ECLI:NL:PHR:2018:1376

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 december 2018
Publicatiedatum
14 december 2018
Zaaknummer
16/03365
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SvArt. 27a SvArt. 345 SvArt. 348 SvArt. 350 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid vonnis wegens niet verlenen recht op het laatst te spreken aan verdachte

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin verdachte was veroordeeld voor medeplegen van witwassen en overtreding van de Wet inzake de geldtransactiekantoren. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep op 23 mei 2016 is verdachte het recht gelaten het laatst te spreken waarna het onderzoek werd onderbroken tot 24 mei 2016. Op die dag werd het onderzoek hervat en gesloten nadat de advocaat-generaal een inhoudelijke reactie gaf op een door de verdediging ingediend verweer over de nietigheid van de dagvaarding.

De Hoge Raad stelt vast dat op de zitting van 24 mei 2016 niet opnieuw aan verdachte het recht is gelaten het laatst te spreken, terwijl de advocaat-generaal zich inhoudelijk heeft uitgelaten over de strafzaak. Dit is in strijd met artikel 311, vierde lid, Sv, dat het recht op het laatst te spreken garandeert om te voorkomen dat onderdelen van het onderzoek ten nadele van verdachte onweersproken blijven.

De Hoge Raad oordeelt dat deze schending van het recht op het laatst te spreken leidt tot nietigheid van het bestreden arrest. Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard en de zaak wordt terugverwezen naar het hof Den Haag voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep. De overige middelen behoeven geen bespreking.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens schending van het recht op het laatst te spreken en de zaak wordt terugverwezen.

Conclusie

Nr. 16/03365
Zitting: 18 december 2018
Mr. F.W. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 7 juni 2016 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. "medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken" en 2. "medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3 van Pro de Wet inzake de geldtransactiekantoren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, waarvan een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Ten slotte heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van in beslag genomen voorwerpen, één en ander zoals in het arrest vermeld.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. [1] Mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het
eerste middelbehelst de klacht dat het onderzoek ter terechtzitting en het daarop gebaseerde bestreden arrest nietig zijn omdat het hof de verdachte ten onrechte niet het recht heeft gelaten het laatst te spreken.
3.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 mei 2016 houdt onder meer in:
"
Zitting 23 mei 2016
(…)
De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.
Ter terechtzitting is aanwezig [betrokkene 1] , die als beëdigd tolk in de Pakistaanse taal onder nummer 2193 is ingeschreven in het Register beëdigde tolken en vertalers. Al hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen is door voornoemde tolk vertolkt.
De voorzitter stelt de identiteit van de ter terechtzitting aanwezige verdachte vast op de wijze, - bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
De verdachte antwoordt op vragen van de voorzitter te zijn genaamd:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (India) op [geboortedatum] 1968,
adres: [a-straat] te [postcode] [plaats] .
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. J.C.C.M. Brand, advocaat te Westervoort.
(…)
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.
De voorzitter deelt vervolgens mede dat het hof het onderzoek ter terechtzitting zal onderbreken tot de terechtzitting van 24 mei 2016 om 09.00 uur. Alsdan zal de formele sluiting van het onderzoek plaatsvinden."
3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2016 houdt in:
"
Zitting 24 mei 2016
(…)
De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen veroordeelde uitroepen.
De verdachte antwoordt op vragen van de voorzitter te zijn genaamd:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (India) op [geboortedatum] 1968,
adres: [a-straat] te [postcode] [plaats] .
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. J.C.C.M. Brand, advocaat te Westervoort.
Het hof hervat het onderzoek ter terechtzitting in de stand waarin dat zich op het tijdstip van de onderbreking ervan op 23 mei 2016 bevond.
Daartoe in de gelegenheid gesteld deelt de raadsman mede:
Gisteren is kort de wijziging tenlastelegging van feit 3 aan de orde geweest. Ik ben gisteren in mijn pleidooi helaas vergeten aan te voeren dat de verdediging van mening is dat de tenlastelegging na de wijziging onleesbaar is geworden. De dagvaarding dient wat betreft het onder 3 ten laste gelegde derhalve nietig te worden verklaard.
De advocaat-generaal deelt hierop mede:
Ik heb gisteren reeds vermeld dat ik bij mijn requisitoir zou uitgaan van de gewijzigde tenlastelegging. Ik zie geen reden om de dagvaarding nietig te verklaren. De rechtbank heeft dit ook in eerste aanleg gevoerde verweer
op juiste wijze verworpen.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat uitspraak zal worden gedaan ter openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juni 2016 te 09.00 uur."
3.3. Uit de hiervoor weergegeven processen-verbaal kan het volgende worden afgeleid. Ter terechtzitting van 23 mei 2016 is aan de verdachte het recht gelaten het laatst te spreken. Voorts blijkt dat op de terechtzitting van 23 mei 2016 de voorzitter het onderzoek heeft onderbroken tot de terechtzitting van 24 mei 2016. Nadat het onderzoek is hervat op de zitting van 24 mei 2016 hebben de raadsman van de verdachte en de advocaat-generaal kort het woord gevoerd zoals weergegeven in het proces-verbaal, waarna het onderzoek door de voorzitter is gesloten. Niet blijkt dat de verdachte op die laatste zitting (nogmaals) het recht is gelaten om het laatst te spreken.
3.4. De vraag die in deze zaak voorligt is of op de laatste terechtzitting zich een situatie heeft voorgedaan die meebrengt dat aan de verdachte opnieuw het laatste woord had moeten worden verleend.
3.5. Art. 311, vierde lid, Sv bepaalt dat aan de verdachte, op straffe van nietigheid, het recht wordt gelaten om het laatst te spreken. Deze bepaling strekt ertoe dat geen onderdeel van het onderzoek hetwelk ten bezware van de verdachte zou kunnen strekken door deze onweersproken behoeft te blijven. [2] De wetgever achtte de symboolwaarde van dit voorschrift zo groot, dat de niet-naleving ervan tot nietigheid leidt. [3] Mijn ambtgenoot Keulen merkt op dat de symboolwaarde niet alleen schuilt in het recht op dupliek, maar ook in de mogelijkheid voor de verdachte om helemaal aan het eind van het onderzoek ter terechtzitting nog te zeggen wat hij of zij kwijt wil. [4]
3.6. Ten aanzien het procesverloop geldt het volgende. Noch art. 345 Sv Pro noch enige andere rechtsregel verzet zich ertegen dat na afloop van het onderzoek ter terechtzitting het onderzoek op een andere nadere terechtzitting gesloten wordt verklaard. [5] Indien de verdachte het laatste woord reeds heeft gehad en op de nadere terechtzitting geen nieuwe onderzoekshandelingen zijn verricht, hoeft het laatste woord niet opnieuw aan de verdachte te worden verleend. [6]
3.7. Voor de beoordeling of aan de strekking van art. 311, vierde lid, Sv tekort is gedaan, komt relevantie toe aan de vraag of de advocaat-generaal bij het hof na het laatste woord van de verdachte nog het woord heeft gevoerd. [7] Overigens leidt niet elke opmerking van de advocaat-generaal er zonder meer toe dat aan de strekking van art. 311, vierde lid, Sv is tekortgedaan. [8] Ook in dit verband gaat het om de vraag of sprake is van een inhoudelijk debat met het oog een door de rechter in de zaak te nemen beslissing, waarbij de verdediging in de gelegenheid moet worden gesteld het laatst te spreken.
3.8. Ter illustratie wijs ik op het arrest van de Hoge Raad van HR 20 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD1069, NJ 1995/710. [9] In deze zaak had de verdachte verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis en om onmiddellijke invrijheidstelling. De procureur-generaal reageerde hierop door zijn standpunt ten aanzien van dit verzoek kenbaar te maken. Na afwijzing van het verzoek door het hof werd het onderzoek gesloten. Nu de procureur-generaal zijn standpunt niet vergezeld had doen gaan van inhoudelijke, op de strafzaak tegen de verdachte betrekking hebbende argumenten, was volgens de Hoge Raad niet tekort gedaan aan de strekking van de bepaling dat aan de verdachte het laatste woord moet worden gelaten.
In HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:364 had het hof de verdachte en de raadsman in de gelegenheid gesteld het laatst te spreken, bij welke gelegenheid de raadsman verklaringen overlegde aan het hof. De advocaat-generaal reageerde hierop, na lezing van de verklaringen, met de stelling dat deze verklaringen niet van belang zijn voor het bewijs. De Hoge Raad oordeelde dat de advocaat-generaal zijn uitlatingen vergezeld heeft doen gaan van inhoudelijk op de strafzaak van de verdachte betrekking hebbende argumenten. Nu de verdachte daarna niet opnieuw het recht was gelaten het laatst te spreken, was het voorschrift van art. 311, vierde lid, Sv niet in acht genomen.
3.9. In de onderhavige zaak meen ik dat de advocaat-generaal met de uitlating dat zij geen reden ziet om de dagvaarding nietig te verklaren en zich daarbij op het standpunt stelt dat de rechtbank dit ook in eerste aanleg gevoerde verweer op juiste wijze heeft verworpen, zich op de nadere terechtzitting van 24 mei 2016 inhoudelijk heeft uitgelaten over de strafzaak van de verdachte. Daarbij is de vraag naar de geldigheid van de dagvaarding aan de orde gekomen, een vraag die behoort tot het beslissingsmodel van de artikelen 348 en 350 Sv en daarmee deel uitmaakt van het onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte. [10] Niet gezegd kan worden dat de uitlating geen betrekking heeft op enige door het hof te nemen beslissing. Nu uit het proces-verbaal niet blijkt dat de verdachte daarna nog het recht is gelaten het laatst te spreken en zich uit te laten over deze inhoudelijk op de strafzaak betrekking hebbende argumenten, moet het ervoor worden gehouden dat het in art. 311, vierde lid, Sv op straffe van nietigheid gegeven voorschrift niet in acht is genomen.
3.10. Het middel slaagt.
4. Omdat het eerste middel slaagt, behoeven de overige middelen geen bespreking.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Bij ‘akte partiële intrekking cassatie’ is het beroep partieel ingetrokken. Het cassatieberoep richt zich niet langer tegen de beslissing van het hof waarbij de dagvaarding ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde nietig is verklaard.
2.HR 20 juni 1995, ECLI:NL:HR:ZD1069, NJ 1995/710. Vgl. ook HR 10 januari 1950, NJ 1950/317 en HR 5 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AB9001, NJ 1993/494.
3.Vgl. art. 311, vierde lid, Sv en Kamerstukken II 1993/94, 23 705, nr. 3, p. 21.
4.Vgl. zijn conclusie voorafgaand aan HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:372, NJ 2018/173.
5.Vgl. HR 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0011, NJ 2010/626.
6.Vgl. HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4660, NJ 2011/184.
7.Zie in dit verband de conclusie van voormalig advocaat-generaal Silvis voorafgaand aan HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4660, NJ 2011/184.
8.Vgl. HR 13 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6033, NJ 2005/502.
9.HR 20 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD1069, NJ 1995/710.
10.Zie in dit verband ook de conclusie van A-G Biegman-Hartogh voorafgaand aan HR 25 november 1980, NJ 1981/128, en HR 10 januari 1950, NJ 1950/317, waarin wordt overwogen dat het recht op het laatste woord strekt 'tot waarborg dat geen onderdeel van het onderzoek hetwelk ten bezware van de verdachte zou kunnen strekken, door deze onweersproken behoeft te blijven'.