Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
22 maart 2016.
Hoge Raad
De verdachte, geboren in 1984, stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 10 december 2014 in een strafzaak betreffende verkrachting en de toepassing van TBS. Namens de verdachte diende advocaat R.J. Baumgardt de middelen van cassatie in. De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Tevens werd verwezen naar de problematiek rond de weigerende observandus en het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 3 maart 2015 (Constancia vs. Nederland).
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president A.J.A. van Dorst en raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan op 22 maart 2016. Het beroep werd verworpen en het arrest van het gerechtshof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.