Conclusie
1.Feiten en procesverloop
1. In hoeverre komt een wijziging in het gezag tegemoet aan de belangen van [de minderjarige]?
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel Iwordt, als ik het goed zie, met name de hiervoor in 2.2 onder (ii) weergegeven klacht nader uitgewerkt. Het onderdeel citeert eerst de hiervoor in 1.10 en 1.13 (vanaf het kopje “Raadsadvies met betrekking tot het gezag en de omgangsregeling”) weergegeven passages uit de raadrapporten van 13 november 2015 en 18 april 2017. Vervolgens citeert het onderdeel de volgende passage uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 oktober 2017: [8]
De raad
De raad
beiderechtsoverwegingen heeft geleid tot de slotsom dat de vader gezamenlijk met de moeder belast dient te blijven met het gezag over de minderjarige. Juist is dat de raad in zijn eerste rapport van 13 november 2015 heeft aangegeven dat een wijziging van het gezag - na de beschikking van de rechtbank waarin is bepaald dat het gezag over de minderjarige voortaan alleen door de moeder zal worden uitgeoefend - “nu niet in het belang van de minderjarige is”. In zijn opvolgende rapport van 18 april 2017 verzoekt de raad tevens de minderjarige onder toezicht te stellen. Weliswaar staat in het raadsbesluit (punt 11 van dat rapport) dat de raad omtrent het gezag adviseert conform het op 13 november 2015 uitgebrachte advies, uit de hiervoor in 1.12 weergegeven passage blijkt dat de raad gematigd positief is over de mogelijke ontwikkelingen tijdens een ondertoezichtstelling (indien uitgesproken). Kort na het verzoek is de ondertoezichtstelling daadwerkelijk uitgesproken. Tijdens de mondelinge behandeling bevestigt de raad het belang van die maatregel. Uit de hiervoor in 2.4 geciteerde passages uit het proces-verbaal blijkt naar mijn mening wederom dat de raad van mening is dat de ondertoezichtstelling positief zou kunnen uitwerken. De raad heeft aangegeven:
nadatde minderjarige de traumaverwerking heeft afgerond;
Onderdeel IIkeert zich specifiek tegen rov. 11.5.5. Het onderdeel klaagt dat de daar gegeven overwegingen onjuist, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zijn “in het licht van alle informatie die beschikbaar is”. Ter toelichting stelt het onderdeel dat de raad in zijn rapport van 18 april 2017 ook in het kader van de ondertoezichtstelling oordeelt dat het eenhoofdig gezag van de moeder moet worden gehandhaafd en dat de raad ter zitting heeft verklaard dat de hulp aan de minderjarige niet van de grond komt als de vader er bij betrokken dient te worden. Het onderdeel klaagt dat onbegrijpelijk is dat het hof “meent” dat beide ouders binnen de ondertoezichtstelling kennelijk niet een gelijkwaardige rol zouden spelen indien de vader geen gezag zou hebben. Volgens het onderdeel “valt niet in te zien waarom beide ouders niet door de gezinsmanager aangesproken zouden kunnen worden op hun verantwoordelijkheden als alleen de moeder het gezag zou hebben”. Het onderdeel stelt verder dat niet duidelijk wordt waarom beide ouders niet onder de druk van de maatregel van de ondertoezichtstelling zouden moeten werken aan verbetering van hun wederzijds ouderschap als alleen de moeder het gezag zou hebben, en waarom in dat geval niet van beide ouders zou kunnen worden gevergd dat zij uiteindelijk gezamenlijk hun verantwoordelijkheid gaan nemen voor de opvoeding en de ontwikkeling van de minderjarige. Het onderdeel stelt voorts dat de vaststelling dat het in het belang van de minderjarige noodzakelijk is dat de ouders zich inzetten om op positieve wijze invulling te geven aan het ouderschap en elkaars positie daarin bevestigen en ondersteunen, niet duidelijk maakt waarom op dit moment het eenhoofdig gezag niet zou moeten blijven bestaan. Voor gezag, aldus het onderdeel, “zal er meer aanwezig moeten zijn dan er thans aanwezig is”. Het onderdeel stelt verder dat uit HR 12 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2665, NJ 2014/482 m.nt. S.F.M. Wortmann volgt dat de maatregel van ondertoezichtstelling ingrijpt in de rechtsbetrekking tussen de met het gezag beklede ouder en de minderjarige, dat de rechten en verplichtingen van de niet met gezag beklede ouder niet rechtstreeks worden geraakt in de zin van art. 798 lid 1 Rv Pro, doch dat art. 8 EVRM Pro wel van toepassing is. Het onderdeel stelt dat in de onderhavige zaak duidelijk is gemaakt dat de vader zich zal moeten verdiepen in de kind eigen problematiek van de minderjarige en aangesproken zal kunnen worden op zijn verantwoordelijkheid, doch dat daarvoor gezag niet noodzakelijk is. Aan het slot van het onderdeel wordt wederom geklaagd dat het hof niet duidelijk maakt waarom het afwijkt van de adviezen van de raad. Dit klemt volgens het onderdeel temeer nu het hof de beschikking van de rechtbank op het punt van het niet vaststellen van een omgangsregeling heeft bekrachtigd.
ook in staat acht. Dit oordeel is zodanig verweven met een waardering van alle feiten en omstandigheden dat het niet op juistheid kan worden getoetst. Onbegrijpelijk is het oordeel niet.