Conclusie
middelklaagt over een onjuiste toepassing van art. 140 Sr Pro “nu verzoeker veroordeeld is als zijnde leider van een criminele organisatie, terwijl zijn medeverdachte eveneens als leider van diezelfde organisatie is veroordeeld en de organisatie (behoudens een rechtspersoon) blijkens de bewezenverklaring geen andere deelnemers kende.”
zijn, en het leiderschap hoeft op geen enkele wijze geformaliseerd te zijn. Van belang is, of andere deelnemers aan de organisatie op aanwijzing van de betrokkene handelen. «Leider» is diegene die bij het optreden van het verband initiatieven ontplooit waarnaar de andere deelnemers zich richten. Dit ontplooien van initiatieven kan spontaan gebeuren.” [4]