In deze zaak ging het om de vraag of een arts voor verstandelijk gehandicapten bevoegd is om een geneeskundige verklaring af te geven voor een machtiging tot voortgezet verblijf onder de Wet Bopz, wanneer sprake is van een gecombineerde diagnose die ook een psychiatrische stoornis omvat. Betrokkene verbleef in een inrichting voor verstandelijk gehandicapten en de rechtbank had een machtiging verleend op basis van een verklaring van een arts voor verstandelijk gehandicapten, waarbij de verstandelijke beperking als leidende stoornis werd beschouwd.
De advocaat van betrokkene stelde dat bij een gecombineerde diagnose ook een psychiater het onderzoek moest verrichten. De rechtbank verwierp dit verweer, stellende dat de verstandelijke beperking op de voorgrond stond en dat de arts voor verstandelijk gehandicapten volstond. Daarnaast klaagde betrokkene over schending van het beginsel van hoor en wederhoor omdat wettelijke aantekeningen na de zitting waren nagezonden zonder mogelijkheid tot reactie.
De Hoge Raad oordeelde dat wanneer de machtiging mede berust op een psychiatrische stoornis die buiten het deskundigheidsgebied van de arts voor verstandelijk gehandicapten valt, ook een verklaring van een psychiater vereist is. De rechtbank had een onjuiste rechtsopvatting gehuldigd door te volstaan met alleen de verklaring van de arts voor verstandelijk gehandicapten. Tevens werd vastgesteld dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor had geschonden door de advocaat niet in de gelegenheid te stellen te reageren op de nagezonden stukken.
Daarom werd de beschikking vernietigd en de zaak verwezen naar de rechtbank Den Haag voor verdere behandeling.