Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
bestemmingvan alle beschikbare gebruiksuren en niet aan de hand van de
werkelijkegebruiksuren.
Securenta [4] leidt de Rechtbank af dat de vaststelling van de methoden en criteria voor de verdeling van de betaalde omzetbelasting tussen economische en niet-economische activiteiten tot de beoordelingsbevoegdheid van de lidstaten behoort. De Rechtbank oordeelt dat Nederland geen uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van het HvJ in
Securenta, aangezien het Besluit aftrek van omzetbelasting [5] geen wetgeving is maar een besluit van de staatssecretaris van Financiën. De Rechtbank oordeelt dat zij in deze leemte moet voorzien en sluit daarvoor aan bij artikel 11 Uitv Pro.besch. OB. Omdat bij de niet-economische activiteiten geen sprake is van omzet, kan de omzetverdeelsleutel niet worden toegepast. Daarom ligt de verdeling volgens het werkelijke gebruik voor de hand. De Rechtbank oordeelt in navolging van partijen dat het gebruik in uren in dit geval een goede maatstaf is om het werkelijke gebruik te bepalen. De Rechtbank verwerpt de stelling van belanghebbende dat niet alleen rekening moet worden gehouden met de werkelijk verhuurde uren, maar ook met de uren die voor belast gebruik beschikbaar zijn. De Rechtbank acht niet aannemelijk dat de sportzalen voor de niet gebruikte uren verhuurd kunnen worden. De verdeelsleutel die belanghebbende bij de aangifte heeft gebruikt, heeft als effect dat de mate van aftrek meebeweegt met verhuur zoals deze feitelijk is gerealiseerd. Op die wijze worden de kosten op de meest objectieve wijze toegerekend aan de werkelijke activiteiten, aldus de Rechtbank.
Securentaaf dat deze regels niet gelden voor zover het niet-economische activiteiten betreft. Het is aan de lidstaten om hiervoor regels te stellen. Het Hof stelt vast dat de Nederlandse regelgever dergelijke regels niet heeft vastgesteld. Het Hof ziet zich daarom voor de taak gesteld een op de situatie van belanghebbende toegesneden oplossing te vinden.
3.Het geding in cassatie
Securenta.
4.Beoordeling van het middel
often behoeve van vrijgestelde prestaties.
Securenta. [12] In
MVM [13] heeft het HvJ bevestigd dat dit ook geldt voor de Btw-richtlijn.
HR BNB 2012/222 [17] heeft de Hoge Raad in deze zin geoordeeld. Hij overwoog:
Securentaheeft gegeven in acht zullen worden genomen. Met name kan worden betwijfeld of gewaarborgd wordt dat de aftrek slechts plaatsvindt voor het gedeelte van de btw dat evenredig is aan het bedrag van de handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat en dat de berekening van het pro rata van economische en niet-economische activiteiten objectief weergeeft welk deel van de gemaakte kosten werkelijk toe te rekenen is aan elk van deze twee activiteiten (zie punt 37 van het arrest). [18] Deze oplossing heeft daarom niet mijn voorkeur.
Securentaniet in acht worden genomen. Bovendien zou deze oplossing in strijd komen met de vaste rechtspraak dat het recht op aftrek een fundamenteel beginsel van het gemeenschappelijk btw-stelsel vormt, dat in beginsel niet kan worden beperkt. [19] Overigens zou de belastingplichtige dan een beroep kunnen doen op het besluit aftrek van omzetbelasting. Aangezien in dit besluit geen duidelijke regels worden gegeven, biedt dit evenwel ook niet veel houvast.
HR BNB 2012/222lijkt de Hoge Raad daar ook vanuit te gaan. Daarin overweegt hij immers:
bestemmingvan de sportzalen en het
werkelijk gebruik. De voor belast gebruik bestemde uren en de daadwerkelijke uren belast gebruik worden samengeteld en aangemerkt als uren belast gebruik. De pro rata breuk ziet er dan als volgt uit:
Związek Gmin Zagłębia Miedziowego. [31] In de nationale rechtsorde van de betrokken lidstaat, Polen, bestonden net als in Nederland geen nationale bepalingen die criteria of methoden bevatten voor de berekening van het aftrekbare gedeelte van de voorbelasting op goederenleveringen en diensten die worden gebruikt voor zowel de economische als de niet-economische activiteiten van een belastingplichtige. Wel gold voor bepaalde personen een administratieve praktijk waarbij een recht op aftrek van de volledige voorbelasting werd toegekend, zelfs als slechts een fractie van de aangekochte goederen en diensten daadwerkelijk werden gebruikt voor een economische activiteit en de overige goederen en diensten voor niet-economische activiteiten. De verwijzende nationale rechter heeft het HvJ de vraag voorgelegd of deze nationale praktijk in overeenstemming is met artikel 168 Btw Pro-richtlijn en het beginsel van neutraliteit van de btw. Omdat Nederland een dergelijke praktijk niet kent, is deze Poolse zaak in zoverre niet van belang voor de oplossing van het onderhavige geschil. Voor de vraag in hoeverre het Unierecht de toepassing van het nationale leerstuk van het door (gepubliceerd) beleid gewekte vertrouwen kan inperken, kan het arrest van het HvJ wel interessante gezichtspunten opleveren voor de Nederlandse praktijk. Voor de vraag die hier speelt, concludeert A-G Sharpston dat de bevoegde belastingautoriteiten de betrokken belastingplichtige moeten toestaan zich te beroepen op een methode van zijn keuze, op voorwaarde dat deze methode, gelet op de aard van de uitgeoefende economische activiteit, objectief weergeeft in welke mate de in een eerder stadium opgelopen kosten zijn gemaakt ten behoeve van economische activiteiten en is gebaseerd op objectieve criteria en betrouwbare gegevens, en de bevoegde autoriteit aan de hand ervan de juistheid van de toepassing ervan kan controleren (zie punt 115).