Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
Fraus legis(principaal middel 1 van de belanghebbenden 1 t/m 5 en 8)
1.Overzicht
Bosal-arrest (zaak C-168/01) van het Hof van Justitie van de EU. De litigieuze
tax planningstructuur bestaat uit het uitmelken van dat arrest, waarin het HvJ EU voor de toepassing van een deelnemingsvrijstellingssysteem niet-onderworpen dochtervennootschappen gelijk stelde aan onderworpen dochtervennootschappen; hij stelde daarmee vrijgestelde winst gelijk aan belaste winst, aldus een
mismatchcreërende tussen onbelaste deelnemingsvoordelen en aftrekbaarheid van rechtstreeks aan die onbelaste voordelen toerekenbare kosten. [1] Dergelijke fiscale coherentieverstorende rechtspraak lokt uiteraard uit tot constructies zoals de litigieuze.
tax capacityvan derden, gevolgd door aantrekken van een concernlening tot een zodanig bedrag dat in beginsel één rentetermijn die gekochte
tax capacitygeheel (binnensjaars) benut, en storting van het geleende geld als (hybride) kapitaal in een (Luxemburgse) groepsvennootschap wier winstuitkeringen onder de deelnemingsvrijstelling vallen. Nog korter gezegd: het gaat om het fiscaal elimineren van realisatiewinsten van derden. Het voordeel (de besparing van de vennootschapsbelasting over de realisatiewinsten van derden) werd gedeeld door de (groep van de) belanghebbenden, de derden (de verkopers van de belanghebbenden) en een tussenpersoon.
Bosal-arrest was de door de belanghebbenden verschuldigde rente aftrekbaar terwijl de door hen ontvangen dividenden waren vrijgesteld. De renteaftrek elimineerde hun realisatiewinsten.
in fraudem legishebben gehandeld: hij heeft de primitieve aanslagen gehandhaafd, behalve die ten laste van belanghebbende 10 omdat zij geen aangekochte winstvennootschap was. Zowel de belanghebbenden als de Staatssecretaris zijn in cassatie gekomen, allen zowel principaal als (voorwaardelijk) incidenteel.
fraus legisen de daaraan verbonden gevolgen, alsmede ‘s Hofs verwerping van hun beroep op EU-recht. De principale middelen van de Staatssecretaris richten zich tegen ‘s Hofs oordelen dat een nieuw feit en kwade trouw zouden ontbreken en dat het standpunt van de belanghebbenden (rente aftrekbaar) pleitbaar zou zijn. De voorwaardelijke incidentele middelen van de belanghebbenden zien op ‘s Hofs oordelen ter zake van het nieuwe feit en de (on)volledigheid van het procesdossier. De voorwaardelijke incidentele middelen van de Staatssecretaris zien op ‘s Hofs oordelen over de toepassing van art. 20a Wet Vpb, het al dan niet ontbreken van compenserende heffing en de kennisgevingen van de boeten. De belanghebbenden 8 en 10 hebben voorts nog individuele middelen aangevoerd.
fraus legisis voldaan. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat het samenstel van rechtshandelingen in strijd komt met doel en strekking van de Wet Vpb, waaronder art. 20a Wet Vpb (objectieve criterium van
fraus legis). Uit uw jurisprudentie en de parlementaire geschiedenis van art. 20a Wet Vpb leid ik af dat deze bepaling zich tot 1 januari 2011 niet verzette tegen resultaatsaldering binnen het jaar van aandeelhouderswisseling, zodat niet onaanvaardbaar in strijd met doel en strekking van die bepaling is gehandeld. Het zonder reële niet-fiscale betekenis afzetten van
bespokerentelasten tegen van derden aangekochte
tax capacityacht ik echter met het Hof strijdig met doel en strekking van de Wet Vpb. ’s Hofs oordeel dat het naar eigen inzicht manipuleerbare fiscale-winsteliminatiemechanisme van de belanghebbenden in strijd komt met de manifeste bedoeling van de vennootschapsbelastingwetgever, getuigt mijns inziens niet van een verkeerd rechtskundig inzicht. Het eerste middel van de belanghebbenden faalt.
fraus legis. Zoals uit het
semigrant-arrest HR
BNB1986/283 volgt, is correctie bij de verkopende partij niet aan de orde, nu de wetsontduiking niet zozeer in de winstrealisatie bij de gelieerde verkoop van de onderneming zit, maar in het bij elkaar brengen van de
Bosal-mismatchen aangekochte
tax capacityvan derden om aldus het
Bosalgat quasi-oneindig naar believen te vergroten, wat toch de verdienste van de [X] -groep is. Ook beperking van de correctie tot de (realisatie)winsten van vóór aandelenoverdracht acht ik niet aan de orde, nu de herdefiniëring van (rechts)handelingen die moet volgen op de bevinding van
fraus legisteneinde het misbruik te elimineren, leidt tot eliminatie van ofwel de aankoop van de belanghebbenden, ofwel de leningen, ofwel de rentebetalingen. In alle drie de gevallen is de volledige rente niet aftrekbaar.
hindsight biasof overstrekking van de onderzoeksplicht van de inspecteur is mijns inziens geen sprake, gezien (i) ’s Hofs minutieuze en gedetailleerde vaststelling van de gang van zaken vóór de aanslagregeling, (ii) de wetenschap van de Inspecteur van belanghebbendes intentie om ‘optimaal’ gebruik te maken van de
Bosal-mismatch, en (iii) het niet-bestaan van een verplichting tot
(advance) disclosurevan intenties of van een samenhangend fiscaal
master plan. Het bestaan van hetgeen de Staatssecretaris aanduidt als ‘verdienmodel’ is mijns inziens geen ‘feit’ in de zin van art. 16 AWR Pro, maar een kwalificatie of een conclusie die aan de volgens het Hof wel degelijk verstrekte feiten verbonden zou kunnen worden. Voor het overige lijkt mij ’s Hofs oordeel feitelijk, zeer uitvoerig gemotiveerd en geenszins onbegrijpelijk.
advance disclosurevan een (anti)fiscaal
master plan, noch vóór de aangifte, noch in de aangifte. Het antwoord in de aangifte dat transactions “(with group companies) in the ordinary course of business” hadden plaatsgevonden hoefde het Hof niet te kwalificeren als opzettelijk onjuiste informatieverstrekking. Het tweede principale middel van de Staatssecretaris faalt in zoverre.
if any) de belastingplichtige had toen hij in zijn aangifteformulier een standpunt innam, maar dat het er om gaat of er (al dan achteraf) zodanige argumenten zijn aan te voeren dat het (objectief) niet lichtvaardig zou zijn geweest om de aangifte te doen zoals gedaan als de belanghebbende toen die argumenten had bedacht. Een latere, of andere, onderbouwing van een standpunt in de aangifte is ook mogelijk. Dat is vaste rechtspraak: beide partijen kunnen in elke stand van het geding nieuwe of andere argumenten aanvoeren. Maar het is wel zaak om het standpunt te determineren waar het om gaat: (objectieve) pleitbaarheid van een standpunt staat niet in de weg aan opzet op te lage heffing als feitelijk komt vast te staan dat de belastingplichtige in werkelijkheid een
ander(
niet-pleitbaar) standpunt innam, zoals in HR
BNB2013/200 (belastbaarheid optie-toekenning) en HR BNB 2013/156 (belastbaarheid xtc-pillenhandel). Het Hof heeft mijns inziens geheel in overeenstemming met uw rechtspraak de pleitbaarheid van het standpunt van de belanghebbenden objectief beoordeeld. Ik zie, anders dan de Staatssecretaris, geen subjectivering van uw rechtspraak ter zake en meen overigens dat het gegeven dat de gewone rechtsvindingsmethoden niet werken en toevlucht tot
fraus legismoet worden genomen, impliceert dat het standpunt ook subjectief pleitbaar was. De fiscus heeft geen precedent aangewezen waaruit kan volgen dat de belanghebbenden van te voren hadden moeten weten dat renteaftrek onjuist zou zijn. Van een onjuiste bewijslastverdeling of innerlijk tegenstrijdig oordeel is mijns inziens geen sprake. Wel klaagt de Staatssecretaris terecht dat de kringen waarin iemand verkeert zijn standpunt niet pleitbaar of niet-pleitbaar maken, maar die overweging van het Hof draagt zijn oordeel niet. Pleitbaarheid is een rechtsoordeel dat de rechter zelf velt; het Hof was niet gehouden de door de belanghebbenden ingewonnen opinies te doen overleggen. Zij zouden hoogstens enige relevantie kunnen hebben als u op een subjectieve pleitbaarheidsbeoordeling zou willen overstappen, inhoudende dat een belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte in de subjectieve veronderstelling moest verkeren dat zijn standpunten pleitbaar waren en reeds op dat moment de feitelijke én juridische argumenten voor en tegen moet hebben bedacht (en tegen elkaar moet hebben afgewogen) die hij later aanvoert nadat de Inspecteur blijkt te corrigeren. Ik zie geen enkele aanleiding voor een dergelijke argumentenfuik, die onverenigbaar is met uw vaste en mijns inziens terechte rechtspraak dat beide partijen in elke stand van de fiscale bezwaar- en beroepsprocedure nieuwe of andere argumenten kunnen aanvoeren voor door hen ingenomen standpunten. Voor zover uw strafkamer in verband met de strafrechtelijke dolusdogmatiek pleitbaarheid meer subjectief opvat (ik ben daar overigens niet meteen van overtuigd op basis van HR
NJB2012/727), acht ik het niet wenselijk dat die benadering doordringt in het fiscale punitieve bestuursrecht, en daartoe bestaat ook geen enkele aanleiding, nu de strafkamer objectieve pleitbaarheid strafrechtelijk kan inpassen in het niet-voldaan zijn aan het strekkingsbestanddeel van art. 69 AWR Pro. Het derde principale middel van de Staatssecretaris faalt.
2.Feitenoverzicht; het geding in feitelijke instanties
A.G.( [X Group AG] ). Tot de groep behoorden de in London gedreven vaste inrichtingen
[X] London Branch( [X London Branch] ) en
[X International]( [X International] ). [X London Branch] trekt vreemd vermogen in de markt aan voor de [X] -groep. [X International] is wereldmarktleider in
over the counter derivative products. [2] Tot de groep behoorde ook de eveneens in het VK gevestigde
[X]Ltd. ( [X Ltd.] ), een effectenhandelaar/makelaar zonder banklicentie met een vaste inrichting in Nederland. [X Ltd.] was voor verkrijging van financiering afhankelijk van andere groepsonderdelen, met name van [X London Branch] . In Nederland behoorde voorts tot de groep
[X]B.V. [3] (Holdings BV), een kleindochter van [X Group AG] .
overnight(van dag tot dag) rechtstreeks door [X London Branch] gefinancierd. De belanghebbenden zijn aldus tussengeschoven in een bestaande geldstroom van [X London Branch] naar [X Ltd.] c.q. maakten het mogelijk die geldstroom te verbreden. Vereenvoudigd weergegeven zag het er als volgt uit:
Bosal-arrest van het HvJ EU (zaak C-168/01) was de betaalde rente aftrekbaar, terwijl de ontvangen dividenden onder de deelnemingsvrijstelling vielen. De in de belanghebbenden aanwezige realisatiewinsten vielen aldus - veelal binnen hetzelfde realisatiejaar - weg tegen hoge rentelasten, waardoor effectief de door die realisatiewinsten ontstane vennootschapsbelastingschulden werden geëlimineerd. De belanghebbenden hebben de leningen na hun winsteliminatie afgelost uit kapitaalterugbetalingen of uit de opbrengst bij verkoop van hun deelnemingen. De belanghebbenden zijn na gedane zaken bijna alle ‘weggefuseerd’.
fraudem legishadden gehandeld en dat de renteaftrek daarom geweigerd moest worden. Daaraan deed niet af (i) de belastingheffing bij [X London Branch] over de renteontvangsten, (ii) de parlementaire geschiedenis van art. 20a Wet Vpb of (iii) de door de belanghebbende gemaakte vergelijking met een binnenlandsituatie. De bevinding van
fraus legisleidde er volgens de Rechtbank toe dat de rentelasten van alle belanghebbenden behalve belanghebbende 10 moesten worden veronachtzaamd.
fraus legishun verdedigingsrechten niet schond. Door de rente in aftrek te brengen, hebben de belanghebbenden volgens de Rechtbank de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat hun aangiften onjuist zouden zijn of de aanslagen tot een te laag bedrag zouden worden vastgesteld. Omdat de Rechtbank het standpunt van de belanghebbenden niet pleitbaar achtte, heeft zij de vergrijpboeten gehandhaafd.
fraus legisaan die aftrek in de weg staat, behalve bij de belanghebbende 10 omdat zij geen aangekochte winstvennootschap is. Het Hof overwoog dat door de [X] -groep doelbewust gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om vrijwel naar willekeur en tot grote omvang geldstromen te orkestreren en als geldleningen vorm te geven om naar believen rentelasten op te roepen.
fraus legisleidt ertoe dat alle rentebetalingen van aftrek zijn uitgesloten, zowel die van vóór als die van na de overdracht van de aandelen in de belanghebbenden aan de [X] -groep, en ongeacht of de rente kan worden toegerekend aan andere baten dan de door de [X] -groep ‘gekochte’ winst van de belanghebbenden. Dat acht het Hof een door de belanghebbenden op de koop toe genomen neveneffect van het misbruik.
3.Het geding in cassatie
fraus legisen de door hem daaraan verbonden gevolgen. [8] De principale middelen van de Staatssecretaris richten zich tegen ‘s Hofs oordelen over een nieuw feit en kwade trouw zouden ontbreken en over de pleitbaarheid van het standpunt van de belanghebbenden dat aan vergrijpboeten in de weg zou staan. [9] De voorwaardelijke incidentele middelen van de belanghebbenden zien op ‘s Hofs oordelen ter zake van het nieuwe feit en de (on)volledigheid van het procesdossier. [10] De voorwaardelijke incidentele middelen van de Staatssecretaris zien op ‘s Hofs oordelen over de toepassing van art. 20a Wet Vpb, het al dan niet ontbreken van compenserende heffing in het VK en de kennisgevingen van de boeten. [11]
4.Fraus legis(principaalmiddel1vandebelanghebbenden1t/m5en8)
tax planningstructuur.
fraudem legishebben gehandeld (r.o. 4.4.8, 4.4.9 en 4.4.12), zodat ik eerst het eerste principale middel van de belanghebbenden behandel, dat dat oordeel bestrijdt.
fraus legiskunnen feitelijke en rechtshandelingen – voor de toepassing van het belastingrecht – genegeerd of gesubstitueerd worden als voldaan is aan twee cumulatieve voorwaarden: (i) het verbinden van de door de belastingplichtige beoogde fiscale gevolgen aan de door hem verrichte (rechts)handelingen leidt tot een resultaat dat strijdt met doel en strekking van de belastingwet (objectief criterium) en (ii) met de gestelde (rechts)handelingen wilde de belastingplichtige belastingheffing verijdelen (subjectief criterium). [12]
fraus legisalleen plaats is als de gewraakte rechtshandelingen zonder het belastingvoordeel achterwege zouden zijn gebleven. Aangezien de overwegingen van het Hof niet uitsluiten dat de financierings- en investeringsdoelen van (de groep van) de belanghebbenden ook zonder het belastingvoordeel voldoende waren om de structuur te creëren, kan niet worden gezegd dat het belastingvoordeel de doorslaggevende beweegreden is geweest, zodat ’s Hofs oordeel onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd is.
fraus legisinderdaad over belastingverijdeling als ‘doorslaggevende’ beweegreden. [13] Ik lees in ’s Hofs oordeel echter niet dat hij met zijn formulering iets anders zou bedoelen dan u. Het Hof heeft zich aangesloten bij het oordeel van de Rechtbank, die wél steeds spreekt over belastingverijdeling als ‘doorslaggevende’ beweegreden (Rechtbank, r.o. 4.18). Bovendien heeft ook het Hof zelf het elders in zijn uitspraak over belastingverijdeling als ‘doorslaggevende’ beweegreden (r.o. 4.4.12). Dit onderdeel gaat daarom mijns inziens uit van een onjuiste lezing en bestrijdt daardoor iets dat er niet is. Uit niets blijkt dat het Hof met de term ‘volstrekt overwegend’ een lagere toegangsdrempel tot
fraus legiswilde aanleggen dan u doet met ‘doorslaggevend’. In de literatuur heb ik overigens maar één bron gevonden die wezenlijk verschil ziet tussen de twee formuleringen. [14]
debt freezijn gekocht en dat het niet gaat om de motieven voor het uiteindelijke beleggings- of investeringsdoel, maar om de motieven voor het (anders dan fiscaal) onverklaard gebleven tussenschuiven van vreemde Nederlandse winstvennootschappen in de (buiten Nederland) reeds bestaande [X] -financierings- en beleggingsstructuur, welke vreemde Nederlandse vennootschappen dan ook grotendeels, en meteen na gedane belastingverijdeling, zijn weggefuseerd. Die omleiding bracht het doel van financiering van operationele activiteiten van de [X] -groep c.q. van het investeren in schuldpapier niet dichterbij dan het vóór die tussenschuiving was. In HR BNB 1996/4 [17] overwoog u dat een zakelijk doel (zoals in casu beleggingsopbrengst gefinancierd met lagere inleenrente) niet uitsluit dat in het samenstel van daartoe uitgevoerde rechtshandelingen daartoe niet-dienstige handelingen zijn begrepen (zoals in casu het tussenschuiven van vreemde winstvennootschappen vanwege hun
tax capacity) die leiden tot willekeurige en voortdurende verijdeling van heffing:
V-Nverwijst in haar aantekening [19] bij de Hofuitspraak naar haar aantekening [20] bij de uitspraak van de Rechtbank, waarin zij opmerkte:
NTFR2016/356 bij ’s Hofs oordeel over de toepassing van
fraus legis:
carry backvan de daardoor ontstane verliezen naar het winst/wisselingsjaar. De zaak van de belanghebbenden verschilt daarmee van gevallen zoals HR BNB 2014/171 e.v. (
fraus legisbij handel in HIR-lichamen); [30] in die zaken was het samenstel van (rechts)handelingen er op gericht een antimisbruikbepaling (art. 15e en het latere 12a Wet Vpb) te frustreren door gekunsteld tijdsvolgordelijk (rechts)handelen op het risico waarvan de wetgever tijdig gewezen was. Dat laatste achtte u geen beletsel om de desbetreffende (tekstueel onvoldoende gerepareerde) bepaling aldus uit te leggen dat het in strijd met haar doel en strekking was de overdracht van de HIR-vennootschap op gekunstelde wijze zó in te richten dat zij (ook) niet door de reparatie werd getroffen. Ik merk voorts op dat het na structuurimplementatie gewezen arrest HR BNB 2009/42 het standpunt van de belanghebbenden steunde.
fraus legis. [32] Die jurisprudentie heb ik als volgt samengevat: [33]
BNB1987/234: [37]
BNB1996/4 volgt dat willekeurige manipuleerbaarheid van de omvang van de belastingschuld in strijd komt met doel en strekking van de desbetreffende belastingwet, hoezeer ook in zijn geheel bezien, zakelijke doeleinden worden beoogd, zoals de financierings- en investeringsdoeleinden van de belanghebbenden:
BNB1993/197 overwoog u: [46]
Bosal-mismatch, resulterende in aftrekbare financieringslasten tegenover onbelaste deelnemingsresultaten. Dat is op zichzelf nog geen
fraus legis. Recent nog oordeelde u dat in het systeem van de Wet Vpb besloten ligt dat belastingplichtigen vrij zijn in hun keuze van financiering met eigen of vreemd vermogen van hun deelnemingen en in hun keuze om economische belangen en (financiële) middelen onder te brengen in een in Nederland gevestigde vennootschap. [48]
Bosalgat kunstmatig véél groter gemaakt en quasi-oneindig; een fiscaal zwart gat, als het ware. ’s Hofs feitelijke oordeel dat [X London Branch] ’s toegang tot de kapitaalmarkt weliswaar niet onbeperkt was, maar feitelijk voldoende om de structuur vrijwel naar willekeur te herhalen, acht ik geenszins onbegrijpelijk, mede gezien het gegeven dat vier volgtijdige rondjes à € 4,5 miljard plaatsvonden. Zolang er winstvennootschappen van derden gevonden konden worden, kon de winsteliminatiemachine blijven draaien. Dat geen oneindige financieringsbehoefte bestond en/omdat er ook geen oneindige investeringsmogelijkheden waren, is mijns inziens niet relevant. Relevant is dat de alleen fiscaal verklaarbare omleiding langs een zeer ruim potentieel van naar wens inkoopbare
tax capacityertoe strekte om de door de wetgever manifest wél bedoelde vennootschapsbelastingheffing over realisatiewinsten van derden naar eigen inzicht op industriële schaal te frustreren en dat zulks feitelijk ook gebeurde.
tax capacity, ook bij de belanghebbenden 4 en 5. Of die
capacityis ontstaan door een gelieerde of een ongelieerde realisatie van hun meerwaarden, is voor de beoogde kunstmatige opschaling van het
Bosalgat
neither here nor there.
fraus legisjurisprudentie heeft gecodificeerd in bepalingen zoals die over grondslaguitholling (art. 10a Wet Vpb), onderkapitalisatie (art. 10d (oud) Wet Vpb) en houdsterverliezen (art. 20(4) Wet Vpb), is daarvoor mijns inziens niet relevant. [49] Ik merk overigens op dat uit de parlementaire geschiedenis van art. 20a Wet Vpb wel expliciet blijkt dat de wetgever handel in fiscale verliezen en winsten van derden niet wenselijk achtte.
Bosal-mismatchslechts gebruikt hadden om heffing over de bestaande eigen operationele winst van de [X] -groep in Nederland te verijdelen met gebruikmaking van reeds bestaande financieringsbehoefte. De
fraus legiszit in het naar believen extern inkopen van bedrijfsvreemde
tax capacityen die opvullen met evenzeer naar believen daarop afstembare rentelasten.
red herring. Het gaat immers niet om de rente (ook los van de constructie was rente verschuldigd in de reeds bestaande financieringsstructuur), maar om de aankoop van
tax capacityen het naar hartenlust bij elkaar brengen van
bespokerenteaftrek en die gekochte
tax capacity. Zoals de Rechtbank terecht heeft overwogen (waarnaar het Hof verwijst, r.o. 4.4.9), compenseerde de Britse heffing niets, nu zij bestond geheel los van de omleiding via de belanghebbenden, dus ook vóór renteaftrek in Nederland, dus ook vóór er iets te compenseren viel. De Rechtbank heeft overwogen (r.o. 4.20):
BNB1993/197 volgt voorts naar analogie dat van een relevante compenserende heffing geen sprake meer is als rente in strijd met doel en strekking van de wet wordt afgezet tegen kunstmatig van derden verworven winsten. Nu het in HR
BNB1993/197 ging om een beweerdelijk compenserende heffing in Nederland, kan bovendien niet worden gezegd dat de thans te beoordelen zaak anders zou zijn uitgepakt als [X London Branch] in Nederland zou zijn gevestigd geweest. Daar doet niet aan af dat de zaken van de belanghebbenden verschillen van HR
BNB1993/197 in die zin dat in het in dat arrest ging om een agiostorting zonder reële praktische betekenis die werd teruggeleend. Het gaat bij de belanghebbenden immers om het zonder reële niet-fiscale betekenis naar hartenlust bij elkaar brengen van
bespokerenteaftrek en van derden gekochte
tax capacity.
5.EU-recht (principaal middel 2 van de belanghebbenden 1 t/m 5 en 8)
fraus legisin casu het genot van een EU-verkeersvrijheid belemmeren, dan kan zij gerechtvaardigd worden uit hoofde van een dwingende reden van algemeen belang, zoals voorkoming van misbruik van recht, met name voorkoming van verijdeling van belasting die normaliter verschuldigd is over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied.
Marks & Spencer II [51] (over de beperking van de Britse
group relieftot in het VK onderworpen groepsvennootschappen) overwoog het HvJ EU:
Cadbury Schweppes(over de Britse CFC-wetgeving), [52] waarin hij bovendien de algemene misbruikcriteria uit de zaak
Emsland-Stärkeherhaalde:
Oy AA [53] (over het Zweedse groepsbijdragestelsel) overwoog het HvJ EU daarover als volgt:
SGI [54] (over de Belgische armslengtewetgeving, die alleen voor grensoverschrijdende gevallen gold) overwoog het HvJ dat een regeling die niet specifiek gericht is tegen volstrekt kunstmatige constructies, kan worden gerechtvaardigd door de noodzaak grondslaguitholling te voorkomen:
fraus legisper definitie is toegespitst op het concrete misbruik in de omstandigheden van het concrete geval en die toepassing het misbruik wegneemt door herstel van de situatie zoals die geweest zou zijn zonder het misbruik, is ook voldaan aan de geschiktheids- en evenredigheidseisen. Zoals het HvJ EU overwoog in de BTW-misbruikzaak Halifax a.o. [55] :
Bosalgat door naar wens renteaftrek naar de belanghebbenden te leiden (zie ook de behandeling van principaal middel 4 van de belanghebbenden 1 t/m 5 en 8 in onderdeel 6 hieronder).
De omvang van de correctie (principaal middel 3 van de belanghebbenden 1 t/m 3 en 8 en principaal middel 4 van de belanghebbenden 1 t/m 5 en 8):
fraus legishet gevolg verbonden dat alle rentelasten van de belanghebbenden jegens (uiteindelijk) [X London Branch] moeten worden genegeerd. [56] De belanghebbenden brengen daartegen twee middelen in: er wordt bij de verkeerde partij gecorrigeerd: er moet gecorrigeerd worden bij de winstvennootschap-verkopende partijen (middel 3), althans de correctie moet beperkt blijven tot de saldering van de rente met vóór aandelenoverdracht gerealiseerde winst (middel 4).
fraus legiskan leiden tot (i) substitutie of (ii) eliminatie van (iii) rechtshandelingen of (iv) feitelijke handelingen. Welk gevolg moet worden gekozen wordt bepaald door de vraag welke keuze het beste de toestand benadert die bestaan zou hebben als het misbruik achterwege zou zijn gebleven c.q. als op basis van zakelijke overwegingen gehandeld zou zijn.
BNB1993/111 [59] overwoog u dat het op grond van
fraus legisveronachtzamen van rentebetalingen er toe leidt dat ook op die veronachtzaamde rente terug te voeren inkomsten veronachtzaamd worden:
fraus legisnoopt er volgens de belanghebbenden toe dat de aan het begin van de
frauslegiaansereeks staande rechtshandelingen als eerste worden weggedacht. [60]
fraus legisjegens derden die belang hebben bij de frauslegiaanse rechtshandelingen is niet uitgesloten, [61] maar hun betrokkenheid of belang brengt geenszins mee dat correctie slechts bij hen zou kunnen plaatsvinden. In de zaak HR
BNB1986/283 [62] verkocht de belanghebbende zijn levensverzekering onbelast aan een inwoner van wie hij wist dat deze kort daarna zou emigreren en daarna zou afkopen. Daar hadden beide partijen frauslegiaans voordeel bij in vergelijking met de situatie waarin de belastingclaim op de waarde van de polis in mindering had moeten worden gebracht. Dat ook de kopende semigrant voordeel had, nam niet weg dat de wetsontduiking werd gecorrigeerd door de polisverkoop bij de verkoper aan te merken als (belaste) verkoop aan een niet-inwoner.
Bosal-mismatch(renteaftrek tegenover onbelaste deelnemingsvoordelen) en georganiseerde
tax capacityvan derden om aldus het
Bosalgat quasi-oneindig naar believen op te blazen en dat dit (nagenoeg één-op-één) bij elkaar brengen en organiseren toch de verdienste van (het concern van) de belanghebbenden is. Dat de belanghebbenden geen activa zouden hebben verkocht als zij niet vervolgens door de [X] -groep zouden zijn aangekocht, [63] steunt eerder het standpunt van de fiscus dan dat van de belanghebbenden.
Bosalgat naar eigen believen te quasi-veroneindigen. De eerste klacht faalt mijns inziens.
fraus legisook toegepast moet worden ter zake van na de aandelenoverdracht nog door de desbetreffende belanghebbenden behaalde ‘lopende’ winst (voornamelijk rendement op eigen vermogen). Dat het zou gaan om een op de koop toe genomen neveneffect, achten de belanghebbenden onbegrijpelijk.
Bosal-mismatchen de middelen om het
Bosalgat naar eigen inzicht te quasi-veroneindigen. Dat mogelijk door de belanghebbenden nog enige beleggingswinst werd gemaakt ná hun aankoop, neemt niet weg dat het niet om eigen operationele winsten van de [X] -groep ging, maar om (een neveneffect van) aangekochte winst die even zeer als de pre-aandelenoverdrachts-realisatiewinsten uitsluitend als gevolg van de frauslegiaanse handelingen niet belast zou kunnen worden. Het Hof heeft er kennelijk voor gekozen om niet de aankoop van de belanghebbenden te veronachtzamen, of hun aangaan van de leningen, maar alleen de rentebetalingen op de leningen. Dat is één van de mogelijkheden die de bevinding van
fraus legisbiedt. Het gaat er om welke keuze van substitutie of eliminatie van (rechts)handeling(en) het beste het misbruik wegneemt. Het Hof heeft mijns inziens terecht gekozen voor de minst ver gaande ingreep (een zo beperkt mogelijke ‘herdefiniëring’ van (rechts)handelingen om de situatie zonder misbruik te benaderen). Hij had de aankoop van de belanghebbenden door de [X] -groep kunnen veronachtzamen. Alsdan zouden zij geen leningen aangegaan zijn bij de [X] -groep en zou er dus geen renteaftrek zijn geweest. Hun beleggingswinsten zouden dan belast zijn geweest. Het Hof had ook de leningen kunnen negeren, hetgeen eveneens leidt tot heffing over de beleggingswinst en evenmin leidt tot renteaftrek. Hij kon, tenslotte, zoals hij gedaan heeft, zo dicht mogelijk bij de civielrechtelijke werkelijkheid blijven en alleen de rentebetalingen op de leningen veronachtzamen. [65] Die keuze getuigt geenszins van een onjuiste rechtsopvatting en leidt niet tot een hogere belasting dan er geweest zou zijn zonder de frauslegiaanse handelingen. Het Hof hoefde dus geen aanleiding te zien om de belastingverijdeling ter zake van efemere concomitante opbrengst van aangekocht fiscaal beclaimd eigen vermogen wél te laten doorgaan, hoezeer ook bijkomend. In ’s Hofs ‘op de koop toe’-oordeel kan men desgewenst lezen dat de belanghebbenden ook, zij het slechts voorwaardelijk, opzet hadden op die bijkomende verijdeling.
Bosal-mismatch, maar niet op het wegpoetsen van “gekochte/eigen” winsten met “naar willekeur gecreëerde leningen”. Dat was op dat moment niet waarschijnlijk. Met zijn andersluidende oordeel geeft het Hof blijk van
hindsight biasdie een onjuiste rechtsopvatting inhoudt over de reikwijdte van de onderzoekplicht van de inspecteur (de Staatssecretaris gebruikt slechts de term ‘hindsight’, maar aangezien vrijwel elk rechterlijk oordeel – behalve dat van de voorzieningenrechter -
in hindsightwordt geveld (aldus ook de belanghebbende) ga ik ervan uit dat de Staatssecretaris het oog heeft op
hindsight bias; anders is er geen zinvolle klacht). De inspecteur hoefde in redelijkheid niet te twijfelen aan de aftrekbaarheid van ‘
Bosal-rente’. Hij is op het verkeerde been gezet door de mededelingen in de aangiften dat sprake zou zijn van transacties met gelieerde partijen binnen het gewone bankbedrijf (‘in the ordinary course of business’).
fraus legiste bestrijden – (kennelijk) achterliggende (tax planning) structuur, onjuist waren’, hoewel hij anderzijds het standpunt van de belanghebbenden juist pleitbaar acht, namelijk (zie r.o. 4.5.6) ‘gelet op de stand van de jurisprudentie en heersende leer, in die mate juridisch pleitbaar of verdedigbaar (…) dat belanghebbenden redelijkerwijs konden menen juist te handelen’. Als de belanghebbenden op basis van hun volledige kennis van zaken van de juistheid van hun standpunt mochten uitgaan, mocht ook de Inspecteur – die minder volledige kennis bezat – van die juistheid uitgaan, aldus de Staatssecretaris.
self-assessment; doe-het-zelf belastingen) en waarbij in beginsel elk feit nieuw is voor de Inspecteur omdat van aanslagregeling of feitenonderzoek door hem geen sprake is geweest, zodat hij bij – na controle of anderszins - gebleken onjuiste voldoening of afdracht op aangifte in beginsel onbeperkt kan naheffen mits binnen de grenzen van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Er zijn er die menen dat die beginselen ook bij navordering van aanslagbelastingen het beoordelingskader zouden moeten vormen in plaats van de tijd- en energievretende complicaties en stapelingen van arbitraire beoordelingen die voortvloeien uit de (rechtspraak over de) eis van een nieuw feit dan wel kwade trouw. [68] De wetgever heeft echter vastgehouden aan het onderscheid tussen aanslag- en aangiftebelastingen en bovendien vastgehouden (behoudens de latere invoering van het kwade trouw criterium) aan een beoordeling van de taakvervulling en de (on)oplettendheid van de Inspecteur in plaats van een beoordeling op basis van de vraag of de belastingplichtige in redelijkheid kon vertrouwen op het definitief zijn van de hem opgelegde aanslag. De wetgever heeft er evenmin voor gekozen van de vennootschapsbelasting een aangiftebelasting te maken in plaats van een aanslagbelasting. [69]
Bosal-mismatchdoor de belanghebbenden. Het standpunt van de fiscus komt er op neer dat de belanghebbenden hadden moeten melden dat zij niet aangekocht zouden zijn door de Nederlandse tak van de [X] -groep als het niet de bedoeling was geweest om het
Bosalgat te vergroten met hun realisatiewinsten en het fiscale voordeel daarvan te delen met hun voormalige aandeelhouders en eventuele intermediairs ( [A] ). Die benadering impliceert echter een beoordeling op basis van een zeer beperkt vertrouwensbeginsel, welke beoordeling duidelijk niet gekozen is door de wetgever, die - behalve in geval van kwade trouw - niet een beoordeling van de gerechtvaardigdheid van de verwachtingen van de belastingplichtige wenst, maar van de taakvervulling, de (on)oplettendheid, de gewenste mate van achterdocht en de twijfelredenen van de Inspecteur. De benadering van de fiscus in deze zaak lijkt uit te gaan van het bestaan van een verplichting tot (
advance)
disclosurevan belastingontwijkingsstructuren zoals die in de VS en in het VK bestaat. [70] Een dergelijke verplichting bestaat echter niet in Nederland.
BNB2004/622 [72] en HR
BNB2013/221 [73] volgt dat voor de vraag of zich een navordering rechtvaardigend feit voordoet, slechts relevant is (zie ook 7.6 hierboven) of de bevoegde inspecteur of een persoon voor wiens handelen hij verantwoordelijk is, met dat feit bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn. De term ‘redelijkerwijs’ geeft aan dat van de inspecteur geen extreme oplettendheid wordt verwacht. [74] Hij moet volgens vaste jurisprudentie [75] met inachtneming van normale zorgvuldigheid kennis nemen van de aangifte, en mag in beginsel vertrouwen op de juistheid van aangegeven feiten in een verzorgd uitziende aangifte. Tot verder onderzoek is de inspecteur slechts verplicht als hij aan de juistheid van enig in de aangifte opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. [76] In HR
BNB2008/281 [77] overwoog u:
BNB1996/115 [79] volgt dat de inspecteur de aangifte moet vergelijken met de gegevens die - ten tijde van de aanslagregeling [80] - in het dossier van de belastingplichtige ter inspectie aanwezig zijn, waaronder de aangiften en aanslagen over vorige jaren, renseignementen en controlerapporten. In HR
BNB1987/236 [81] overwoog u dat in het algemeen niet van de fiscus kan worden gevergd dat ter inspectie aanwezige maar niet voor de onderwerpelijke aangifte van belang zijnde, en bovendien niet in het dossier van de belanghebbende aanwezige gegevens worden geraadpleegd. Het ging in dat geval om de aangifte over een later jaar. In HR
BNB2015/166, [82] over een aanslag IB/PVV van een firmant in een v.o.f., oordeelde u dat de inspecteur niet verplicht is dossiers te raadplegen die zijn aangelegd voor andere belastingplichtigen of andere belastingen, ook al zouden daarin mogelijkerwijs gegevens kunnen worden aangetroffen die voor het regelen van de aanslag van belang kunnen zijn. Slechts indien in het dossier aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven, is de inspecteur gehouden tot een onderzoek buiten het dossier. In HR
BNB1999/445 [83] oordeelde u dat een geïntegreerde werkwijze van de Belastingdienst tot gevolg kan hebben dat tot de te raadplegen gegevens ook behoort de aangifte vennootschapsbelasting van een met de directeur/grootaandeelhouder (dga) verbonden vennootschap. [84] HR
BNB2002/38 [85] hield in dat de inspecteur pas nader onderzoek hoefde in te stellen toen bij de BV een omvangrijke wijziging van de rekening-courantschuld kon worden waargenomen hoewel de dga geen aangifte inkomstenbelasting had gedaan. In HR
BNB2005/178 [86] overwoog u dat een geïntegreerde werkwijze meebrengt dat een tot het geïntegreerde team behorende ambtenaar zijn teamgenoot in kennis stelt van hem bij zijn beoordeling van een aangifte (IB) opvallende veranderingen als hij redelijkerwijs het mogelijke belang moet inzien van het attenderen van die teamgenoot in verband met de aanslagregeling (Vpb) waarmee die teamgenoot is belast. Uit HR
BNB 2002/405 [87] volgt dat als de inspecteur vóór het opleggen van de aanslag een onderzoek begint (in het geval van deze casus een onderzoek naar de woonplaats), hij kennelijk twijfelde aan de juistheid van de aangifte op dat punt zodat hij de aanslag in beginsel niet conform aangifte kan opleggen. Legt hij toch een aanslag op zonder de uitkomsten van dat onderzoek af te wachten, dan volgt uit HR
BNB2014/230 [88] dat hij een ambtelijk verzuim begaat. [89]
BNB1955/214 [90] voerde de inspecteur als grond voor navordering aan een sterk van de bekende normen afwijkend bruto winstpercentage. Indien zo’n afwijkend percentage reeds uit de aangifte en de daarbij gevoegde bescheiden bleek, was een aanvullend onderzoek volgens u geboden geweest.
BNB2013/181 [94] (over een aanvankelijk aanvaard laag brutowinstpercentage van een coffeeshophouder) waarin u overwoog:
counterfactualwereld als de Inspecteur wél een onderzoek was begonnen (wat zou daar dan uit gekomen zijn?) en in de vraag naar denkbare
niet-onwaarschijnlijke andere,
welaanvaardbare scenario’s; een en ander met weinig rechtsgevoel bevredigend resultaat.
in hindsight(ik lees: met
hindsight bias) heeft geoordeeld. Als deze klacht inhoudt dat het Hof de opmerkzaamheid van de Inspecteur naar het verkeerde tijdstip heeft beoordeeld (niet naar het moment van aanslagregeling), meen ik dat ’s Hofs oordeel geen feitelijke grondslag voor die klacht biedt. Het Hof heeft geoordeeld dat bij de Inspecteur – mede gegeven de eerdere bespreking over de kapitaalsbelasting - twijfel had moeten rijzen als hij met een normale zorgvuldigheid van de inhoud van de aangiften kennis had genomen, waaruit noodzakelijkerwijs volgt dat hij de onderzoekplicht heeft beoordeeld naar het moment van kennisneming van de aangifte; ik zie geen aanwijzingen dat het Hof een ander beoordelingstijdstip heeft gekozen. Dat niet
alleinformatie de inspecteur bekend was ten tijde van de aanslagregeling, is niet relevant. Uit ’s Hofs overwegingen volgt dat naar zijn feitelijke oordeel de door de fiscus achteraf als relevante samenhang beschouwde omstandigheden bij nader onderzoek redelijkerwijs aan het licht zouden zijn gekomen. Als deze klacht inhoudt dat het Hof zijn oordeel over de taakvervulling van de Inspecteur bij de aanslagregeling ten onrechte heeft laten beïnvloeden door zijn achterafkennis van zowel vork als steel, welke kennis de Inspecteur niet bezat, zie ik evenmin feitelijk grondslag in ’s Hofs oordeel. Het Hof is minutieus – tien dichtbedrukte bladzijden lang - nagegaan, aan de hand van de vóór de aanslagregeling in de systemen van de fiscus vastliggende informatie en van de in de aangiften verstrekte informatie, wie wanneer wat geweten moet hebben, had moeten beseffen, had moeten betwijfelen c.q. had moeten onderzoeken, en hij heeft uitgebreid gemotiveerd waarom. Ik zie geen aanwijzingen dat ’s Hofs gedetailleerde oordeel besmet zou zijn door “de gedachte, dat in de achteruitkijkspiegel iedereen een vooruitziende blik heeft”. [96] In wezen bestrijdt ook deze klacht mijns inziens slechts een feitelijk oordeel en niet een juridische maatstaf. Zelfs als wél sprake zou zijn van
hindsight bias, zou dat dus niet wegnemen dat het – behoudens motiveringsgebrek - om een cassatie onaantastbaar oordeel gaat.
advance) disclosurevan motieven of
tax planningstructuren. De Inspecteur moet in het door de Nederlandse wetgever gekozen stelsel zelf de puntjes verbinden en zo nodig naar schijnbaar ontbrekende puntjes vragen, en zelf de feiten en rechtshandelingen kwalificeren als al dan niet ‘antifiscaal’ of ‘verdienmodel’.
Bosal-mismatch‘optimaal’ gebruik werd gemaakt – hetgeen hij in combinatie met de vermijding van kapitaalsbelasting reeds toen als ‘onsympathiek’ aanmerkte - en gegeven de zeer vele en gedetailleerde overige feitelijke vaststellingen door het Hof, is evenmin onbegrijpelijk ’s Hofs oordeel dat de Inspecteur er niet zonder meer van kon uitgaan dat er niet-onwaarschijnlijke andere verklaringen waren voor onder meer de uit de aangiften blijkende vergelijkbare omvang van de binnen één jaar optredende realisatiewinst van de aangekochte vennootschappen en hun door vers aangegane en opvallend omvangrijke intraconcernleningen opgeroepen rentelasten. Onduidelijk is ook welke andere niet-onwaarschijnlijke verklaringen dan het – de inspecteur bekende - uitmelken van de
Bosal-mismatchdat zouden zijn. Vermijding van Luxemburgse kapitaalsbelasting kan die opvallende getalsmatige gelijkheid tussen van derden aangekochte realisatiewinst en rentelast niet verklaren. ’s Hofs feitelijke oordeel houdt in dat het onwaarschijnlijk was dat er géén samenhang bestond tussen de aan de Inspecteur uit de bespreking c.a. en de aangiften blijkende opvallende feiten en omstandigheden.
hindsight bias. De Staatssecretaris meent dat de Inspecteur geen samenhang hoefde te zien tussen de hem volgens ’s Hofs vaststellingen bekende feiten en (dus) geen
fraus legishoefde te vermoeden, maar het Hof is nu eenmaal – zeer uitgebreid gemotiveerd en geenszins onnavolgbaar - tot een andere beoordeling van de feiten gekomen.
fraudem legisverweten kan worden. Maar hoe meer uitzonderingen, hoe zinlozer het handhaven van een beoordeling op basis van de taakvervulling door de Inspecteur en hoe voor de hand liggender een beoordeling op basis van de vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginselen.
fraus legis) en 2 (niet-overlegging van op de zaak betrekking hebbende stukken).
BNB2003/95: [100]
BNB2011/59 gaat Van Eijsden in op informatieverstrekking buiten de aangifte. Hij meent dat kwade trouw zich slechts kan voordoen als een wettelijke verplichting tot informatieverstrekking bestaat:
BNB2010/296 [103] volgt dat u informatieverstrekking in de aangifte onderscheidt van informatieverstrekking in ander kader. U achtte openheid tijdens een vooroverleg niet van belang voor de beoordeling of de belanghebbende kwade trouw bij het doen van aangifte kon worden verweten:
BNB2010/296:
tax-planningstructuur ging die gericht was op verijdeling van heffing over van derden gekochte winsten, om een “U-bocht”, om schulden die in duur en omvang waren afgestemd op de te elimineren belastingschulden, om een ‘verdienmodel’. In de aangifte zou die informatie ten onrechte niet zijn opgenomen en zou misleidend zijn vermeld dat de met ‘group companies’ aangegane transacties waren verricht ‘in the ordinary course of business’.
i.e.het feit dat “grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag (…) tot een te laag bedrag is vastgesteld.” De vraag rijst of de kwade trouw die de Staatssecretaris stelt, zich voordoet met betrekking tot een zodanig “feit”. Is het bestaan van een ‘verdienmodel’ een zodanig feit? Is het motief voor een samenstel van (wél bekend gemaakte) rechtshandelingen een dergelijk feit? Het verwijt komt er mijns inziens op neer dat de belanghebbenden gezwegen hebben over hun antifiscale motieven (ten dele, want het was de Inspecteur wél bekend dat ‘optimaal’ gebruik werd gemaakt van de
Bosal-mismatch, hetgeen hij in combinatie met de vermijding van kapitaalsbelasting ‘onsympathiek’ achtte) c.q. over het antifiscale
verbandtussen (wél verstrekte) gegevens, welk antifiscale verband er volgens de belanghebbenden overigens ‘van af droop’ (verweerschrift in cassatie van 8 april 2016, gemeenschappelijke bijlage, p. 8).
BNB2008/206:
advance disclosurevan een (anti)fiscaal
master planbestaat. Uit het door het Hof – in het verband van pleitbaarheid van belanghebbendes standpunt - aangehaalde arrest HR
BNB1993/193 (zie 9.5 hieronder) blijkt dat een mogelijk (niet-)belastingplichtige niet verplicht is om het initiatief te nemen om met de fiscus tot overleg aangaande haar fiscale positie te komen. Zelfs in geval van een informatievordering ex art. 47 AWR Pro bestaat geen verplichting om de inspecteur over alle
ins en outsvan een fiscale structuur voor te lichten als hij daar niet specifiek naar vraagt. Evenmin is gesteld of gebleken dat de belanghebbenden op grond van een convenant in het kader van horizontaal toezicht gehouden waren tot proactieve informatieverstrekking. [107] U heeft in HR
BNB2006/21 [108] bovendien geoordeeld dat art. 47 AWR Pro zich niet uitstrekt tot fiscale adviezen, ook niet tot de feitelijke onderdelen van die adviezen:
master planin kennis te stellen, opdat de (latere) discussie slechts een fiscaal-rechtskundige zou zijn, maar daartoe gehouden waren zij mijns inziens niet. Gezien het bovenstaande heeft het Hof mijns inziens geen verkeerde maatstaf aangelegd ter zake van kwade trouw buiten de aangifte. Ook overigens zie ik geen verkeerde rechtsopvatting. Dan resteert een feitelijk oordeel dat in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst en dat volgens mij geenszins onvoldoende is gemotiveerd.
inde aangifte komt het middel er op neer dat de belanghebbenden gehouden waren de in 8.12 genoemde informatie in hun aangiften op te nemen. Het aangifteformulier vraagt daar echter niet naar en ik zie dan ook geen rechtskundig onjuist inzicht in ’s Hofs oordeel (r.o. 4.2.26) ‘dat belanghebbenden niet gehouden waren – gelet op het (objectief) pleitbare standpunt dat de geclaimde renteaftrek diende te worden verleend – in hun aangiften (spontaan) inzicht te verschaffen in de (potentiële) samenhang tussen de verrichte rechtshandelingen alsmede de bestemming van door de buitenlandse deelnemingen gepleegde investeringen (“de uiteindelijke bestemming van de gelden”)’. Dan resteert – behoudens de samenhang met ’s Hofs in onderdeel 9 te behandelen oordeel dat belanghebbendes standpunt pleitbaar was - de kennelijke stelling dat van opzettelijk onjuiste informatie of opzettelijk onthouding van informatie sprake was bij de beantwoording van de vraag in het formulier naar transacties met gelieerde partijen, waarop de belanghebbenden hebben geantwoord dat transacties waren verricht “(with group companies) in the ordinary course of business”. De belanghebbenden zijn – met fiscaal motief, zeker, maar dat hoeft niet spontaan gemeld te worden - tussengeschoven in de ook zonder hen reeds bestaande geldstroom tussen [X London Branch] en [X Ltd.] . In zoverre lijkt sprake van
ordinary course of business. Anders dan de Staassecretaris suggereert, suggereert het gegeven antwoord niet dat de ‘ordinary business’ van de belanghebbenden (slechts) ‘het bankbedrijf’ zou zijn. Gegeven het niet-bestaan van een verplichting tot het spontaan melden van fiscale motieven van transacties of tot (
advance)
disclosurevan een fiscaal
master plan, waar het formulier dan ook niet naar vraagt, rijst de vraag tot welk antwoord de belanghebbenden hier volgens de Staatssecretaris verplicht waren. De Inspecteur was al tijdens de bespreking over de kapitaalsbelasting op de hoogte van de voorgenomen
businessom ‘optimaal’ en ‘onsympathiek’ gebruik te maken van de
Bosal-mismatch. Uit de door het Hof geciteerde gespreksverslagen blijkt dat de belanghebbenden ook hebben ‘acknowledged’ dat gebruik werd gemaakt van de
Bosal-mismatch. De Staatssecretaris kan toegegeven worden dat de door hem gewraakte beantwoording op het formulier als ontwijkend kan worden beleefd, maar dat is nog geen opzet op valse informatie of opzettelijke verzwijging; dat de belanghebbenden fiscaalrechtelijk niet op ‘sympathiek’ gedrag betrapt kunnen worden, had de Inspecteur reeds vastgesteld tijdens de bespreking over de kapitaalsbelasting.
samenhang(van een ‘verdienmodel’) binnen de feitelijke informatie die de aangiften wel degelijk bevatten, welke antifiscale samenhang (het
master plan) de belanghebbenden niet verplicht waren uit de doeken te doen. Het aangifteformulier vraagt niet naar antifiscale verdienmodellen. De wetgever zou dat anders kunnen regelen, zoals de Amerikaanse en Britse wetgevers hebben gedaan door (niet-verschoningsgerechtigde) belastingadviseurs en belastingplichtigen te verplichten tot
advance disclosurevan in de wet genoemde soorten fiscale structuren, op straffe van boeten. De Amerikaanse belastingdienst heeft als gevolg daarvan overigens last van te veel meldingen door adviseurs c.q. belastingplichtigen die – dat ligt ook voor de hand - het zekere voor het onzekere nemen om boeten te vermijden, als gevolg waarvan thans overwogen wordt om naast boeten wegens niet-melden ook boeten te voorzien bij
overreporting. [109]
nietpleitbaar was, aftrek desondanks niet slechts grove schuld aan maar (voorwaardelijk) opzet op onjuiste informatieverstrekking in de aangifte oplevert.
9.(Geen) pleitbaar standpunt (principaal middel 3 van de Staatssecretaris)
Het bestreden oordeel
V-N2015/53.10 tekende hierbij aan:
BNB2013/200 zou kunnen worden afgeleid dat u (inmiddels) subjectief, althans subjectiever dan voorheen toetst, net als - aldus de staatssecretaris - uw strafkamer bij de vraag of het vereiste opzet op onjuistheid van de aangifte bij de verdachte belastingplichtige bestond; (ii) ‘s Hofs bevinding van objectieve pleitbaarheid is niet begrijpelijk omdat zijn overweging (‘dat de onderhavige grootschalige tax planning structuur zozeer in strijd komt met doel en strekking van de Wet Vpb 1969, waaronder artikel 20a van die wet, dat zij in haar beoogde fiscale gevolgen dient te worden getroffen door toepassing van het leerstuk van fraus legis’) impliceert dat het standpunt van de belanghebbenden objectief niet pleitbaar was. Dat het objectief pleitbaar zou zijn om gekunsteld rentelasten te creëren en af te zetten tegen aangekochte winsten, acht de Staatssecretaris een onjuist, althans onbegrijpelijk oordeel; de belanghebbenden hebben ook niet verwezen naar jurisprudentie of literatuur die op pleitbaarheid wijst. Uit de wetsgeschiedenis volgt die pleitbaarheid evenmin; (iii) het Hof heeft ten onrechte meegewogen dat ten tijde van het opzetten van de structuur in de maatschappelijke kringen waarvan de belanghebbenden en hun adviseurs deel uitmaakten, dergelijke structuren als legaal en toelaatbaar werden beschouwd. Die beoordelingsmaatstaf acht de Staatssecretaris onjuist. Bovendien heeft het Hof niet vermeld aan welke bron het die kennis over het maatschappelijke klimaat ontleent, heeft hij kennisneming van de door de belanghebbende verkregen opinies niet relevant geacht en is niet van algemene bekendheid dat structuren zoals de litigieuze in het maatschappelijke klimaat van toen als legaal en toelaatbaar werden beschouwd; dat hebben de belanghebbenden trouwens ook niet betoogd of aannemelijk gemaakt. De Staatssecretaris acht ‘s Hofs oordeel daarom niet-begrijpelijk. Zou het Hof zich hebben gebaseerd op eigen wetenschap, dan zou hij de partijen de gelegenheid hebben moeten bieden zich daarover uit te laten. [111] (iv) Bij zijn afwijzing (r.o. 4.5.7) van het verzoek van de Inspecteur om de belanghebbenden te vragen die opinies op de voet van art. 8:45 Awb Pro in het geding te brengen, is het Hof ten onrechte voorbij gegaan aan de gemotiveerde stellingen van de Inspecteur [112] dat (a) de feiten in die opinies niet zien op de litigieuze casus maar op een
Bosal-casus; (b) de belanghebbenden wisten dat zij aan de opinies geen enkele zekerheid konden ontlenen; (c) die opinies - afgegeven ná aankoop van de belanghebbenden - hen niet alleen niet kunnen disculperen, maar ook op kwade trouw wijzen en (d) de belanghebbenden en hun adviseur zich ervan bewust waren dat hun standpunt niet pleitbaar was als met alle relevante feiten rekening zou worden gehouden. Ook dat voorbijgaan acht de Staatssecretaris onjuist en onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
BNB1988/319 en HR
BNB2013/200 en naar het arrest van uw strafkamer in de strafzaak HR
NJB2012/727.
BNB1988/319 [115] betrof een directeur-enig aandeelhouder (dga) die in 1977 met zijn BV overeenkwam dat de BV tegen kostprijs een woonhuis voor hem zou bouwen. De woning werd in 1979 opgeleverd. In geschil was onder meer of de dga opzet of grove schuld had op/aan te lage belastingheffing door in zijn aangifte IB 1977 van deze overeenkomst geen melding te maken. Dat de dga zich bij het sluiten van de overeenkomst bewust was van een bevoordeling en niettemin de overeenkomst niet meldde, bracht op zichzelf niet mee dat door zijn opzet of grote schuld te weinig inkomstenbelasting was geheven. Dat verwijt kon hem slechts gemaakt worden als hij tevens wist of had moeten begrijpen dat het voordeel – hoewel de woning hem pas later zou worden geleverd – al in de inkomstenbelasting over 1977 moest worden betrokken. U overwoog:
BNB2013/200 [116] betrof een belastingplichtige die hem toegekende optierechten niet had aangegeven, noch in de toekenningsjaren, noch in de jaren van onvoorwaardelijk worden, noch in de jaren van uitoefening. Het Hof achtte de optierechten belastbaar op het moment waarop zij onvoorwaardelijk werden en meende dat de belanghebbende een ten dele pleitbaar standpunt had ingenomen. Onder verwijzing naar HR
BNB1988/319 overwoog u:
BNB2011/288 dat een ontneming pas aftrekbaar is in het jaar waarin het ontnomen bedrag het vermogen van de belastingplichtige verlaat; een voorziening is niet mogelijk [118] ). Het geschil ging daardoor nog slechts over de bijtelling van de geschatte productiekosten, die door wetsduiding niet aftrekbaar zijn als de belastingplichtige door de Nederlandse strafrechter onherroepelijk is veroordeeld (art. 3.14(1)(d) Wet IB 2001). Doordat de ontneming (als voorziening) in aftrek kwam terwijl de kostenaftrek werd teruggenomen, werd de belanghebbende per saldo belast voor het bedrag van die niet-aftrekbare kosten. Daarover werd hem een boete van uiteindelijk 50% opgelegd. De belanghebbende betoogde dat hij een pleitbaar standpunt had omdat de kosten pas niet-aftrekbaar worden ná onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling terwijl hij in het litigieuze jaar en ook bij de aanslagvaststelling (nog) niet veroordeeld was. De kosten zijn dan (nog) aftrekbaar zodat van opzet dienaangaande geen sprake kon zijn. Het Hof ging daar niet op in. U overwoog op een daartegen gericht cassatiemiddel:
NJB2012/727 [119] (ik verwijs naar het NJB omdat de publicatie in NJ 2012/176 de relevante r.o. 7.3 en 7.4 niet omvat) overwoog uw strafkamer als volgt in een fiscale strafzaak tegen een belastingadviseur die had aangegeven dat zijn cliënt in België woonde terwijl uit telefoontaps en getuigenverklaringen bleek dat hij zich terdege bewust was van de onjuistheid van dat standpunt:
BNB2004/75 [121] ) ziet een geobjectiveerde benadering in uw rechtspraak, zij het dat de term ‘ingenomen standpunt’ suggereert dat een band met de concrete casus wordt verlangd:
BNB1993/193 en HR
BNB1999/300, PJW] leest de advocaat-generaal dat (mede) gekeken moet worden naar het handelen van de belastingplichtige in zijn concrete geval (zie punt 5.4 van zijn conclusie [voor HR
BNB2004/75, PJW]). Dit kan ik niet uit die jurisprudentie afleiden. Integendeel, mijns inziens gaat de Hoge Raad juist uit van een geobjectiveerde benadering. Hij gaat na of voor het standpunt van de belastingplichtige zodanige argumenten zijn aan te voeren dat (enz.). De Hoge Raad onderzoekt niet of de belastingplichtige de bedoelde argumenten in enig stadium heeft aangevoerd, en al helemaal niet of hij ze ook al voor ogen had toen hij aangifte deed (voorzover dat al is vast te stellen). Illustratief is het arrest HR 22 april 1998, nr. 33 198, BNB 1998/201. De belanghebbende in die zaak had nagelaten om BPM op aangifte te voldoen. Hij had zich fiscaal niet georiënteerd. Toen de inspecteur hem vervolgens een naheffingsaanslag met boete oplegde, verweerde de belanghebbende zich met een beroep op onwetendheid. Kennelijk had hij op het moment waarop betaald had moeten worden geen fiscaal relevante argumenten voor ogen. Hoewel de naheffing in die zaak stand hield, heeft de Hoge Raad toch gecasseerd en verwezen om te onderzoeken of voor het standpunt dat de belanghebbende nadien bij het Hof innam (nl. dat hij niet in Nederland woonachtig was) zodanige argumenten waren aan te voeren dat voor een vergrijpboete geen plaats is.
BNB2013/200 concludeert Spek dat u de pleitbaarheid van het standpunt objectief toetst maar daarnaast ook een subjectieve toets aanlegt in die zin dat het standpunt van de belastingplichtige over het genietingstijdstip van het inkomen moet worden weerspiegeld in zijn handelen: [124]
NTFR2013/1550 naar aanleiding van HR
BNB2013/200 op dat in de literatuur algemeen wordt aangenomen dat u uitgaat van een objectief pleitbaar standpunt, maar dat u u daarover niet expliciet heeft uitgelaten:
In de literatuur wordt algemeen aangenomen dat in het fiscale bestuursrecht het pleitbaar standpunt een objectieve strekking heeft. Recent oordeelde Hof Amsterdam (19 april 2012, nr. 09/00810, NTFR 2012/1368), onder verwijzing naar HR 6 maart 2012, nr. 09/04384, NTFR 2012/799 (strafkamer), dat echter ook subjectieve elementen van belang zijn. De fiscale kamer van de Hoge Raad heeft zich over dit vraagstuk echter nog niet expliciet uitgelaten. Ook in de onderhavige zaak niet terwijl deze daartoe toch aanknopingspunten daarvoor bood. Immers, de belastingplichtige heeft willens en wetens de belasting ter zake van de opties willen ontgaan. Dit is onverenigbaar met een subjectieve opvatting van het pleitbare standpunt. De Hoge Raad oordeelt echter simpelweg dat het standpunt niet verdedigbaar is en komt (daardoor) niet toe aan een overweging omtrent de subjectieve overtuiging van de belastingplichtige. Dat is zoals gezegd jammer aangezien enige verduidelijking de discussie in de literatuur richting kan geven.”
NJB2012/727) een synthese van de fiscaalrechtelijke objectieve benadering en de subjectieve, meer strafrechtelijke benadering:
BNB2013/200 af dat u inmiddels met uw strafkamer uitgaat van een subjectieve leer:
Van der Werffmerken naar aanleiding van de in 9.9 geciteerde strafzaak HR
NJB2012/727 op dat het pleitbare standpunt in het strafrecht een andere benadering kent dan in het fiscale recht: [128]
ofzij zich voordoet, hangt immers af van de ‘argumenten’ die voor een uit de aangifte volgend standpunt kunnen worden aangevoerd, en ‘argumenten’ kunnen in elke stand van het geding worden aangevoerd (zie 9.23 hieronder).
if any) de belastingplichtige had toen hij zijn aangifteformulier op een bepaalde wijze invulde (en daarmee een ‘standpunt’ innam); niet beslissend is of hem een bepaalde onderbouwing van een standpunt voor ogen stond of dat hij voetstoots ergens van uitging of juist niet van uitging (of maar wat deed). Met name illustratief is het door Feteris (zie 9.12 hierboven) genoemde geval HR BNB 1998/201, waarin de belanghebbende eerst onwetendheid stelde en later dat hij helemaal niet in Nederland woonde. Uw maatstaf houdt niet in dat ‘zodanige argumenten’
warenaan te voeren, maar dat ‘zodanige argumenten’
zijnaan te voeren. Van belang lijkt dus slechts
dater (achteraf) zodanige argumenten voor een uit de aangifte volgend standpunt kunnen worden aangevoerd dat het (objectief) niet lichtvaardig
zou zijn geweestom de aangifte te doen zoals gedaan als de belanghebbende toen die argumenten had bedacht. De argumenten moeten er wel zijn, maar hoeven niet ten tijde van de aangifte reeds bedacht te zijn. Een andere onderbouwing – of überhaupt een onderbouwing – van een aangifte is ook (veel) later mogelijk, aangenomen dat die onderbouwing ook ten tijde van de aangifte mogelijk zou zijn geweest. Dat ligt ook voor de hand, gegeven de vaste rechtspraak dat beide partijen in elke stand van het fiscale geding nieuwe of andere argumenten mogen aanvoeren voor door hen ingenomen standpunten [129] en dat het niet een iegelijk gegeven is de ondoordringbare fiscale wetgeving en rechtspraak te overzien.
ander(
niet-pleitbaar) standpunt innam. Het (latere) gedrag, met name de in latere jaren ingenomen standpunten, van de belanghebbende moet stroken met de (al dan niet achteraf aangevoerde) onderbouwing van zijn aangifte. In de geciteerde optieszaak HR
BNB2013/200 (zie 9.8) had de belastingplichtige willens en wetens ook in de daarvoor wél in aanmerking komende latere jaren (jaar van onvoorwaardelijk worden en jaar van uitoefening van de opties) geen melding gemaakt van de hem in een eerder jaar toegekende optierechten. Hoewel voor elk van die drie jaren afzonderlijk bezien objectief pleitbaar zou kunnen zijn dat de optiewaarde niet in
datjaar belast was maar in één van de andere twee jaren, was
nietpleitbaar het standpunt dat ze in geen enkel jaar belast waren. Sterker nog: juist het standpunt dat hun waarde in een bepaald jaar niet belastbaar was, impliceerde dat die waarde in een ander jaar belastbaar moest zijn. Uit het gedrag van de belastingplichtige in die zaak (geen melding in welk jaar dan ook) volgde dat zijn
werkelijkestandpunt was dat de optierechten niet belast zouden zijn. Dat standpunt was uiteraard niet objectief pleitbaar. Dezelfde benadering volgde u in de geciteerde zaak HR
BNB1988/319 (zie 9.7): het verwijzingshof moest uitzoeken of de belanghebbende, in overeenstemming met zijn (al dan niet achteraf beargumenteerde) standpunt dat de meerwaarde van het voor hem te bouwen huis niet in 1977 belast was, die meerwaarde in 1979 had aangegeven. Anders dan de Staatssecretaris en een deel van de boven geciteerde literatuur, zie ik dus in HR BNB 2013/200 geen afwijking of subjectiverende nuancering van uw vaste rechtspraak dat voor vrijwaring van beboeting voldoende is dat de inhoud van de aangifte objectief pleitbaar is.
ander, en
niet-pleitbaar, standpunt innam, zoals de xtc-producent in de zaak geciteerd in 9.9 en de optierechtgenieter in de zaak geciteerd in 9.8. Anders gezegd: van pleitbaarheid is geen sprake als het gepresenteerde, mogelijk wel pleitbare standpunt irrelevant is omdat in werkelijkheid een ander, niet-pleitbaar standpunt is ingenomen. In wezen gaat het hier om bewijsoordelen inhoudende dat de belastingplichtige de niet-pleitbaarheid van zijn aangifte poogt te maskeren met pleitbaarheid van standpunten die hij blijkens zijn (latere) gedrag helemaal niet heeft ingenomen. Nog anders gezegd: in deze gevallen gaat het in wezen om jokken over de feiten (opzettelijke verzwijging van (een bron van) inkomsten) en niet om een verdedigbare rechtstoepassing op niet-verzwegen feiten.
BNB1993/193 (zie 9.5), dat ‘niet kan worden gezegd dat belanghebbenden met hun structuur en hun aangiften, alsmede met de door hen vóór het opleggen van de aanslagen verstrekte informatie de grens naar strafwaardig handelen (…) hebben overtreden’. Ik meen dat dit oordeel strookt met de objectieve maatstaf in uw boven weergegeven vaste rechtspraak en dus geen blijk geeft van een verkeerd rechtskundig inzicht. Het gegeven dat de renteaftrek alleen met toepassing van
fraus legisgeweigerd blijkt te kunnen worden, betekent dat de gewone interpretatiemethoden daartoe niet toereiken en dat met name de wettekst en duidelijke precedenten in de rechtspraak niet naar niet-aftrekbaarheid leiden. Dat brengt mijns inziens al mee dat het standpunt dat de rente aftrekbaar is, niet alleen objectief pleitbaar is, maar ook - ten tijde van het doen van de aangiften - subjectief pleitbaar was.
fraus legisook niet nodig geweest; dan hadden de Inspecteur en de feitenrechters simpelweg dat precedent kunnen toepassen.
fraus legismoet worden aangenomen, zegt mijns inziens niet meer of anders dan dat het Hof vindt dat aan de objectieve toepassingsvoorwaarde van
fraus legisis voldaan. Als de Staatssecretaris hierin een ander oordeel over de pleitbaarheid van belanghebbendes standpunt leest dan in r.o. 4.5.6, dan berust dat mijns inziens op onjuiste lezing. Ik zie geen innerlijke strijd.
juridischpleitbaar?), dat in zoverre geen motivering behoeft en dat u ook zelf kunt vellen. Ook kan ’s Hofs desbetreffende overweging anders gelezen worden, nl. als inhoudende dat de belanghebbenden er van uit mochten gaan dat renteaftrek pleitbaar was mede omdat lui die er verstand van hebben zulks pleitbaar achtten. Dat zegt iets over (het ontbreken van) de voor opzet vereiste wetenschap. Maar in die lezing had het Hof dat eigenlijk wel moeten controleren door de opinies op te vragen. Dat doet echter niet ter zake, want (i) de overweging is niet dragend voor het oordeel, (ii) het gaat hoe dan ook voornamelijk om een rechtsoordeel dat in zoverre geen motivering behoeft en (iii) ook als de opinies of één van de opinies aftrek pleitbaar of juist niet pleitbaar achtte(n), maakt dat aftrek nog niet (on)pleitbaar. Dat laatste betoogt overigens ook de Staatssecretaris.
una viaregel (art. 5:44 Awb Pro en art. 243(2) WvSv). [131] Aangenomen al dat de strafkamer een andere benadering volgt dan de belastingkamer (erg duidelijk vind ik dat niet: de strafzaak HR
NJB2012/727 geciteerd in 9.10 kan ook gezien worden als vergelijkbaar met de boven geciteerde gevallen van de optiegenieter en de xtc-producent: uit telefoontaps en getuigenverklaringen bleek dat de verdachte belastingadviseur nooit de intentie had enig pleitbaar standpunt in te nemen maar juist wist dat zijn cliënt niet in België woonde; jokken over de feiten, kortom), dan acht ik het niet wenselijk dat die eventuele andere benadering van de strafkamer doordringt in het fiscale punitieve bestuursrecht. Als de strafkamer al een andere koers vaart (ik vermoed dat de uitkomst zelden anders zal zijn), dan zal dat denkelijk komen doordat het strafrecht binnen diens subjectieve opzetdogmatiek niet uit de voeten kan met objectieve pleitbaarheid als disculperende omstandigheid. De oplossing daarvoor ligt echter binnen het strafrecht en voor de hand. Zoals Ilsink al opmerkte (zie 9.14 hierboven) kan het punitief-bestuursrechtelijke objectief pleitbare standpunt in de strafrechtelijke dogmatiek ingepast worden in het strekkingsvereiste van de opzetdelicten van art. 69 AWR Pro: als een standpunt objectief pleitbaar blijkt te zijn, strekte de gedraging er (dus) (objectief) niet toe dat te weinig belasting wordt geheven en is dus dat delictsbestanddeel niet vervuld, zodat vrijspraak volgt, geheel in lijn met uw bestuurlijk-punitieve rechtspraak. Ik merk op dat het strekkingsvereiste juist in de strafwet is gekomen om de te lage heffing aan het opzetverband te onttrekken, dus om te objectiveren. [132] U formuleerde het aldus dat: [133]
10.Verliesverrekening (principaal middel 5 van belanghebbende 8)
carry backworden verrekend in het jaar van aandeelhouderswisseling zodat de belanghebbende er mijns inziens terecht over klaagt dat het verlies 2007 niet is verrekend.
Ontduiking van art. 10a Wet Vpb door belanghebbende 10 (principaal middel 4 van de Staatssecretaris)
tax planningstructuur in staat waren de Nederlandse belastinggrondslag vrijwel naar believen uit te hollen.
fraus legisgeen sprake is als de
Bosal-mismatchslechts gebruikt zou zijn om heffing over bestaande eigen operationele winst te verijdelen met gebruikmaking van reeds bestaande financieringsbehoefte. ’s Hofs oordeel dat renteaftrek bij belanghebbende 10 over 2005 tot en met 2007 niet met een beroep op ontduiking van art. 10a Wet Vpb kan worden bestreden, acht ik dan niet in tegenspraak met het oordeel dat de belanghebbenden 1 t/m 9 de Nederlandse belastinggrondslag (wel) onaanvaardbaar hebben uitgehold in strijd met doel en strekking van de Wet Vpb.
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen verliesbeschikkingsoordeel? (incidenteel middel belanghebbende 10)