwijl volgens [eiseres] aannemelijk is dat de kans hierop in ieder geval niet zeer klein was en wellicht (volgens hem) zelfs 70%.
Subonderdeel 3.1is dus vergeefs voorgesteld.
Onderdeel 3faalt daarom.
4.1) kent, klaagt over het oordeel van het hof in rov. 3.13 dat niet alle winstderving in de periode 16 januari 1998 tot 1 april 2002 voor vergoeding in aanmerking komt, maar alleen de winstderving die door de eerste opzegging is veroorzaakt. Dat oordeel zou onbegrijpelijk zijn, omdat niet zou zijn in te zien dat in deze periode sprake zou kunnen zijn geweest van winstderving als gevolg van de tweede opzegging, die immers pas per 1 april 2002 van kracht werd.
zonder meeralle winstderving in bedoelde periode als schade aan de eerste opzegging is toe te rekenen (zoals grief IV lijkt te betogen), maar dat zal moeten worden aangetoond dat eventuele winstderving daaraan inderdaad toe te rekenen is, en niet aan de tweede opzegging. Daarbij heeft het hof kennelijk in acht genomen dat ook schade kan ontstaan doordat bekend wordt dat een overeenkomst is opgezegd, ook al is die opzegging nog niet van kracht: dit is immers steeds het standpunt van [eiseres] geweest met betrekking tot de eerste opzegging. Daarom faalt
subonderdeel 4.1en daarmee
onderdeel 4.
onderdeel 5ziet op het causaal verband tussen de eerste opzegging en de stakingsschade en is gericht tegen rov. 3.14, waarin het hof kort gezegd heeft overwogen dat niet is gebleken dat [eiseres] schade heeft geleden doordat [verweerster] hem in 1998 niet het standaard dealercontract heeft aangeboden. Het hof heeft overwogen dat, voor zover [eiseres] dit heeft aangevoerd omdat in het standaard dealercontract een beding stond dat [verweerster] verplichtte tot uitdrukkelijke schriftelijke motivering van de opzeggingsgrond(en) in het geval [verweerster] gebruikmaakt van de reguliere opzegmogelijkheid, zijn betoog faalt, omdat het benutten door [verweerster] van haar reguliere opzeggingsbevoegdheid reeds als rechtsgeldig is beoordeeld. Voor het overige heeft [eiseres] zijn betoog, aldus het hof, onvoldoende toegelicht.
subonderdeel 5.1faalt ook om die reden.
subonderdeel 5.2stuk.
Onderdeel 5is dus vergeefs voorgesteld.
Subonderdeel 6.1faalt dus.
subonderdeel 6.2betoogt dat het hof had moeten uitgaan van de juistheid van dat oordeel, nu het hof de daartegen gerichte grief niet kenbaar zou hebben gehonoreerd, faalt het dus.
subonderdeel 6.3valt rov. 3.15 aan. Het subonderdeel richt zich tegen de “beslissing (…) dat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij in de periode 1998-2000 schade heeft geleden doordat zij door de eerste onrechtmatige opzegging minder auto’s heeft kunnen verkopen”. Het hof zou hierbij verschillende essentiële stellingen van [eiseres] hebben miskend.
subonderdeel 6.3falen dus.
subonderdeel 6.4.
ex aequo et bonohad moeten vaststellen. Daartoe bestond aanleiding, aldus het onderdeel, omdat in de hoofdprocedure geoordeeld is dat de mogelijkheid dat [eiseres] schade heeft geleden aannemelijk is. Het onderdeel miskent daarmee dat een oordeel in de hoofdprocedure dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is, zodat een vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt toegewezen, onverlet laat dat de benadeelde de omvang van zijn schade zal moeten stellen en zo nodig bewijzen (hiervoor randnummer 3.15). De drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is juist relatief laag,
opdatde benadeelde in dat kader zijn schade nader kan onderbouwen. [44] Verder bestond, anders dan het onderdeel betoogt, geen aanleiding voor een schadebegroting
ex aequo et bono,oftewel door een schatting, op de voet van art. 6:97 BW Pro (tweede volzin): daarvoor is slechts plaats als de omvang van de schade niet kan worden vastgesteld, [45] hetgeen inderdaad het geval kan zijn wanneer de (gestelde) schade, zoals hier, bestaat uit gederfde winst. [46] Wel moet dan aannemelijk zijn dát schade is geleden. Het hof heeft echter uitvoerig, en mijns inziens afdoende, gemotiveerd dat dat in casu niet aannemelijk is geworden: causaal verband tussen de eerste opzegging en de stakingsschade ontbreekt en de grieven van [verweerster] tegen het oordeel van de rechtbank over de tijdelijke schade zijn gegrond, en daartegen wordt in cassatie wat mij betreft niet met succes opgekomen. Daarom mist ook
onderdeel 7doel.
Subonderdeel 8.1klaagt dat zojuist genoemd oordeel onjuist dan wel onbegrijpelijk is, nu [eiseres] bij memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis, heeft verzocht wettelijke rente toe te wijzen over deze kosten. Het subonderdeel bestrijdt niet dat geen grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat geen wettelijke rente is gevorderd, maar betoogt dat een “impliciete grief” zou kunnen worden gevonden op enkele plaatsen in de memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis.
subonderdeel 8.1.
onderdeel 9.
Bespreking van het cassatiemiddel in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep
onderdeel 1). Voor zover het hof heeft geoordeeld dat bij toewijzing van kosten op de voet van art. 6:96 lid Pro 2, aanhef en onder b, BW, geen plaats zou zijn voor voordeelstoerekening, is het hof, zo klaagt [verweerster] , van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan (
onderdeel 2). Als het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, maar heeft geoordeeld dat het beroep van [verweerster] op voordeelstoerekening zich niet uitstrekte tot kosten als bedoeld in art. 6:96 lid Pro 2, aanhef en onder b, BW, heeft het hof, aldus [verweerster] , een onbegrijpelijke uitleg aan haar stellingen gegeven (
onderdeel 3). De onderdelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
condicio sine qua non-verband staan. [57] In dit geval heeft het hof onbestreden geoordeeld dat de kosten die [eiseres] heeft gemaakt ter vaststelling van zijn schade (hierna: ‘de expertisekosten’) in causaal verband staan met de niet rechtsgeldige opzegging door [verweerster] (rov. 3.26). Volgens [verweerster] staan ook de beweerdelijke door [eiseres] genoten voordelen daarmee in causaal verband. Daarmee komt art. 6:100 BW Pro in beginsel in beeld. De vraag is daarmee dus of de expertisekosten gelden als schade, waarop eventueel voordeel van [eiseres] in mindering zou kunnen worden gebracht. Dat lijkt het geval: art. 6:95 BW Pro bepaalt immers dat ‘schade’ in de zin van afdeling 6.1.10 BW vermogensschade omvat. Art. 6:96 BW Pro werkt daarna uit wat als vermogensschade kan worden beschouwd. Lid 2 van deze bepaling merkt uitdrukkelijk ook de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid aan als vermogensschade. Aangenomen mag worden dat art. 6:100 BW Pro, dat deel uitmaakt van afdeling 6.1.10 BW, niet van een afwijkend schadebegrip uitgaat. Dat betekent dat expertisekosten gelden als schade in de zin van art. 6:100 BW Pro, zodat een eventueel door [eiseres] genoten voordeel daarmee kan worden verrekend.
onderdelen 1 tot en met 3van het middel in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep klagen daarom terecht dat het hof had moeten responderen op de incidentele grieven III en IV. Het hof kon, gelet op hetgeen hiervoor (randnummers 4.6-4.8) is opgemerkt, niet volstaan met het oordeel dat [eiseres] geen tijdelijke schade heeft geleden als gevolg van de eerste opzegging, nu het wel schadevergoeding in de vorm van vergoeding van expertisekosten heeft toegekend. In dat verband had het hof, gelet op de hierop gerichte grieven, moeten ingaan op het beroep op voordeelstoerekening.