Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof in strijd met artikel 68 Sr Pro, althans onvoldoende gemotiveerd het beroep op rechtsverwerking heeft verworpen. De betrokkene wordt daardoor voordeel ontnomen uit misdrijven waarvoor hij in een andere (eerdere) strafzaak reeds was veroordeeld, aldus de steller van het middel.
De verdachte heeft vanaf eind 1999 beleggers in Nederland de mogelijkheid geboden geld te investeren in een grootschalig toeristenoord dat op de Dominicaanse Republiek zou worden gebouwd. Met deze investering verkregen de beleggers een aandeel in dit resort waardoor zij (deel)eigenaar werden van een vakantiewoning. Met de verhuur van de woningen zouden hoge rendementen kunnen worden behaald.
BEP 1”) was bereikt en dat het project ( [...] ) per 1 september 2007 was begonnen, etc. Het hof heeft dit gekwalificeerd als ‘feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van oplichting, meermalen gepleegd en feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van een poging tot oplichting, meermalen gepleegd’. Onder 2 is bewezen geacht dat de betrokkene in de periode van 1 april 1999 tot en met 1 april 2006 meermalen geldbedragen heeft verduisterd. Het feit onder 3 is gekwalificeerd als ‘gewoontewitwassen’, begaan in de periode van 14 december 2001 tot en met 17 juni 2009, en dit door voorwerpen voorhanden te hebben die afkomstig waren uit enig misdrijf. Onder 4. primair is ‘feitelijk leiding geven aan het medeplegen van overtreding van art. 2:55, eerste lid van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd’ bewezen geacht. Dit betreft het (in de periode van 1 november 2007 tot en met 15 september 2008) zonder vergunning van de AFM aanbieden van participaties in onroerend goed op de Dominicaanse Republiek, onder de naam [C] . De betrokkene is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden. [1]
Het hof is van oordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van de in de strafzaak bewezenverklaarde feiten. Het hof grondt dit oordeel op de feiten en omstandigheden die in het Rapport Strafrechtelijk Financieel Onderzoek, welk rapport is opgemaakt op 10 juli 2013 door de rapporteur [verbalisant] (hierna: SFO) en een aanvullend proces-verbaal van 12 februari 2014 (…), zijn vervat en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van het voordeel.
het totaal aan de inleggers onttrokken geld onder aftrek van kosten”. [2] Het bedrag van € 21.840.171,00 is het totaal aan boekingen op de voor de inleg geopende bankrekeningen van vennootschappen die de betrokkene voor het beleggingsproject heeft aangewend, te weten [B] Inc. , [E] Ltd. en [F] . [3]
althans volgens de kwalificatie van de rechtbank [8] – voor het opzettelijk zonder vergunning als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder in of vanuit Nederland diensten aanbieden of verrichten, strafbaar gesteld in artikel 7, eerste lid, Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud). [9]
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk overtreden van voorschriften gesteld bij artikel 82 van Pro de Wtk 1992 en de artikelen 3 en 7 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995. Het toezicht dat in het kader van de Wet toezicht kredietwezen 1992 wordt uitgeoefend, beoogt een algemene en preventieve financieel-economische bescherming van het publiek tegen malafide of niet-solvabele kredietinstellingen. Het doel van de artikelen 3 en 7 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 is het beschermen van beleggers tegen benadering door effectenbemiddelaars die niet over de vereiste deskundigheid beschikken en die niet aan toezicht zijn onderworpen. Door het opzettelijk negeren van deze regelgeving zijn de beleggers gedupeerd. Naar het zich laat aanzien zullen zij (vrijwel) niets terugzien van de aanzienlijke geldbedragen die zij in verdachtes illegale beleggingsconstructie(s) hebben geïnvesteerd. Ook ondervinden bonafide kredietinstellingen hinder van verdachtes handelwijze. De bewezenverklaarde feiten schaden het vertrouwen dat particuliere beleggers in de reguliere markt stellen en zijn oneerlijke vorm van concurrentie.”
Rechtsverwerking
ontbrekenvan een omstandigheid, zoals in het voorliggende geval: een vergunning. Wordt het gehele optreden als bank of beleggingsinstelling (zonder vergunning) weggedacht, dan zou de betrokkene geen inleggelden van zijn cliënten hebben ontvangen. Dat is dan ook precies wat de steller van het middel in de kern betoogt: de delicten waarvoor de betrokkene in 2008 is veroordeeld vormden een cruciale schakel in de verkrijging van het door het hof berekende voordeel. Dit voordeel vloeide zo beschouwd (in elk geval: mede) voort uit die reeds eerder vastgestelde delicten.
kunnentoerekenen aan uitsluitend de bewezen verklaarde verduisteringen en soortgelijke feiten, en (dus) niet mede aan het handelen in strijd met bepalingen van financieel toezicht (waarvoor de betrokkene in 2008 werd veroordeeld).
tweede middelklaagt over de verwerping van het verweer dat de betrokkene niet kan worden vereenzelvigd met de rechtspersonen [B] Inc. , [N] Ltd. en [F] .
Het Hof is van oordeel dat de veroordeelde kan worden vereenzelvigd met de rechtspersonen [B] Inc. , [N] Ltd. en [F] , nu de veroordeelde de directeur van deze vennootschappen was en daar als enige zeggenschap over had en de enige was binnen de vennootschappen die beschikkingsmacht had over de bankrekeningen waarop de inleggelden waren gestort. De verdediging heeft deze vaststellingen, die de rechtbank ook in haar vonnis heeft gedaan, niet weersproken, maar heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat alle inleggelden onder de concrete omstandigheden door de veroordeelde zijn verkregen of hem tot voordeel hebben gestrekt en wijst daarbij - onder meer - op geleden verliezen door koersdalingen en een faillissement van een bank. Het hof is van oordeel dat de gevolgen van de besteding van de gelden door de veroordeelde voor rekening en risico van hemzelf komen. De verweren op dit punt worden dan ook verworpen.”
vervolgens verloren zijn gegaan door onder andere koersdalingen en een faillissement van een bank.”
nietveroordeeld voor (kort gezegd) het feitelijk leiding geven aan verduistering door de genoemde rechtspersonen, maar voor: verduistering, meermalen gepleegd (feit 2). De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gegrond op de vaststelling dat de door die verduisteringen (en door soortgelijke feiten) verkregen gelden uit het vermogen van de vennootschappen rechtstreeks naar het vermogen van de betrokkene zijn overgegaan. Daaraan doet niet af, zoals het hof terecht heeft overwogen, dat die gelden ná de verwerving ervan geheel of ten dele verloren zijn gegaan door de wijze waarop de betrokkene dit voordeel heeft besteed. [19]