Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
ernstigverwijtbaar handelen in plaats van ongekwalificeerd verwijtbaar handelen. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat de wettekst van en de toelichting bij art. 7:669 lid 3 onder Pro e BW daarvoor geen aanknopingspunten bieden anders dan bijvoorbeeld in art. 7:673 lid 1 onder Pro b of lid 7 onder c BW.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1. Dit onderdeel bestaat, zoals hiervoor reeds is aangegeven (randnummer 3.1), uit twee subonderdelen.
subonderdeel 1.1klaagt IIF Holding dat het hof de mondelinge behandeling heeft laten plaatsvinden voor één raadsheer-commissaris in een meervoudig te beslissen zaak onder miskenning van de regels die daarvoor door Uw Raad zijn geformuleerd in de zojuist besproken beschikkingen van 22 december 2017 (hiervoor randnummers 3.13 e.v.). [39]
subonderdeel 1.1doel.
subonderdeel 1.2. Met dit subonderdeel klaagt IIF Holding erover dat het hof ten onrechte het proces-verbaal van de mondelinge behandeling niet voorafgaand aan de uitspraak heeft toegezonden aan partijen en/of ter beschikking heeft gesteld aan de andere raadsheren van de meervoudige kamer. Daarmee is in de eerste plaats onvoldoende gewaarborgd dat hetgeen ter zitting is voorgevallen bij de totstandkoming van de uitspraak door alle leden van de meervoudige kamer is meegewogen. IIF Holding verwijst daarbij naar het hiervoor (randnummers 3.10 e.v.) besproken arrest van Uw Raad van 31 oktober 2014 (HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076,
NJ2015/181 (
[...] c.s./Staat)). Bovendien heeft IIF Holding als gevolg hiervan, aldus de (toelichting op de) klacht, geen schriftelijke reactie meer kunnen geven op het proces-verbaal voordat de uitspraak werd gedaan.
mondeling doorgekregen van [betrokkene 5] [de griffier] wat de vervolgstap is m.b.t. de zitting 17-08-2017 ( [betrokkene 4] ).”
subonderdeel 1.2. Het proces-verbaal is in ieder geval niet aan partijen toegezonden vóór het wijzen van de beschikking en niet met zekerheid valt te zeggen of het proces-verbaal aan de meervoudige kamer ter beschikking is gesteld vóór het wijzen van de beschikking. Daarmee is onvoldoende gewaarborgd dat hetgeen ter zitting is voorgevallen bij de totstandkoming van de uitspraak door de meervoudige kamer wordt meegewogen. Het belang van IIF Holding bij haar klacht is hiermee gegeven. Anders dan [verweerder] heeft betoogd, is daarvoor niet vereist dat IIF Holding inhoudelijke bezwaren tegen specifieke rechtsoverwegingen uit de bestreden beschikking heeft geformuleerd of op inhoudelijke onjuistheden in het proces-verbaal heeft gewezen.
Vlisco-beschikking [48] die zich op die plaats om praktische redenen voorstander toont van herstel door de rechter zelf in het geval dat het hof als appel- of verwijzingsrechter, anders dan de kantonrechter, oordeelt dat een ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven, maar wél tot ontbinding wil overgaan. In dat geval kan het hof door eerst zelf de arbeidsovereenkomst te herstellen, direct daarna tot ontbinding overgaan. [49] Een dergelijke situatie doet zich, aldus het onderdeel, hier niet voor. Het hof heeft, aldus IIF Holding, dan ook zonder goede grond de arbeidsovereenkomst zélf hersteld.
derde lidwordt voorgesteld welke twee mogelijkheden er zijn als de appel- of cassatierechter tot het oordeel komt dat een ontbindingsverzoek van de werkgever ten onrechte is toegewezen of een verzoek tot vernietiging van de opzegging of tot herstel van de arbeidsovereenkomst van de werknemer ten onrechte is afgewezen. Hij kan – de eerste mogelijkheid – de werkgever veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen. De rechter is daarbij vrij om te bepalen met ingang van welke datum hij de overeenkomst herstelt. Herstel van de arbeidsovereenkomst kan hij uitsluitend gelasten als de werknemer daarom in appel heeft verzocht. Doet hij dit, dan zal hij tevens voorzieningen moeten treffen voor een eventuele tussenliggende periode, aansluitend bij het specifieke geval.”
Mediant-beschikking [56] en de
Vlisco-beschikking van Uw Raad. [57]
Vlisco-beschikking van Uw Raad refereert, dat nadrukkelijker had laten blijken en zijn standpunt in dit verband ook (uitvoeriger) zou hebben toegelicht.
Mediant-beschikking [61] en de
Vlisco-beschikking. [62] In deze discussie komt onder meer de vraag aan bod of sprake moet zijn van een veroordeling van de werkgever tot herstel van de arbeidsovereenkomst of dat de rechter de arbeidsovereenkomst zelf kan herstellen. Om een en ander te situeren zal ik eerst kort uiteenzetten wat de problematiek is die centraal stond in genoemde beschikkingen. [63]
Mediant-beschikking is geoordeeld dat een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding, namelijk voor het geval de vernietiging van het ontslag op staande voet door de kantonrechter wordt toegewezen, toelaatbaar is. [66] Wel geldt een zekere beperking: de kantonrechter kan die ontbinding niet uitspreken voor het geval de appelrechter het ontslag op staande voet, anders dan de kantonrechter, niet rechtsgeldig acht. Op deze situatie ziet namelijk art. 7:683 lid 3 BW Pro en voorkomen moet worden dat de kantonrechter de appelrechter voor de voeten loopt. In verband met art. 7:683 lid 3 BW Pro is van belang dat de Wwz wel een enkele vernieuwing heeft gebracht. Zo is het voor de werknemer anders dan voorheen niet mogelijk het ontslag op staande voet door een daartoe strekkende buitengerechtelijke verklaring te vernietigen. [67] Ingevolge art. 7:681 lid 1 BW Pro kan de vernietiging alleen nog geschieden door de rechter op een daartoe strekkend verzoek van de werknemer. In dit verband overweegt Uw Raad In de
Mediant-beschikking: [68]
Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3, p. 116-117).
Vlisco-beschikking die eigenlijk als aanleiding heeft de vraag of het hof het ten onrechte mogelijk heeft geacht dat in het geval waarin de kantonrechter nog geen oordeel heeft gegeven over het ontslag op staande voet, de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk wordt ontbonden, is Uw Raad eerst teruggekomen op een verschrijving in de
Mediant-beschikking. In rov. 3.13.1 van de
Mediant-beschikking is per abuis gesuggereerd dat de appel- of verwijzingsrechter een opzegging (ontslag op staande voet) die (dat) door de kantonrechter in stand is gelaten, zou kunnen vernietigen. Dat heeft Uw Raad in rov. 3.6.3 van de
Vlisco-beschikking recht gezet. Vervolgens heeft Uw Raad in een overweging ten overvloede (rov. 3.6.4) de vraag of ook de appelrechter en de verwijzingsrechter de bevoegdheid toekomt om een voorwaardelijke ontbinding uit te spreken bevestigend beantwoord:
Mediant-beschikking. In haar conclusie voor de
Vlisco-beschikking heeft zij het volgende opgemerkt:
‘In een zodanig geval kan de appelrechter of de verwijzingsrechter (de werkgever veroordelen om) de arbeidsovereenkomst herstellen …’.Met het tussen haakjes plaatsen van ‘de werkgever veroordelen om’ wordt door de Hoge Raad mogelijk gesuggereerd dat de appel- of verwijzingsrechter in de opzeggingsprocedure zélf het herstel van de arbeidsovereenkomst kan uitspreken. Er zou dan geen handeling van de werkgever nodig zijn om herstel tot stand te brengen. Hoewel de wettekst wel lijkt uit te gaan van herstel van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, zou een herstel door de rechter, een voorwaardelijk ontbindingsverzoek in hoger beroep beter inpasbaar maken in het wettelijk systeem.”
ten eersteloopt er een procedure van de werknemer tegen een opzegging (ontslag op staande voet) en laat de kantonrechter in die procedure in eerste aanleg de opzegging (ontslag op staande voet) in stand waarna de werknemer hiertegen in appel gaat; en
ten tweedeverzoekt de werkgever in appel voorwaardelijke ontbinding voor het geval de opzegging (ontslag op staande voet) (althans de beslissing van de kantonrechter dat deze opzegging (het ontslag) stand houdt) niet overeind blijft.
Mediant-beschikking zo te verklaren valt: Uw Raad ziet wellicht ook reden én ruimte voor herstel door de rechter zelf in bepaalde gevallen.
Mediant-zaak betoogd dat uit de wettelijke terminologie voortvloeit dat een herstelde overeenkomst geen nieuwe overeenkomst is. [89] Onder verwijzing naar dit betoog komt A-G De Bock voor de
Vlisco-beschikking tot eenzelfde conclusie. [90] Chorus en Van Waegeningh, die de argumenten voor de visie dat sprake is van een nieuwe overeenkomst (nog net) geen ‘academisch geneuzel’ willen noemen, betogen zelfs dat met de veroordeling tot herstel in de zin van art. 7:683 lid 3 BW Pro, feitelijk geen materiële wijziging is beoogd ten opzichte van de (vroegere) vernietiging van de opzegging. [91] Zij gaan derhalve uit van voortzetting van een arbeidsovereenkomst die, achteraf gezien ten onrechte, door het ontslag is geëindigd. De term ‘herstel’, terugbrengen in de vorige toestand, strookt daar ook mee.
onderdeel 2wat mij betreft. Het hof had in een geval als het onderhavige de werkgever tot herstel van de arbeidsovereenkomst met de werknemer moeten veroordelen. Voor een welwillende lezing van het dictum voel ik, om de hiervoor (randnummer 3.52) genoemde redenen, niet.