Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
BNB2017/162 [1] in deze zaken over grootschalige exploitatie van het
Bosalgat door een buitenlandse bank. De resterende geschillen zijn zeer aanzienlijk beperkt ten opzichte van de eerste ronde en het aantal belanghebbenden is geslonken van tien tot vijf. In deze tweede ronde is enkel nog in geschil de tegenbewijsregeling van art. 10a(3)(a) Wet Vpb (regeling tegen winstdrainage door renteaftrek), en alleen voor het jaar 2008. Het gaat nog om de vraag hoe te beoordelen of een verdachte interne schuld ‘in feite’ is aangegaan bij een externe financier en daardoor geacht moet worden overwegend zakelijke doelen te dienen.
fraus legis. [3]
fraus legisen ook ik niet toekwam aan toepassing van art. 10a Wet Vpb in 2008. U achtte de cassatieberoepen van de belanghebbenden echter gegrond voor wat betreft de rente die stond tegenover door hen behaalde winsten ná hun aankoop door het bankconcern, waardoor alsnog het beroep op art. 10a Wet Vpb in 2008 aan de orde kwam. U heeft daarom de gedingen verwezen naar de feitenrechter (HR
BNB2017/162 [5] ):
BNB2017/156 waarnaar u verwees (zie 2.6 hieronder) oordeelde u dat als een belastingplichtige aannemelijk maakt dat een schuld die rechtens is verschuldigd aan een verbonden lichaam in feite is verschuldigd aan een derde, zij het in art. 10a(3)(a) Wet Vpb vereiste tegenbewijs heeft geleverd ter zake van zowel die schuld als de daarmee verband houdende rechtshandeling. Bij die tegenbewijslevering moet in ieder geval worden gekeken naar looptijd, aflossingsschema, rentevergoeding, omvang en tijdstip van aangaan van de intern en externe lening, in onderlinge samenhang.
fraus legis. Daardoor was enkel nog in geschil of de aftrek van het rentedeel dat niet door
fraus legiswordt getroffen (de ‘excesrente’), wordt beperkt door art. 10a Wet Vpb, met name of (on)voldoende ‘parallellie’ bestond tussen leningen van derden aan [C] en leningen van [C] aan de belanghebbenden om de laatsten geslaagd te achten in het door art. 10a Wet Vpb verlangde tegenbewijs.
fraus legiswordt getroffen, wordt beperkt door art. 10a Wet Vpb.
BNB2017/156 (Zustervennootschapsarrest) over een zustervennootschap van de belanghebbenden, waarin dezelfde parallellievraag aan de orde was en de relevante feiten identiek waren. Het enige verschil was dat de inspecteur in die zaak niet had weersproken de verklaring van een
tradervan de bank waartoe de belanghebbenden behoren, die erop neerkwam dat de interne lening aan de belanghebbende in die zaak in de boekhouding steeds herleid konden worden tot (vooraf) extern ingeleende gelden. In de nu te beslissen zaken betwist de Inspecteur die verklaring wél, maar dat doet volgens de belanghebbenden niet ter zake omdat vast staat dat de gelden uiteindelijk van derden afkomstig zijn en dat is volgens hen voldoende tegenbewijs.
back to backof doorgeefluikparallellie), of iets genuanceerds er tussenin.
tradervan de belanghebbenden voldoende als bewijs voor de vereiste parallellie. Die verklaring hield niet meer in dan dat de interne leningen uiteindelijk steeds werden gedekt door extern ingeleende gelden. Het Zustervennootschapsarrest impliceert daardoor dat boekhoudkundige-dekkingsparallellie voldoende is als tegenbewijs. Ook in de nu te beoordelen vijf identieke zaken staat processueel vast dat uiteindelijk extern is ingeleend, waarbij niet ter zake doet dat de(zelfde) verklaring van de(zelfde)
tradernu wél weersproken wordt, want u heeft in uw verwijzingsarrest zelf vastgesteld dat de interne leningen stammen uit externe leningen (zie r.o. 2.11 in het citaat hierboven: ‘….
daartoebij derden, in de markt, gelden aangetrokken …’). Toch heeft u deze zaken verwezen om door de feitenrechter te doen onderzoeken of de schuldparallellie voldoende is. Dat impliceert dus dat méér vereist is dan de ook in casu vast staande boekhoudkundige-dekkingsparallellie die in het Zuster-vennootschapsarrest voldoende was.
back to backin ligt. Nu het om (tegen)bewijs van zakelijke financieringsoverwegingen gaat, moet de belastingplichtige mijns inziens aannemelijk maken
daten
welkelening(en) extern is/zijn aangetrokken
omspecifiek haar activiteiten te (her)financieren. Anders gezegd: de belastingplichtige moet aannemelijk maken dat zij een reële financieringsbehoefte heeft en dat haar interne financier met
datfinancierings-doel extern geld heeft aangetrokken. Nog anders gezegd: de mate van parallellie moet zodanig zijn dat de in 4.3 genoemde wetswijziging van 2018 (afschaffing
safe havenbij feitelijke derdenfinanciering) overbodig is. Als de financieringsbehoefte van de belastingplichtige reëel is, gaat het immers per definitie om een zakelijk project dat gefinancierd moet worden.
daten
welkelening(en) extern is/zijn aangetrokken
omspecifiek hen te (her)financieren, is mijns inziens ook niet onbegrijpelijk. Ik meen daarom dat de principale cassatieberoepen niet tot cassatie leiden.
2.De feiten en de gedingen tot aan de tweede ronde cassatieberoepen
De feiten
tradervan
[A]) opgenomen:
Uit de tussen de belanghebbende en [C] gesloten overeenkomst van geldlening volgt dat:
- ( i) de looptijd van de interne lening 15,5 maanden bedraagt;
- ( ii) ter zake geen aflossingsschema is overeengekomen;
- ( iii) de rentevergoeding nader zal worden bepaald door [C] dan wel door [C] en belanghebbende gezamenlijk;
- ( iv) de omvang van de interne lening € 650 miljoen bedraagt; en
- ( v) de interne lening op 19 augustus 2008 is aangegaan.
De door [C] extern aangetrokken gelden zijn gefinancierd door middel van twee emissies van publiek schuldpapier. Niet in geschil dat:
- ( i) de looptijd van de externe financiering 36 respectievelijk 34 maanden bedraagt;
- ( ii) de omvang van de externe financiering € 520 respectievelijk € 200 miljoen bedraagt; en
- ( iii) de externe financiering op 3 april 2008 respectievelijk 9 juni 2008 is aangegaan.
Uit de verklaring van [G] volgt dat [C] voor de lening aan de belanghebbende bij derden in de markt vreemd vermogen heeft aangetrokken.
Tegenover de stellingen van Inspecteur stelt de belanghebbende dat de belangrijkste voorwaarden (datum van opname, aflossingsschema, hoofdsom, rentepercentage) van de externe lening weliswaar niet identiek zijn aan die van de interne lening, maar dat deze verschillen niet in de weg staan aan een geslaagd beroep op de tegenbewijsregeling indien buiten twijfel is dat het intern geleende geld causaal (historisch) afkomstig is van derden. De belanghebbende verwijst ter ondersteuning van haar standpunt naar HR BNB 2017/156.
Er is onvoldoende parallellie omdat het tijdstip van aangaan, de looptijd en de rente van de verbonden schuld van de belanghebbende en de derdenschulden van [C] in grote mate van elkaar afwijken. De Inspecteur wijst er met name op dat:
- de externe financiering maanden eerder is opgenomen dan de interne lening is verstrekt;
- de externe financiering langer doorliep dan de interne lening; en
- slechts een deel van de externe financiering is doorgeleend aan de belanghebbende.
Uit de tussen de belanghebbende en [C] gesloten overeenkomst van geldlening volgt dat:
- ( i) de looptijd van de interne lening 15,5 maanden bedraagt;
- ( ii) geen aflossingsschema is overeengekomen;
- ( iii) de rentevergoeding nader zal worden bepaald door [C] dan wel door [C] en belanghebbende gezamenlijk;
- ( iv) de omvang van de lening € 1.1 miljard bedraagt; en
- ( v) de lening op 19 augustus 2008 is aangegaan.
[C] heeft extern geld aangetrokken door twee emissies van publiek schuldpapier. Niet in geschil dat:
- ( i) de looptijd van de externe financiering 36 maanden bedraagt;
- ( ii) de omvang van de externe financiering € 2 miljard bedraagt, waarvan € 520 miljoen is gebruikt voor een lening van [C] aan [X1] B.V.; en
- ( iii) de externe financiering op 3 april 2008 is aangegaan.
Idem.
Idem.
Uit de tussen de belanghebbende en [C] gesloten overeenkomst van geldlening volgt dat:
- ( i) de looptijd van de interne lening 16,5 maanden bedraagt;
- ( ii) geen aflossingsschema is overeengekomen;
- ( iii) de rentevergoeding zal worden bepaald aan de hand van het Euribor tarief voor deposito's;
- ( iv) de omvang van de lening € 1,375 miljard bedraagt; en
- ( v) de lening op 17 augustus 2007 is aangegaan.
Uit de door de Inspecteur niet weersproken verklaring van [G] volgt dat [C] voor de financiering van de interne lening aan belanghebbende bij derden in de markt vreemd vermogen heeft aangetrokken.
De belangrijkste voorwaarden (datum van opname, aflossingsschema, hoofdsom, rentepercentage) van de externe lening zijn weliswaar niet identiek aan die van de interne lening, maar deze verschillen staan niet in de weg aan een geslaagd beroep op de tegenbewijsregeling indien buiten twijfel is dat het intern geleende geld causaal (historisch) afkomstig is van derden. De belanghebbende verwijst ter ondersteuning van haar standpunt naar HR BNB 2017/156.
Er is onvoldoende parallellie. Het door de belanghebbende gestelde biedt volgens de Inspecteur onvoldoende steun voor het oordeel dat zij feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die meebrengen dat de schuld die zij rechtens is verschuldigd aan [C] , in feite is verschuldigd aan een derde.
Uit de tussen belanghebbende en [C] gesloten overeenkomst van geldlening volgt dat:
- ( i) de looptijd van de interne lening 21 maanden bedraagt;
- ( ii) geen aflossingsschema is overeengekomen;
- ( iii) de rentevergoeding zal worden bepaald aan de hand van het Euribor tarief voor deposito's;
- ( iv) de omvang van de lening € 1,372 miljard bedraagt; en
- ( v) de lening op 30 maart 2007 is aangegaan.
Idem.
Uit de tussen de belanghebbende en [C] gesloten overeenkomst van geldlening volgt dat:
- ( i) de looptijd van de interne lening 21,5 maanden bedraagt;
- ( ii) geen aflossingsschema is overeengekomen;
- ( iii) de rentevergoeding zal worden bepaald aan de hand van het Euribor tarief voor deposito's;
- ( iv) de omvang van de lening € 250 miljoen bedraagt; en
- ( v) de interne lening op 8 maart 2007 is aangegaan.
Idem.
fraus legisde renteaftrek al verhinderde:
BNB2017/156] maar ook op de belastingaanslagen over 2008 van de overige belanghebbenden. Met betrekking tot deze laatstgenoemde vennootschappen laat het Hof uit overwegingen van proceseconomie de juistheid van dit standpunt in het midden, nu het niet tot een voor de inspecteur gunstiger resultaat kan leiden (ook niet wat betreft de boeten (…)).”
fraus legis. Die door de partijen ‘excesrente’ genoemde rente is de rente die staat tegenover winsten van de belanghebbenden die niet als door hun moeders ‘aangekocht’ kunnen worden beschouwd, dus ‘nieuwe winst’. U overwoog als volgt (
curs. PJW):
fraus legister zake van art. 10a Wet Vpb verworpen, maar voor zijn beroep voor 2008 op art. 10a Wet Vpb moesten feiten onderzocht worden. U heeft de gedingen verwezen naar het Hof Den Haag met de volgende opdracht:
BNB2017/156 [9] ) overwoog u:
BNB2017/156: (i) bij de vraag naar de parallellie tussen de schulden van de belanghebbenden aan [C] (interne leningen) en de derdenschulden van [C] (externe leningen) in ieder geval beoordeeld moeten worden: looptijd, aflossingsschema, rentevergoeding, omvang en tijdstip van aangaan van de leningen, in onderlinge samenhang en (ii) de stelplicht en - bij voldoende gemotiveerde betwisting door de inspecteur - de bewijslast op de belanghebbenden rust. Het verwijzingshof achtte de belanghebbenden, gelet op de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet geslaagd in het leveren van het in art. 10a(3)(a) Wet Vpb vereiste tegenbewijs, met name niet van voldoende parallellie van interne en externe financiering: [11]
BNB2017/156 (Zustervennootschap) de rente wel in aftrek is toegelaten, staat volgens het verwijzingshof aan zijn oordeel niet in de weg omdat in die zaak de inspecteur de verklaring van de
traderniet had betwist en hij dat in de zaken van de belanghebbenden wel heeft gedaan.
NTFR2018/1397:
NLFiscaal2018/1012 (ik laat voetnoten weg):
Verband en parallelliteit
BNB2016/197; PJW] spreekt de Hoge Raad in dit kader van de ‘feitelijke financier’. Wat mij betreft zou uit deze bewoordingen kunnen worden afgeleid dat aan de hand van de genoemde omstandigheden zou moeten worden beoordeeld of er een direct verband bestaat tussen de interne en de externe lening op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de feitelijke financier een ander is dan de directe crediteur. Ik lees hier niet zonder meer in dat in dat kader sprake dient te zijn van volledige parallelliteit tussen de interne en de externe financiering in die zin dat alle voorwaarden parallel zijn. Ook het Hof lijkt hiervan uit te gaan door te overwegen dat is vereist dat de belangrijkste kenmerken van de interne en de externe lening(en) voldoende vergelijkbaar zijn.
3.De tweede ronde cassatieberoepen
fraus legiswordt getroffen wordt beperkt door art. 10a Wet Vpb. Dit oordeel staat haaks op dat van het Hof Amsterdam in de identieke zaak HR
BNB2017/156 over een zustervennootschap van de belanghebbenden. In die zaak was dezelfde parallellievraag aan de orde en waren de relevante feiten identiek. De belanghebbenden wijzen erop dat de stellingen van de Inspecteur na verwijzing (dat de intern geleende gelden niet extern geleend zouden zijn, subsidiair dat geen causaal verband zou bestaan tussen de externe leningen en de interne leningen) door het Hof zijn verworpen en dat daarmee vaststaat dat dat causale verband bestaat. De belanghebbenden achten ‘s Hofs opvatting over de mate van vereiste parallellie tussen de intern en externe leningen te streng. Zij menen dat de door het Hof beslissend geachte (on)vergelijkbaarheid in looptijd, aflossingsschema, rentevergoeding, omvang en tijdstip van aangaan slechts een hulpmiddel is om te beoordelen waar het werkelijk om gaat, nl. of de rechtens jegens een verbonden lichaam aangegane schuld in feite is aangegaan jegens een derde. Dat het belang van ‘leningkenmerkenparallellie’ niet moet worden overschat, kan worden opgemaakt uit de voorzichtige formulering in r.o. 2.4.5.3 van HR
BNB2017/156 (zustervennootschap) en r.o. 2.7.3 van HR
BNB2016/197 [13] (Italiaanse beursvennootschap): bij de beoordeling of de parallellie voldoende is, moeten ‘in ieder geval’ worden bezien looptijd, aflossingsschema, rentevergoeding, omvang en tijdstip van aangaan van de leningen. Hier staat niet dat op die punten parallellie moet bestaan om een
de factoderdenlening te kunnen aannemen, maar slechts dat op die omstandigheden acht moet worden geslagen. De belanghebbenden achten het in overeenstemming met de ratio van art. 10a Wet Vpb om niet te veel belang te hechten aan strakke parallellie tussen interne en externe lening, nu de wetgever met art. 10a Wet Vpb beoogde aan te sluiten bij de materiële werkelijkheid.
verweervast dat uw verwijzingsarrest en de door het verwijzingshof vastgestelde feiten impliceren dat ervan uit moet worden gegaan dat de interne leningen aan de belanghebbenden gedekt worden door in de markt bij derden geleende gelden. Hij meent dat dat enkele verband voor u echter onvoldoende was, want u verwees de zaak. Het van derden geleende geld kan volgens de Staatssecretaris ook voor andere doeleinden zijn gebruikt, want de externe opnames door [C] en de externe bestemmingen van de gelden door [D] bestonden ook al voordat de belanghebbenden door het concern werden gekocht; de geldstroom is slechts om fiscale redenen boekhoudkundig omgeleid langs de belanghebbenden. Aldus bestaat wel een causaal verband met externe financiering, maar slechts een afgeleid en niet het vereiste historisch-causale directe verband, aldus de Staatssecretaris. Dat de gelden al voor andere doeleinden waren gebruikt, volgt ook daaruit dat de tijdstippen van aangaan en aflossen van de interne en externe leningen uit elkaar liggen en de looptijden niet overeenkomen, zoals de belanghebbende ook erkent. De bedragen en looptijden van de leningen aan de belanghebbenden zijn min of meer afgestemd op de renteaftrek benodigd om hun winsten te compenseren. Hun tijdelijk gecreëerde schuld aan [C] liep bij hen volgens de Staatssecretaris niet over de kas (geen daadwerkelijke geldstroom) en hij acht zeer wel mogelijk dat alleen boekhoudkundig met bestaande vorderingen en schulden is geschoven binnen concernverband. Gegeven deze door de Inspecteur voor het Hof betrokken positie, moesten de belanghebbenden bewijzen dat de geboekte leningen aansloten bij de daadwerkelijke geldstromen. Zij hebben echter niet aannemelijk gemaakt dat [C] de door haar extern geleende gelden niet meteen met een marge heeft doorgeleend naar de externe markt, maar hen eerst enkele maanden op haar bankrekening heeft laten staan en vervolgens heeft uitgeleend aan de belanghebbenden.
repliekstellen de belanghebbenden dat het erom gaat of looptijd, aanvangs- en aflossingstijdstip, etc. slechts
bewijsmiddelenzijn bij de beoordeling van feitelijke verschuldigdheid aan een derde (standpunt belanghebbenden), dan wel of vergelijkbaarheid van die aspecten
bewezenmoet worden
omfeitelijke verschuldigdheid aan een derde te constateren (standpunt fiscus). Is overeenstemming van looptijden etc. een vereiste, dan moet renteaftrek worden geweigerd, want er bestonden inderdaad verschillen in kenmerken tussen de interne en externe leningen. Zijn daarentegen de looptijd etc. slechts hulpmiddelen en is het causaal-historische verband uiteindelijk bepalend, dan is de rente aftrekbaar omdat het verwijzingshof het bestaan van zo’n verband heeft vastgesteld. Dat u de zaak heeft verwezen hoewel al vaststond dat [C] uiteindelijk in de markt had ingeleend van derden, impliceert volgens hen niet dat een nauwer dan historisch-causaal verband vereist is, nu verwezen moest worden om vast te stellen welk rentebedrag door
fraus legiswerd getroffen en ook overigens de cassatierechter de zaak niet kon afdoen. Zij wijzen ten slotte nogmaals op uw arrest in de voor hun zustervennootschap gunstig afgelopen zaak HR
BNB2017/156 ( [H] ).
dupliekwijst de Staatssecretaris erop dat de belanghebbenden bij het Hof hebben afgezien van beroep op de dubbele zakelijkheidstoets omdat niet (meer) in geschil is dat de schuld en de daarmee verband houdende rechtshandeling niet overwegend zakelijk waren, zodat vaststaat dat fiscale motieven ten grondslag lagen aan de schulden. Hij benadrukt dat het geschil na verwijzing is beperkt tot de vraag of de belanghebbenden hebben bewezen dat hun schulden feitelijk zijn aangegaan bij een derde, waarbij in ieder geval beoordeeld moest worden of looptijd, aflossingsschema, rentevergoeding, omvang en tijdstip van aangaan van de leningen van derden aan [C] aansluiten bij de leningen die de belanghebbenden zijn aangegaan. Die toets is stringenter dan de toets of [C] op haar beurt extern heeft ingeleend. Hij herhaalt dat (de Inspecteur steeds gesteld heeft dat) de extern ingeleende gelden door [C] al voor andere doeleinden waren geleend en slechts voor
tax planningdoeleinden achteraf boekhoudkundig langs de belanghebbenden zijn geleid. Een geconstrueerd boekhoudkundig verband acht hij niet voldoende.
verweerbetogen de belanghebbenden dat het incidentele beroep faalt omdat geen van de door de Staatssecretaris gestelde feiten over omleiding van bestaande geldstromen bij de feitenrechter is komen vast te staan. Zij stellen met name dat (i) de door [C] ingeleende gelden niet meteen zijn uitgeleend aan [D] en dat er geen bestaande financieringen zijn omgeleid langs de belanghebbenden; (ii) [D] geen bank is en geen kredieten aan derden pleegt te verstrekken; en (iii) bij de geldverstrekking door [C] aan de belanghebbenden wel degelijk daadwerkelijk betalingen hebben plaatsgevonden.
repliekvan de Staatssecretaris is gelijk aan zijn dupliek in het principale beroep (zie 3.7).
back to back; doorgeefluikparallellie; standpunt fiscus), of iets genuanceerds er tussenin? Ik denk dat de praktijk hoopt op een van de twee ongenuanceerde antwoorden, maar ik vrees dat het iets genuanceerds er tussenin gaat worden.
afwezigheid van verschillen tussen die gevallen in partijstellingnamen, betwisting of bewijslevering.
4.Wet, wetsgeschiedenis en beleidsbesluiten
De wet
BNB2017/156 (zie onderdeel 5.1 hieronder). De MvT licht de wijziging als volgt toe: [15]
Artikel I, onderdeel B (Artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)
VN2006/5.15 neergelegde mogelijkheid dat de geldlening (‘schuld’ in de nieuwe bepaling) en de rechtshandeling zakelijk zijn, indien de geldlening uiteindelijk extern gefinancierd is en sprake is van zogenoemde parallelliteit tussen de geldlening en deze externe financiering. Deze leden vragen te bevestigen dat deze beleidsregel ook voor de onder het nieuwe artikel 10a begrepen situaties van toepassing blijft. Ook de leden van de fractie van de VVD vragen naar het buiten toepassing laten van artikel 10a bij uiteindelijke externe financiering. Tevens vragen de leden van de fractie van het CDA naar de mogelijkheid om de eis van parallelliteit te laten vallen.
4.2.2 Externe financiering; parallelliteit lening verbonden lichaam (en verbonden natuurlijke personen)
Eerdere rechtspraak: HRBNB2017/156 (zustervennootschap) en HRBNB2016/197 (Italiaanse beursvennootschap) en het commentaar in de literatuur
BNB2017/156, [26] betreffende een zustervennootschap ( [H] BV) van de belanghebbenden, die in een vergelijkbare rol als zij (aangekochte winstvennootschap) betrokken was bij een vergelijkbare antifiscale constructie. Ook in die zaak was in geschil of voldoende parallellie bestond tussen de interne en de externe lening om het tegenbewijs ex art. 10a(3)(a) Wet Vpb geleverd te achten. Het hof Amsterdam had in die zaak schuldparallellie aannemelijk geacht op basis van de volgens hem onvoldoende weersproken schriftelijke verklaring van de
trader: [27]
traderwel degelijk was weersproken door de inspecteur en bovendien ook indien niet-weersproken onvoldoende parallellie aannemelijk maakte. Ik achtte mede daarom het cassatieberoep van de staatssecretaris gegrond. Voor het geval u met het Hof een vagere schuldparallellie voldoende zou achten, achtte ik ’s Hofs oordeel onvoldoende gemotiveerd in verband met (i) zijn voorbijgaan aan de stelling van de inspecteur die materieel de verklaring van de
traderweersprak en (ii) de voor het aannemen van parallellie onvoldoende inhoud van die verklaring, ook als zij onweersproken zou zijn: [28]
trader[B] het vereiste zakelijkheidsbewijs heeft geleverd omdat (i) uit de wetsgeschiedenis volgt dat bij (voldoende) parallellie tussen de verbonden en een externe schuld art. 10a (1) niet van toepassing is en de (on)zakelijkheid van de motieven voor de storting in de deelneming niet ter zake doen en (ii) de Inspecteur onvoldoende heeft weersproken dat uit de overgelegde verklaring volgt dat de vereiste schuldparallellie bestaat.
BNB 2015/165(zie 5.1) en HR
BNB 2016/197(zie 5.3) kan niet betwijfeld worden dat art. 10a (3)(a) twee cumulatieve zakelijkheidseisen inhoudt: zowel de verbonden schuld als de daarmee gefinancierde rechtshandeling (in casu: een storting in een verbonden lichaam) moeten ‘overwegend’ zakelijk (niet-antifiscaal) zijn. De vraag is of uit de wetsgeschiedenis kan worden opgemaakt dat de wetgever bedoeld heeft een
safe havente creëren (waarin hij afziet van het volgens de tekst van art. 10a(3)(a) vereiste bewijs van zakelijkheid van de rechtshandeling) voor alle gevallen waarin de verbonden schuld (voldoende) ‘parallel’ loopt met externe financiering. (….). Volgens het Hof ligt ‘de voorwaarde van parallelliteit (…) besloten in de met ingang van 1 januari 1997 geldende regeling van artikel 10a, derde lid, onderdeel a’. Ik begrijp dat aldus dat schuldparallellie volgens het Hof een
safe havenis onder art. 10a(3)(a). Schuldparallellie legt het Hof ten slotte aldus uit dat een ‘causaal (historisch) verband bestaat tussen de geldlening en de externe lening en dat de voorwaarden tussen die leningen vergelijkbaar zijn.’
safe havendie de wetsgeschiedenis inderdaad lijkt te bieden mijns inziens een (veel) nauwer verband tussen de interne en de externe financiering moet bestaan dan het Hof eist en (ii) het historische causale verband in belanghebbendes geval omgekeerd is aan de causaliteit die de wetgever voor ogen stond.
tax planningstructuur. De verbonden schulden zijn dus aangegaan omdat de externe er al waren; niet andersom. Ik meen daarom dat de boven geciteerde parlementaire passages over ‘echte’ en ‘feitelijke’ derdenleningen en over schuldparallellie niet over belanghebbendes geval gaan.
safe havenonder lid 3(a) als de verbonden schuld
gelijkgesteldkan worden met een rechtstreekse externe lening (waardoor feitelijk geen sprake meer is van een verbonden schuld en lid 1 dus materieel al niet meer van toepassing is) en de feiten laten die gevolgtrekking in casu niet toe.
rechtens’sprake is van een verbonden schuld (en van een besmette handeling), die toepasselijkheid door lid 3(a) wordt teruggenomen als de ‘
rechtens’interne en dus door lid 1 getroffen lening “feitelijk is (…) aangegaan jegens een derde”. De wetgever heeft voorts verklaard, in verband met garantstellingen (zie 4.10 hierboven), dat ook als mogelijk gesteld zou kunnen worden dat de lening ‘in feite’ verbonden is als gevolg van een verbonden garantie, de rente aftrekbaar is als het gaat om een ‘echte derdenlening,’ i.e. als de belastingplichtige hetzelfde bedrag ook zonder gelieerde garantie extern had kunnen lenen en de gelieerde garantie alleen dient om betere voorwaarden (lagere rente) te krijgen. Rechtens noch feitelijk is dan sprake van een verbonden schuld.
safe haventer zake van toepassing van art. 10(a)(3) Wet Vpb, maar anders dan het Hof, niet één die men reeds binnenvaart als zich een zekere parallellie tussen interne en externe financiering voordoet. Het moet immers gaan om een ‘echte derdenlening’ of een lening die ‘feitelijk bij een derde is aangegaan’, die dus
gelijkgesteld kan worden met een ‘echte derdenlening’ c.q. een situatie waarin de gelieerde crediteur slechts een willoos ‘doorgeefluik’ zonder eigen crediteurseigenschappen is (zie 4.10). Is dat niet het geval, dan geldt mijns inziens gewoon de dubbele zakelijkheidstoets van art. 10a (a) Wet Vpb (of de toets van lid 3(b)). Uit de geciteerde wetsgeschiedenis volgt mijns inziens niet dat (on)zakelijkheid van de rechtshandeling irrelevant is als boekhoudkundig verband kan worden gelegd tussen interne financiering en externe financiering, zoals in casu. Ik merk op dat bij een bank wiens bedrijf bestaat uit het genieten van een marge tussen extern inlenen en extern uitlenen denkelijk desgewenst altijd wel een boekhoudkundig verband gelegd zal kunnen worden (
tracing) tussen externe leningen en de interne geleiding van die leningen langs groepsvennootschappen naar uiteindelijk externe debiteuren.
BNB 2016/197dat voor een
safe havenvereist is dat de verbonden lening en de externe lening ‘identiek’ zijn, maar dat zelfs die identiteit niet voldoende is als de band tussen de leningen kunstmatig tot stand wordt gebracht. Het is duidelijk dat de fiscus in belanghebbendes geval van mening is dat het om uiterst kunstmatig gedoe (een ‘U-bocht’) gaat.
tracingmogelijk is van externe financiering naar de verbonden schuld (zoals in casu). Maar daarnaast moeten alsdan ook overwegend zakelijke redenen voor de gefinancierde verdachte rechtshandeling bestaan.
BNB 2016/197(…). (….).
safe havenin art. 10a (3)(b) juist afschafte – de door hem in art. 10a(3)(a) wel degelijk geëiste zakelijkheid van de rechtshandeling irrelevant zou achten in gevallen waarin niet vaststaat dat de verbonden schuld zodanig vast zit aan een voor het concern als geheel externe schuld dat in wezen geen sprake meer is van een verbonden schuld. Ik meen dat de uit de parlementaire geschiedenis volgende
safe havenonder art. 10a(3)(a) alleen bedoeld is voor gevallen waarin art. 10a teleologisch niet van toepassing is omdat de schuld in wezen niet jegens een verbonden persoon is aangegaan.
traderniet de conclusie toelaten dat de door de belanghebbende bij [C] aangegane lening in alle opzichten behalve wellicht het rentepercentage gelijkgesteld kan worden met een door de belanghebbende rechtstreeks aangegane ‘echte derdenlening,’ geldt in casu de dubbele zakelijkheidstoets van art. 10a (3)(a) Wet Vpb, zodat ook de zakelijkheid (het doel) van de storting had moeten worden onderzocht.
safe havenonder art. 10a (3)(a) waarin het ontbreken van de door die bepaling geëiste zakelijke rechtshandeling niet ter zake doet), acht ik ’s Hofs uitspraak onvoldoende gemotiveerd. De Inspecteur heeft voor het Hof gesteld (zie 2.22 hierboven) dat
tracing). Er valt niet uit op te maken dat omvang, looptijd, aflossing, rentevergoeding en tijdstip van aangaan parallel liepen; eerder integendeel.”
back to backextern heeft ingeleend (voor welk geval de wetgever zijn
safe havenexclusief zou hebben bedoeld) en gevallen waarin de parallellie van interne en externe schuld (veel) vager is, zoals in het geval van de belanghebbenden (en waarin óók de zakelijkheid van de rechtshandeling aannemelijk zou moeten worden gemaakt). U oordeelde dat als er voldoende schuldparallellie is, daarmee ook de gefinancierde transactie als zakelijk geldt. Bij
onvoldoende parallellie geldt de dubbele zakelijkheidstoets dus onverkort, waaraan de belanghebbende alsdan moeilijk meer zal kunnen voldoen. Uitgaande van de principiële keuzevrijheid van aandeelhouders om hun dochters met eigen of vreemd vermogen te financieren, en daaruit afleidende dat een renteaftrekbeperking beperkt moet worden uitgelegd, oordeelde u dat voor zowel de schuld als de gefinancierde rechtshandeling het tegenbewijs ex art. 10a(3)(a) Wet Vpb is geleverd als de belanghebbende aannemelijk maakt dat de schuld die rechtens is aangegaan met een verbonden lichaam in feite is aangegaan met een derde. Wanneer dat het geval is, liet u in het midden; u gaf slechts aan dat in elk geval naar de (meeste) in de wetsgeschiedenis genoemde factoren moet worden gekeken, nl. looptijd, aflossingsschema, rentevergoeding, omvang en tijdstip van aangaan van de interne en externe leningen. U noemde echter niet de in de parlementaire geschiedenis evenzeer genoemde en door de wetgever kennelijk als belangrijk beschouwde factor: risico en zekerheden: [29]
BNB2017/156 in
2.6hierboven]
BNB2017/156 vervolgens geen onjuiste rechtsopvatting in ‘s Hofs oordeel dat de belanghebbende in die zaak voldoende schuldparallellie aannemelijk had gemaakt. U achtte dat oordeel evenmin onbegrijpelijk in het licht van de - volgens dat Hof - onvoldoende weersproken verklaring van de
trader(geciteerd in 2.2 hierboven):
BNB2017/156 ter zake van de schuldparallellie als volgt (ik laat voetnoten weg):
Wanneer is sprake van in feite bij derden aangegane schulden?
V-N2017/22.11 op het punt van de schuldparallellie luidde:
FED2017/123:
Italiaanse beursvennootschap-arrest, in ieder geval looptijd, aflossingsschema, rentevergoeding, omvang en tijdstip van aangaan van de leningen in onderlinge samenhang te beoordelen.
Winstdrainage door renteaftrek. Artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting na ‘Werken aan winst’, Deventer: Kluwer 2008, p. 290).”
BNB2017/156 naar HR
BNB2016/197 [30] (Italiaanse beursvennootschap), waarin u al in gelijke zin had geoordeeld over de tegenbewijsregeling in
letter bvan art. 10a(3) Wet Vpb:
BNB2016/197 (Italiaanse beursvennootschap) onder meer als volgt:
5 Het parallelliteitsleerstuk nader beschouwd
6.Beoordeling van de beroepen
Bosalgat die een te verwachten gevolg was van het onjuiste
Bosal-arrest [38] van het HvJ EU. In augustus 2016 concludeerde ik in de eerste cassatieronde van tien vennootschappen van dit concern, waaronder de vijf belanghebbenden die nu opnieuw in cassatie komen. Die eerste ronde eindigde in uw verwijzingsarrest HR
BNB2017/162 (zie 2.5 hierboven). In januari 2017 concludeerde ik in de zaak van een zustervennootschap van de belanghebbenden die - anders dan de belanghebbenden - niet slechts een aangekochte winstvennootschap was, maar (nog) een houtvergassingsinstallatie exploiteerde. [39] Die tweede ronde eindigde in het Zustervennootschapsarrest HR
BNB2017/156 (zie 2.6 en 5.1–5.4 hierboven). Het enige verschil tussen die zaak en de nu te beoordelen vijf zaken lijkt te zijn dat in de Zustervennootschapzaak de schriftelijke verklaring van de
traderonvoldoende weersproken zou zijn terwijl de inspecteur in de thans te beoordelen vijf zaken die verklaring wél heeft weersproken. Dat verschil lijkt mij niet relevant om de volgende reden.
BNB2017/156 (zie 2.6 en 5.1-5.4) moeilijk verenigen met uw verwijzingsarrest (HR
BNB2017/162) in de nu te beoordelen vijf zaken. In de Zustervennootschapszaak was de verklaring (met
spreadsheets) van de
tradervoldoende als (tegen)bewijs van de vereiste schuldparallellie. Die - volgens het Hof onvoldoende weersproken - verklaring hield in de kern niet meer in (zie 2.2 hierboven) dan dat de interne leningen aan de belanghebbenden in de boekhouding steeds gedekt konden worden door extern ingeleende gelden (“ … could at all time be traced to (parts of) one or several external loans or bonds…”). Er bleek echter ook uit, en de belanghebbenden erkennen ook, dat de data van aangaan c.q. aflossen van de te koppelen interne en externe leningen soms ver uit elkaar lagen en de looptijden (dus) niet overeenkwamen, evenmin als de rentevoeten en evenmin als interne en externe hoofdsommen die alleen met elkaar in een nauwer dan heel algemeen verband gebracht konden worden als kleinere leningen bij elkaar werden opgeteld c.q. grotere leningen werden opgesplitst ( “…
(parts of) one or severalexternal loans
orbonds ….”). Er was geen sprake van een 1 op 1 (
back to back) verband of van iets wat daarbij in de buurt zou kunnen komen (geen doorgeefluikparallellie). Uit de verklaring volgt slechts dat sommige van de routineus door [C] extern ingeleende gelden die door [D] uiteindelijk routineus tegen hogere rente weer in de markt werden gezet, ‘
earmarked’werden om langs de belanghebbenden geleid te worden (maar niet wat dat betekent; in elk geval
nietdat ze terstond of qua hoofdsom 1 op 1 werden doorgeleend aan de belanghebbenden) en dat de extern geleende gelden steeds ruim voldoende waren om het totaalbedrag van de intern aan de belanghebbenden verstrekte leningen te kunnen dekken (boekhoudkundige-dekkingsparallellie). Het Zustervennootschapsarrest impliceert daarmee dat boekhoudkundige-dekkingsparallellie voldoende is voor geslaagd tegenbewijs.
BNB2017/162 is voor het bewijs van voldoende schuldparallellie
nietvoldoende dat (
curs. PJW):
daartoebij
derden, in de markt, gelden aangetrokken. De geleende gelden zijn door belanghebbenden – uiteindelijk – aangewend voor stortingen in onderscheidenlijk verwervingen van concernvennootschappen. (…).”
earmarkedwerden om langs de belanghebbenden geleid te worden; zij werden volgens u immers “…
daartoebij derden, in de markt, (…) aangetrokken”. Ik acht dat feitelijke uitgangspunt weliswaar onjuist, nu de door de feitenrechter in de eerste ronde vastgestelde feiten mijns inziens geen andere conclusie toelaten dan dat de causaliteit andersom was: gelden die toch al werden in- en uitgeleend – dus reeds bestaande geldstromen - werden om antifiscale redenen langs de belanghebbenden geleid. De aan hen uit te lenen gelden werden mijns inziens dus niet met dat doel (‘daartoe’) extern ingeleend, maar omgekeerd werden extern hoe dan ook reeds voor andere doeleinden ingeleende gelden via de belanghebbenden geleid om hen in staat te stellen het
Bosalgat te exploiteren. U zie onderdeel 7.9 van de conclusie geciteerd in onderdeel 5.2. Maar niet alleen u, ook het verwijzingshof heeft thans feitelijk vastgesteld (r.o. 3.6.1; zie onderdeel 2.1 hierboven) dat de extern geleende gelden wel degelijk “…
daartoe(zijn) aangetrokken.” Daarmee staat processueel vast dat alle door de belanghebbenden intern geleende gelden door het concern bij derden geleend zijn
omdie gelden aan de belanghebbenden door te lenen (‘daartoe’).
traderal dan niet wordt betwist door de Inspecteur. Ook als zij betwist wordt, staat haar wezenlijke inhoud desondanks processueel vast omdat de feitelijke uitgangspunten in uw verwijzingsarrest én de feitelijke vaststellingen van het verwijzingshof op hetzelfde neerkomen, nl. op een boekhoudkundige-dekkingsparallellie, die volgens uw Zustervennootschapsarrest HR
BNB2017/156 voldoende is als tegenbewijs, zodat de zaken van de belanghebbenden niet verwezen hadden hoeven worden. Maar ze zijn wel degelijk verwezen, hetgeen dus impliceert dat uw verwijzingsarrest zwaardere parallellie-eisen stelt dan uw Zustervennootschapsarrest en dat het verwijzingshof terecht nauwkeuriger parallellie tussen intern en extern heeft geëist dan de boekhoudkundige dekking die in het Zustervennootschapsarrest voldoende werd geacht.
traderbetwist is en het oordeel dat die verklaring niet betwist zou zijn.
BNB2017/162 volgen, ofwel het Zustervennootschapsarrest HR
BNB2017/156 volgen. Hij heeft begrijpelijkerwijs gekozen voor het verwijzingsarrest, nu dat arrest de zaken naar hem verwees. Omdat die verwijzing impliceert dat bewijs van boekhoudkundige-dekkingsparallellie niet voldoende is, heeft het verwijzingshof terecht verdergaande parallellie geëist en heeft hij geprobeerd het verschil in uitkomst met de identieke Zustervennootschapszaak te verklaren door te wijzen op het al dan niet voldoende betwist zijn van de verklaring van de
trader. Zoals boven bleek, kan dat betwistingsverschil het verschil in uitkomst mijns inziens niet verklaren, maar daar kan het verwijzingshof niets aan doen.
trader-verklaring aannemelijk gemaakt wordt, onvoldoende is. U zult moeten aangeven welke méér-eisen dan alleen boekhoudkundige dekking gesteld moeten worden om voldoende schuldparallellie aanwezig te achten. Dat een strenge doorgeefluikparallellie vereist zou zijn is onwaarschijnlijk, want dan zou de belanghebbende in het Zustervennootschapsarrest niet weggekomen zijn met alleen de vage en algemene
trader-verklaring, hoezeer ook onweersproken.
home free, evenals concerns die zeker stellen dat intern geleend wordt van een daartoe opgerichte concernfinancieringsvennootschap die alleen maar extern inleent.
BNB2016/197; zie 5.8) c.q. degene aan wie de schuld ‘materieel (of ‘feitelijk’) is verschuldigd’ (HR
BNB2017/156; zie 5.1) om de feitelijke geldgever gaat of om degene bij wie feitelijk het debiteurenrisico ligt. Het antwoord op de in de literatuur gerezen vraag waarom u noch in het Zustervennootschapsarrest, noch in het Italiaanse-beurs-vennootschapsarrest de criteria risico en zekerheden noemde, hoewel die criteria de hoofdcriteria leken voor de medewetgever (zie 4.5 hierboven), is mijns inziens dat het om de feitelijke geldgever gaat en u te beleefd was om te zeggen dat de medewetgever met zijn verwijzing naar zekerheden en risico op verkeerd spoor zat, nl. op onzakelijke-leningenspoor.
Alshet feitelijk om een externe lening gaat, dan ligt het debiteurenrisico immers uiteindelijk ook bij die externe financier. Hoe het inlenende concern de risico’s en zekerheden van de interne doorlening intern alloceert, lijkt voor de parallellie van interne en externe lening weinig relevant; dat lijkt meer van belang voor de vraag of het intern überhaupt nog om een lening gaat (of om eigen vermogen) c.q. of het intern om een zakelijke of een onzakelijke lening gaat. Zoals opgemerkt, gaat ook de Staatssecretaris er in deze procedure kennelijk van uit dat het om de externe feitelijke geldgever gaat; niet om de interne stroppenvanger. Zoals boven eveneens bleek, gaat ook de literatuur daarvan uit.
daten
welkelening(en) extern is/zijn aangetrokken
omspecifiek haar activiteiten te financieren of te herfinancieren. Anders gezegd: de belastingplichtige moet aannemelijk maken dat zij een reële financieringsbehoefte heeft en dat haar interne financier met dat financieringsdoel extern geld heeft aangetrokken. Nog anders gezegd: de mate van schuldparallellie moet zodanig zijn dat de wetswijziging van 2018 (zie 4.3 hierboven) overbodig is. Als de financieringsbehoefte van de belastingplichtige reëel is, gaat het immers per definitie om een zakelijk, althans niet antifiscaal project dat gefinancierd moet worden. Het kan de wetgever niet euvel geduid worden dat hij zich in 2017 zorgen maakte na uw Zustervennootschapsarrest en daarom per 1 januari 2018 de eis gesteld heeft dat niet alleen extern ingeleend moet zijn, maar ook de te financieren rechtshandeling zakelijk moet zijn, want die eis volgt niet uit uw Zustervennootschapsarrest, dat immers genoegen nam met de vage en algemene
trader-verklaring (die bij een bank bijna per definitie waar gemaakt kan worden), óók voor het bewijs van zakelijkheid van de te financieren rechtshandeling. Het Zustervennootschapsarrest zegt eerder het tegendeel: als aannemelijk is dat de interne lening in feite verschuldigd is aan een derde, is daarmee zowel voor de rechtshandeling als de lening de zakelijkheid bewezen, én zulks werd bewezen geacht uitsluitend op basis van de vage en algemene
trader-verklaring. Uit uw verwijzingsarrest in de nu te beoordelen vijf zaken blijkt echter dat die verklaring niet voldoende kan zijn en dat een strengere parallelliemaatstaf gesteld moet worden; mijns inziens de maatstaf die ik bovenaan in dit onderdeel heb geformuleerd.
trigger events(bijvoorbeeld insolventie) die tot aflossing of voorwaardenwijziging van leningen verplichten. Het volgende voorbeeld kan verder illustreren dat de door u genoemde vijf criteria niet steeds concludent hoeven zijn: groepsvennootschap A leent op 2 januari 2018 van een niet-verbonden derde onder zakelijke zekerheidstelling € 10 mio voor tien jaar tegen 5% rente. Op 2 februari 2018 leent A van die € 10 mio, die bij haar een maand op deposito heeft gestaan omdat de
treasurerzich vergist had, € 2 mio voor drie jaar zonder zekerheid door aan groepsvennootschap B (mogelijk onzakelijk, maar ook een onzakelijke lening is een lening) en € 8 mio voor vijf jaar door aan groepsvennootschap C. Aan B wordt 5% rente in rekening gebracht. C zit krapper bij kas omdat zij investeert in vastgoed dat nog niet rendeert. Zij betaalt 3% rente, maar het vastgoed dient tot zekerheid voor A, die daardoor weinig risico loopt. De B-lening voldoet aan slechts één criterium: de interne en de externe rente zijn gelijk. De C-lening voldoet aan geen enkel van de door u genoemde criteria. Toch lijkt mij dat in beide gevallen aangenomen kan worden dat ‘in feite’ van een derde is geleend.
daten
welkelening(en) extern is/zijn aangetrokken
omspecifiek hen te financieren of te herfinancieren, is mijns inziens niet onbegrijpelijk.