Conclusie
3.Waarom het in deze zaak gaat
4.De bewezenverklaringen en de bewijsvoering
Overweging met betrekking tot het bewijs
5.Bespreking van het eerste middel
NJ2011/558, m. nt. Reijntjes, heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over het gebruik van een slachtofferverklaring tot het bewijs. Hij oordeelde dat een slachtoffer dat ter terechtzitting op de voet van art. 302 (oud) Sv (thans art. 51e Sv) een mondelinge verklaring aflegt, niet optreedt in de hoedanigheid van getuige en dat de door hem afgelegde verklaring dan ook niet kan worden gebruikt voor het bewijs. Dat laatste heeft ook te gelden voor een eventueel aan de rechter overgelegd afschrift van die mondelinge verklaring. Het een en ander geldt evenwel niet voor een schriftelijke slachtofferverklaring die buiten het kader van art. 302 (oud) Sv (thans art. 51e Sv) in een schriftelijk bescheid is vastgelegd. Een dergelijke slachtofferverklaring kan op de voet van art. 344 lid 1 sub Pro 5 Sv voor het bewijs worden gebruikt.
NJ2014/260 heeft de Hoge Raad beslist dat wanneer een benadeelde partij ter terechtzitting gebruikt maakt van haar in art. 334 lid 3 Sv Pro gegeven bevoegdheid tot toelichting van haar vordering, zij niet optreedt in de hoedanigheid van getuige. Een in dat verband – niet als getuige – afgelegde verklaring kan daarom niet door de rechter worden gebruikt voor het bewijs.