Conclusie
eerste middelkeert zich tegen het bewijs van de door de verdediging betwiste voorbedachte raad. De bewezenverklaring van dat onderdeel van de tenlastelegging is niet toereikend gemotiveerd gelet op wat de verdediging heeft aangevoerd. Meer bepaald wijst de steller van het middel erop dat de verdediging heeft betoogd dat verdachte niet direct op het slachtoffer is gaan schieten maar eerst zijn wapen naar beneden heeft gericht en dat het hof door aan te nemen dat verdachte die dag eerder naar de garage is geweest waar de auto van het slachtoffer stond en dus bewust naar het slachtoffer op zoek is geweest, te veel ruimte heeft opengelaten voor het tijdstip waarop de voorbedachte raad zou zijn ontstaan.
tweede middelklaagt over het bewijs van het opzet van feit 1. Ook heeft het hof niet in het bijzonder de redenen opgegeven die hebben geleid tot afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot feit 2.
derde middelklaagt over een schending van de redelijke termijn in cassatie. Het cassatieberoep is op 20 juli 2017 ingesteld en de stukken zijn op 5 april 2018 ter administratie van de Hoge Raad ontvangen, zodat de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn is geschonden.